Verhalen

De opzet van deze pagina is de verhalen die mij af en toe worden aangeboden door derden, op deze pagina te plaatsen zodat een ieder die dat wenst, deze kan lezen. Misschien plaats ik ook wel eens een eigen verhaal (al of niet fictief!) op deze site! De verantwoording voor de inhoud van deze verhalen berust volledig op de auteurs zelf!

Inleiding tot Kobun: Het verhaal is nu compleet!

Het hieronder volgende verhaal is mij aangereikt door Rob Snijsthe. De lezer moet dit verhaal zien als een moderne mix van Sience Fiction en Martial Arts. De reden dat ik dit verhaal publiceer op mijn site is deze: "Ik heb het gelezen en het fascineerde mij dermate dat ik het in drie sessies uitgelezen heb". Het is spannend en er zit een moraal aan vast die ik de potentiele lezer niet wil onthouden! Tevens heb ik zijn toestemming om dit verhaal als een vervolgverhaal (dus hoofdstuk voor hoofdstuk) te publiceren op mijn site. Iedereen dit wil, kan eenvoudig met selecteren en vervolgens ctrl-c en ctrl-v alle tekst kopieren naar zijn eigen PC om het als een boek te bundelen en te bewaren! Echter; het mag niet worden verspreid als een eigen werk of aan uitgevers aangeboden worden voor publicatie!

Voor een reactie op dit verhaal kan men mailen naar Rob Snijsthe .

Persoonlijk vind ik dit verhaal geschikt voor lezers van 16 jaar en ouder.

Ik wens een ieder veel leesplezier toe,

Paul Jansen

KOBUN


Door Rob Snijsthe

Een SF Martial Arts verhaal

 

HOOFDSTUK 1.
Het jaar 2179. City No. 8, Zone 5

Het was tien uur in de morgen en ik was ruim op tijd voor mijn afspraak met Mike Johnson, eigenaar van het bedrijf “Sporting Man”.
Ik was met hem in contact gekomen via een gemeenschappelijke kennis en benieuwd naar wat zijn wensen waren.
Mijn baan, dat wil zeggen mijn officiële baan, is zelfstandig webdesigner.
Ik maak websites voor kleine bedrijven. Meestal bedrijven die geen speciale wensen hebben, maar wel vertegenwoordigd willen zijn op het internet.

Echt leuk vindt ik het bouwen van internetsites niet, maar wanneer je geen vaste baan hebt, word je regelmatig door de overheid onder de loep genomen en dit is juist het laatste wat ik kan gebruiken.
Ik heb geld, veel geld, maar dit geld heb ik niet verdiend middels mijn werk als webdesigner, maar door mijn werk als “ruimer” voor “de organisatie”.
De organisatie, zoals ze genoemd wordt, is in werkelijkheid een zeer machtige criminele organisatie met vertakkingen over de hele wereld.
Maandelijks krijg ik een leuk bedrag op een geheime bankrekening gestort en als ik geld nodig heb, dan kan ik een afspraak arrangeren met Black, mijn tussenpersoon, om het gewenste bedrag in ontvangst nemen.
Tegenprestatie voor al dat geld is, dat wanneer de telefoon gaat, ik opneem.
Het opnemen van de telefoon leidt tot een afspraak met Black, waarbij ik een enveloppe overhandigd krijg, met daarin voldoende gegevens om mijn opdracht uit te voeren en dat is het liquideren van een, door de organisatie, niet langer gewenst individu.
Opdrachten staan niet ter discussie en ik weet dat het weigeren van een opdracht zou leiden tot een enveloppe in de handen van iemand anders, ditmaal met mijn naam erop.
Ik heb slechts een regel: ”Geen Kinderen!”, en dit wordt door de organisatie geaccepteerd.
Niet dat de organisatie nooit zou overgaan tot het liquideren van kinderen, indien dit nodig zou zijn, maar in zo’n geval zouden ze er iemand anders voor inschakelen.
Trouwens, echt vaak gaat de telefoon niet, in de laatste drie jaar slechts tweemaal en beide waren opdrachten die elke amateur uitgevoerd zou kunnen hebben.
In het totaal had ik tot nu toe dertien mensen in opdracht van de organisatie om zeep geholpen en het er altijd zonder kleerscheuren vanaf gebracht.

Mike Johnson deed de deur van zijn kantoor open, hij had me de parkeerplaats zien oprijden.
Het bedrijventerrein was een doolhof, maar gelukkig was het in deze zone mogelijk om van “CSC” gebruik te maken, dus kon ik rustig achterover leunen en de auto zijn gang laten gaan.
“Goedemorgen, Tom Brown neem ik aan”, zei hij, “Right on time”
“Goedemorgen”, antwoordde ik.
“Kon je het makkelijk vinden?”.
“CSC”, zei ik, “maar als ik het laatste stuk zelf had moeten rijden dan was ik er nu zeker nog niet geweest“.
“Aaahh CSC…het betere werk, ik heb het zelf ook laten uploaden in mijn Voyager”, zei Mike terwijl hij trots naar een aan de overkant van de straat geparkeerde auto wees.
“Het laatste model, mooi he”.
“Zeker”, loog ik.
We gingen naar binnen, zijn bedrijf zag eruit zoals ik me het had voorgesteld.
Drie kantoorruimtes en een magazijn, in totaal vijftien werknemers.
Mike verkocht sportartikelen, voornamelijk vechtsportartikelen en fitnessapparatuur.
Hij leidde me door het bedrijf, waarbij me opviel dat bijna al zijn werknemers jonge vrouwen waren. Alleen in het magazijn zag ik twee gespierde jongens aan het werk, waarschijnlijk omdat niet veel vrouwen interesse in een baan zullen hebben waarbij ze de hele dag fitness apparatuur moeten in- en uitladen.
Mike had voor veel geld een dotcom adres weten te bemachtigen, maar eigenlijk verder nog geen idee wat hij er precies mee wilde. Tot nu toe kwamen al zijn klanten uit de regio, maar als hij wilde groeien, dan zou hij moeten werken aan naamsbekendheid.
We namen plaats in zijn privékantoor en een meisje van een jaar of negentien bracht koffie.
Ik wilde net een voorstel maken met betrekking tot de opzet van een internetsite, toen zijn telefoon ging.
“Sorry Tom, momentje”, zei hij.
Ik zag op de beeldtelefoon een blonde man die in gebrekkig Engels een verhaal begon af te steken over een incomplete zending van “belly-sticks”.
Ik had geen flauw idee wat belly-sticks waren en het interesseerde me eigenlijk ook niet.

Ik doodde de tijd met het doorbladeren van een catalogus vol met vechtsportartikelen.
Op bladzijde vijf stonden diverse houten oefenzwaarden (bokkens) afgebeeld, wat me deed denken aan de training die ik die avond om negen uur zou volgen.
Vechtsport is mijn grootste passie. Mijn gedachten begonnen af te dwalen naar het verleden.
Na de dood van mijn ouders, ik was toen zeventien, raakte ik behoorlijk in de put.
Mijn oom Ray nam mij onder zijn hoede. Ik mocht hem destijds niet, nu denk ik er natuurlijk anders over. Ray was de broer van mijn moeder en een redelijk onopvallend figuur. Hij had saaie hobby’s en een saaie baan, het enige leuke bij hem thuis was Toby, een totaal geflipte boxer, met een platte snuit en een gecoupeerde staart. Het grappigste vond ik altijd dat wanneer je binnenkwam Toby van blijdschap het hele huis onder piste. Ray werd hier telkens zo woest om dat ik niet begreep dat hij de hond nooit weg heeft gedaan.
Niet dat ik zelf niet mocht beslissen of ik bij deze oom in huis zou gaan wonen, maar het alternatief was een jeugdcentrum en de keus tussen een saaie oom of een jeugdcentrum was natuurlijk snel gemaakt.
In een jeugdcentrum zitten meestal geen lieverdjes, met als gevolg dat er een militair regime wordt gehanteerd. Bovendien moet je elke avond om tien uur weer binnen de poorten zijn en dat was wel hat laatste dat ik wilde.

Ray was trouwens wel degene die me zover kreeg om te gaan sporten. Het eerste jaar dat ik bij hem woonde had ik niet veel anders gedaan, dan mezelf vol proppen met fastfood, stiekem pornofilms downloaden en op bed liggen.
Ik was in die tijd pissed off op alles en iedereen en dus leek kickboksen me de juiste keuze. Ray had waarschijnlijk een gezellige zaalsport in gedachten gehad, maar besloot er verder niets over te zeggen. Bovendien was iets gezelligs wel het laatste waar ik behoefte aan had.
Kickboksen leek me wel iets dat goed van pas zou komen als ik weer eens ruzie had en tevens kon je er veel geld mee verdienen, tenminste als je goed was.
Er was een sportschool op loopafstand en ik schreef me in.
Al snel merkte ik dat een grote mond in de ring snel kleiner werd en ik leerde om eerst te denken alvorens iets te zeggen.
Ik maakte snel vorderingen en bleek er behoorlijk wat aanleg voor te hebben.
Na vier jaar hard trainen stuurde mijn trainer me naar een toernooi en kwam ik met een beker terug. Vanaf dat moment bokste ik meer wedstrijden en genoot ik van het gevoel de beste te zijn en er ook nog eens geld voor te krijgen.
In mijn gewichtsklasse, tussen de vijfenzeventig en vijfentachtig kilo, stond ik vrij snel bekend als een winnaar en ik was er ook niet bang voor om met een zwaargewicht in de ring te stappen.
Toen ik vierentwintig was voelde ik me redelijk zelfverzekerd en had schijt aan iederen.
De zenuwen in mijn scheenbenen waren allemaal kapot geschopt en ik voelde geen pijn meer als ik een lowkick blokkeerde. Het allerbelangrijkste was echter dat ik voor niemand bang was en me dus ook nooit zorgen maakte over verliezen.

Dit alles veranderde op een koude winteravond, toen ik tijdens een late wandeling met Toby door een jongen van mijn eigen leeftijd werd aangesproken.
“JE GELD! NU!”, schreeuwde hij.
Hij zag er niet erg indrukwekkend uit, geen vechter dacht ik bij mezelf. Hij had het uiterlijk van een junk, weliswaar was hij een kop groter maar dat was voor mij geen punt.
Ik was het gewend om te vechten tegen grotere tegenstanders. Met mijn 1.75m waren de meeste tegenstanders groter.
Hij was dun en zag er ondervoed uit, ik kon me nauwelijks voorstellen dat hij ook echt overwoog om me te lijf te gaan. Ik had bijna de neiging om de situatie komisch te vinden en lachend weg te lopen.
Plotseling zag ik, enigszins verborgen in zijn rechterhand, een mes. Dit had tot gevolg dat ik me een stuk minder zeker van mijn zaak begon te voelen. Ik was niet gewend om me te verdedigen tegen een wapen en realiseerde me dit pas eigenlijk nu ik recht tegenover iemand stond met een mes in zijn handen. Normaal gesproken zou je een stoot blokkeren, maar als iemand een mes in zijn klauwen had zou dit wel eens heel vervelende consequenties kunnen hebben voor je onderarm.
“NU JE GELD!”, schreeuwde hij nog een keer en keek me kwaad aan, maar met een blik die als bluf op mij overkwam.
Het leek er op dat hij niet veel meer dan schreeuwen zou gaan doen en ik dwong mezelf weer om rustig te worden. Ik dacht terug aan mijn laatste gevecht in de ring, ik had gewonnen middels een knock-out in de derde ronde. Mijn tegenstander stelde niet veel voor en wilde een paar seconden rust pakken door in de hoek te blijven staan. Ik maakte een hoge zijwaartse trap en raakte de achterkant van zijn hoofd, hij zakte meteen door de benen en bleef liggen.
Ik was snel en wist bijna zeker dat hij in het donker te laat zou zijn met reageren.
“Okay Okay, niet steken”, zei ik en gaf de indruk dat ik bang was en verder wel mee zou werken.
Toen kwam mijn trap, hard en snel, alleen merkte ik, tijdens het inzetten van de trap, dat de stoeptegel waarop ik stond niet stevig op de grond lag.
Mijn balans werd dusdanig verstoord, dat de trap jammerlijk mislukte en zijn hoofd miste.
Hij reageerde en duwde me achterover, ik viel met mijn rug tegen een paaltje en voelde een pijnscheut in mijn rug.
Ik sloot voor een seconde mijn ogen en toen ik ze weer open deed zag ik zijn knie vlak voor mijn gezicht.
Krak! , dat was een gebroken neus, ik wist het meteen want ik had het al eens eerder meegemaakt.
Water liep in mijn ogen en bloed uit mijn neus.
Ik greep naar mijn gezicht en was volledig gedesoriënteerd.
Ik wist echter weer rechtop te komen, totdat ik plotseling een pijnsteek voelde in mijn linkerbil.
De klootzak had me in mijn reet gestoken, daarna nog een klap op mijn kop en toen helemaal niets meer……

Ik werd wakker in het ziekenhuis, zonder beurs, met een gigantische pleister op mijn neus en hechtingen in mijn kont.
Het werd allemaal nog erger toen Ray binnenkwam, daar lag ik dan, de supergetrainde atleet die voor niemand bang was. In elkaar geslagen door een lange dunne slungel die eruit zag als een junk.
Ray zei niet veel en vroeg aan de arts of ik mee naar huis mocht.
Helaas kon dat niet, want ik moest eerst nog een verklaring afleggen voor de politie.
Opnieuw iets waar ik niet op zat te wachten.
De agent, een vent van in de veertig, wilde alles in detail horen en gaf me de volgende tip, “Nooit hoog trappen jongen, als je mist ben je de lul”. Nu weet ik dat hij gelijk had, maar op dat moment had ik de neiging hem te vertellen dat hij zijn bek moest houden.
Die avond had ik twee heel belangrijke zaken geleerd, ten eerste, een gevecht in de ring is iets heel anders dan een gevecht op straat en ten tweede, onderschat nooit iemand!!.

Eigenlijk was dit voorval ook het einde van mijn carrière als kickbokser. Ik kon nog wel winnen in de ring, maar ik vond het niet belangrijk meer.
Het was een sport en daarin was ik niet geïnteresseerd, ik was geïnteresseerd in overleven.
Ik stopte met wedstrijden en ging zo’n beetje elke martial art die er was uitproberen: Krav Maga, Hapkido, Karate, Ju-Jutsu en nog vele anderen. Ik kwam tot de conclusie dat elke stijl zijn voor- en nadelen heeft en dat het absolute onzin is om de ene te vergelijken met de andere. Het leek mij het beste om gewoon van elke stijl dat te nemen dat ik dacht te kunnen gebruiken. Ik bleef keihard trainen en toen ik de dertig gepasseerd was, ik woonde inmiddels een paar jaar alleen, kon ik me een leven zonder blessures niet meer voorstellen.
Altijd was er wel iets, een elleboog die zeer deed, een verrekt spiertje in de rug, een gebroken teen, pijnlijke vingers enz.Uiteindelijk besloot ik om me vooral toe te leggen op een bepaalde krijgskunst in plaats van elke week iets anders. Ik koos voor de krijgskunst die ik zeer moeilijk vond, maar wel mooi: Aikido.

Aikido is puur verdedigend en laat je gebruik maken van de kracht van de tegenstander.
Trappen worden niet snel in het Aikido gebruikt en ook het aantal blessures ligt een stuk lager dan bij de vechtsporten die ik tot dan doe had beoefend. Het is namelijk geen slagenuitwisseling op een training, maar je probeert samen met een trainingspartner een hoger niveau te bereiken. In het begin was het wel eventjes wennen en miste ik soms de actie een beetje, maar ik had wel het gevoel dat ik nu iets leerde.
Ik was gewend om altijd uit te gaan van mijn eigen kracht, zelf aan te vallen en mijn high- en lowkicks waren uitstekend. Dit waren allemaal elementen die ik nu weer volledig los moest laten en dus was het gevolg dat ik behoorlijk wat moeite met deze krijgskunst had. Het was me echter ook duidelijk dat dit puur lag aan mijn instelling en gewoontes en niet aan mijn fysieke kunnen.

Ik zocht een geschikte dojo en vond er op eentje op een half uurtje reizen afstand.
De sensei was een man van vierenveertig en pakte me harder aan dan de overige aikidoka’s, waarschijnlijk omdat hij zag dat ik er helemaal voor ging.
Na drie jaar vijfmaal per week getraind te hebben, kwam hij naar me toe en zei dat ik niet meer welkom was in zijn dojo.
Aanvankelijk begreep ik zijn opmerking niet, maar toen drukte hij me een papiertje in de hand met daarop een telefoonnummer. “Je nieuwe Sensei”, zei hij, en ik begreep dat hij vond dat ik bij deze leraar meer vooruitgang zou gaan boeken. Bovendien paste ik totaal niet meer in de groep die hij op dat moment had.
De helft bestond namelijk uit huisvrouwen die niet graag uke, degene die de techniek ondergaat, van me wilde zijn.
Ik hield me namelijk nooit in en had in de drie jaar dat ik in de dojo trainde, de sensei zeker twaalf leden gekost.
Toch had hij er nooit iets over gezegd, dus nam ik aan dat hij het niet erg vond.
Niets ergerde me meer dan een groep kwebbelende vrouwen, die totaal niet in de gaten had waar het eigenlijk om ging, maar het meer zagen als een leuk tijdverdrijf.
Ik bedankte hem voor zijn lessen en hij bedankte mij voor mijn vertrouwen.

Mijn nieuwe leraar was Japans; zijn naam was Masato.
Ik schatte hem in de vijftig, maar had eigenlijk geen flauw idee over zijn leeftijd.
Hij bewoog in ieder geval niet als iemand van in de vijftig.
Masato had slechts een paar leerlingen en ik begreep al snel dat je niet zomaar les van deze meester kreeg.
Dat hij een echte meester was werd me al snel duidelijk.
Tijdens mijn eerste les vroeg hij mij aan te vallen met slag naar zijn hoofd, de aanvalsvorm Shomen Uchi.
Ik had ondertussen beter moeten weten, maar ik was benieuwd hoe hij zou reageren op een iets andere aanval dan gevraagd, dus viel ik aan met Yokomen Uchi. Dit is een schuine slag naar iemands hoofd of hals.
Wat er precies gebeurde had ik niet in de gaten, maar ik eindigde met een verrekte arm op de tatami. Masato reactie was slechts de opmerking, “Ik zei Shomen!”.

Later hoorde ik van Henry, een medestudent, dat hij nog nooit iemand zo hard naar de grond had zien gaan via een Shiho-Nage, de werptechniek die Masato toepaste.
Vanaf dat moment was Masato mijn Sensei, iemand die hard en eerlijk was en dat ook verwachte van zijn studenten.
Hard was ik, maar ook eerlijk?
Ik was een huurmoordenaar in dienst van een criminele organisatie en dit strookte niet echt met het gedachtegoed dat de oorspronkelijke oprichter van Aikido, Morehei Ueshiba of Masato, voor ogen had.
Aikido is meer dan zomaar een vechtsport, het is een krijgskunst en voor de serieuze student een manier van leven.
Ueshiba wilde middels Aikido de harmonie in de wereld verhogen en streefde op die manier naar een geweldloze maatschappij. Ik vond dat allemaal prima en heel mooi bedacht, maar was eigenlijk alleen geïnteresseerd in de technieken, die ik in een echt gevecht kon gebruiken. Bovendien vermengde ik die ook nog eens met technieken uit andere vechtsporten.
Zou Masato weten dat ik mensen vermoordde voor geld, dan zou hij me meteen de toegang tot zijn dojo ontzeggen?
Anyway, die avond had ik weer een training en ik keek er naar uit.

“Tom……Tom…..TOM!!”, ik schrok wakker uit mijn gedachten, het was Mike Johnson.
Hij was klaar met zijn telefoongesprek en keek me, met gefronste wenkbrauwen aan.
“Sorry voor de onderbreking, waar waren we…?”
Ik vertelde hem wat ik in gedachten had voor de internetsite en welk prijskaartje daar aan zou hangen.
Aan zijn ogen kon je zien dat hij het zonde geld vond en totaal geen affiniteit had met computers, internet of ICT in het algemeen, wat op zich redelijk uniek was in deze tijd.
Het gesprek duurde nog een kwartiertje en eindigde ermee t ik voor een klein bedrag een pagina zou maken met daarop wat algemene gegevens en e-mail adressen. In een later stadium konden we dan nog een vervolgafspraak maken. Ik vond het best; een uurtje werk en ik kon weer een factuur maken. Waarschijnlijk wist hij niet eens dat, wat hij me vroeg te maken, door elk willekeurig kind van dertien, ook gemaakt kan worden.
Webdesigning was dan ook niet zozeer een vak waar je veel kennis voor nodig had, maar meer de benodigde software. Ik beschikte over een programma dat slechts een jaar op de markt was en een klein kapitaal kostte. Het programma stelde zelf vragen over het bedrijf waarvoor de internet site gemaakt moest worden.
Bijvoorbeeld :
- hoeveel werknemers heeft het bedrijf?
- welke kleur heeft het gebouw, de dienstwagens, het interieur enz. ?
- hoe oud zijn de gemiddelde klanten?
Echter ook vragen waarvan je dacht wat ze in hemelsnaam met een internetsite te maken hebben, zoals:
- wat is de seksuele voorkeur van de directeur?
Na het beantwoorden van al deze vragen, komt het programma met diverse voorstellen voor een bepaalde site en gek genoeg valt deze altijd in de smaak. Tenminste ik heb nog nooit meegemaakt, dat een voorstel niet goed bevonden werd.
We namen afscheid en ik beloofde hem dat de pagina overmorgen online zou zijn.

Eenmaal buiten stapte ik in mijn auto en schakelde CSC weer aan.
Ik had immers geen flauw idee hoe ik van dit bedrijventerrein af zou moeten komen en het leek me wel prettig om mijn ogen eventjes te kunnen sluiten, terwijl mijn auto zichzelf door het verkeer zou loodsen.
Een vriendelijke vrouwenstem vertelde me dat het smoggehalte in de huidige zone zo hoog was dat het me extra punten zou kosten om nu CSC te gebruiken.
Ik accepteerde en de auto startte.

HOOFDSTUK 2.
Eenmaal bij mijn flat aangekomen zag ik dat de ingang van de ondergrondse garage geblokkeerd was door een vrachtwagen van de RVD (Ratten Verwijderings Dienst).
De rattenplagen in de stad namen steeds ernstigere vormen aan en schijnbaar zaten er nu ook al ratten in de ondergrondse garage, die naar mijn mening toch altijd superschoon was.
Ik had geen zin om te wachten en dus parkeerde ik aan de andere kant van de straat.
Toen ik uitstapte werd ik aangesproken door een agent. “U staat fout geparkeerd. Heeft uw auto u geen melding gegeven?” Natuurlijk had hij dat wel, maar ik had me er niets van aangetrokken.
Toen ik in de ogen van de agent keek zag ik een onnatuurlijke blik, na nog wat beter gekeken te hebben zag ik dat ik inderdaad te maken had met een machine. Ik noem Cyborgs altijd machines, waarschijnlijk omdat ik een hekel aan ze heb.
Je ziet ze niet veel, zo gewoon op straat, ze kosten dan ook een vermogen, maar ik wist dat er bij de politie een paar werkzaam waren.
Tevens weet je dat discussiëren met zo’n machine wel amusant kan zijn, maar ook nutteloos. “Wanneer u besluit uw auto te laten staan gaat u dat zeer veel punten kosten”, kwam er ook nog eens uit.
Ik zei, “er stroomt veel water onder de brug door”, amuseerde me over zijn verwarde blik en stapte weer in mijn auto.
Wanneer een cyborg een antwoord krijgt waar hij absoluut niets mee kan, dan wordt extra geheugen aangesproken en dit duurt een seconde of twee. Tijdens deze tijd weet de machine ook niet hoe zijn gezichtsuitdrukking er uit zou moeten zien en dit kan dus leiden tot een gezicht dat er enorm lelijk of komisch uitziet. Dit euvel was verholpen bij de duurdere modellen.
Ik parkeerde een straat verderop.

In mijn flat aangekomen controleerde ik mijn berichten en zag dat er twee waren binnengekomen . Het eerste bericht was van mijn vriend, en trainingspartner, Henry.
Hij wilde graag vanavond na de training gaan stappen in het centrum. Ik dacht aan de laatste keer dat we waren gaan stappen. De dag erna had ik me de hele dag slecht gevoeld. Henry hield nogal van mixdrankjes en wilde altijd van alles uitproberen. Een mix, die door hem “tik tik” genoemd werd, vond ik erg lekker en was dus waarschijnlijk ook de veroorzaker van het miserabele gevoel dat ik de dag erna had.
Bericht nummer twee was van mijn vriendin Tess. Ze vroeg of ik vanavond na het trainen bij haar langskwam en het zag er dus naar uit dat ik een keuze moest maken.
Ik dacht aan Henry en daarna aan Tess, de keuze was snel gemaakt.
Henry zou zich na het trainen alleen moeten amuseren in het centrum en hem kennende zou dat geen enkel probleem zijn.
Ik belde Tess dat ik vanavond nog langs zou komen.

“Cappuccino” riep ik tegen de keuken en “Net 12” tegen mijn cinemaset.
Het nieuws was erop, altijd weer hetzelfde, maar toch keek ik elke dag weer.
Twee terroristische aanslagen, iemand was ter dood veroordeeld vanwege het klonen van zichzelf en de invoering van een nieuw soort cyborg, speciaal gemaakt voor het controleren op verboden wapenbezit.
Sinds vier maanden nu, was het dragen van een vuurwapen iets waar je vijf jaar ondergrondse gevangenis voor kreeg en er werd streng op gecontroleerd.
Ik vond het prima, als ik ergens een hekel aan heb dan zijn het vuurwapens, vooral in handen van idioten. De maatregel was ingevoerd om het hoge aantal moorden tegen te gaan en leek nu, na vier maanden al, resultaat op te leveren.
Dagelijks zag je dat mensen op straat werden aangehouden en gefouilleerd op een vuurwapen en op diverse plekken hingen scanners die vuurwapens goed konden detecteren.

Na de cappuccino ging ik eventjes languit op de bank liggen en voordat ik er erg in had sliep ik. Tegen vijf uur werd ik wakker met een hongerig gevoel.
Ik liet mijn computer een pizza bestellen en trok een trainingsbroek aan.
De pizza smaakte prima, het was dan ook de duurste die er was. Er zat zelfs echt lamsvlees op. Ik dronk een koud glas bier en merkte dat ik trek had in meer.
De laatste twee jaar was ik meer gaan drinken, ik had er geen last van en kon het goed betalen. Op alcohol zat al meer dan zeventig procent belasting en het zou me niet verwonderen als dit nog meer zou worden.
Ik besloot echter om het bij dit biertje te laten, omdat ik er anders vanavond op de tatami, de trainingsmatten in de dojo, wel eens last van zou kunnen gaan krijgen.
Om acht uur, een beetje later dan gepland, vertrok ik naar de dojo.
We waren vandaag met z’n zessen, een mooi even aantal.
Masato had goede zin en maakte zelfs een paar grapjes, iets wat hij normaal gesproken niet snel deed.
We begonnen de training met opwarming-up oefeningen, daarna was ik uke voor Masato.
Het is gebruikelijk dat de leraar de uit te voeren techniek voordoet op de meest gevorderde student en dat was ik.
De techniek van vanavond was Ikkyo.
Ikkyo is de eerste (controle)techniek in het aikido en kan als verdediging op diverse aanvalsvormen worden toegepast.
Na een jaartje of twee aikido denk je deze techniek volledig onder de knie te hebben, echter als je verder blijft gaan kom je erachter dat deze techniek oneindig is.
Waarschijnlijk is het de makkelijkste en moeilijkste techniek tegelijk.

De training verliep zonder bijzonderheden en na de les vroeg Masato of ik eventjes wilde blijven.
Ik was benieuwd wat hij te vertellen had. Hij verdween in zijn kantoortje en kwam terug met een bos sleutels die hij mij in de hand drukte.
Masato had me de sleutels van de dojo gegeven en dus indirect ook van zijn woning, want hij woonde boven de dojo..
Ik begreep dat er verder niet over gesproken diende te worden, het ontvangen van de sleutels was een grote eer. Iemand als Masato is nogal gesteld op zijn privacy en laat niet snel vreemden in zijn leven toe. Waarschijnlijk begon hij in mij een mogelijke opvolger te zien en ik voelde me zeer vereerd. Ik maakte een buiging, die door hem werd beantwoord.

Na de training stapte ik in de auto en reed naar Tess.
Tess woonde in een hypermodern flatgebouw. De kleur van de ramen paste zich automatisch aan bij weersveranderingen en wanneer je in de lift niet koos voor een bepaalde verdieping, dan ging hij automatisch naar de verdieping waar je de laatste keer heen was gegaan.
De voordeur van Tess accepteerde mijn vingerafdruk en ging automatisch open.
Alhoewel ik Tess volledig vertrouwde, zou het voor mij ondenkbaar zijn om iemand zomaar toegang tot mijn eigen woning te geven.
Ik zag haar niet, maar hoorde wel de douche lopen. Glimlachend ging ik de badkamer binnen en zag haar mooie vormen onder het stromende water van de douche.
Tess was net zo lang als ik en had een donkere huid, haar vader kwam ergens uit Azië en haar moeder was Europees. Ze was slank, had lang donker haar, mooie benen en kleine borsten.
Snel trok ik mijn kleren uit en stapte bij haar onder de douche. Persoonlijk vond ik het water nogal heet, maar ik wist dat ze daarvan hield.
We zoenden en eindigden na de douche in bed, waar we een uur lang van elkaar genoten.
Ze rook naar vanille en ik vroeg me af hoe die geur nog zo sterk kon zijn, we kwamen immers net onder de douche vandaan.
Na het vrijen rookte ze een sigaret, iets waarvoor ze ongetwijfeld ooit nog eens een flinke bekeuring zou krijgen, maar ze scheen niet van die dingen af te kunnen blijven.
Roken was sinds enkele jaren verboden en het in bezit hebben van sigaretten was strafbaar.
Toen ik nog een tiener was, waren de sigaretten zo duur dat de betere merken alleen nog maar gerookt werden door mensen met veel geld. Het begon als het ware een statussymbool te worden om een rood-wit sigarettenpakje in je borstzak te hebben en er ook nog eens eentje uit te delen.
Natuurlijk kwam er een zwarte handel op gang die niet aangepakt kon worden. Het resultaat was een totaal verbod op sigaretten, waardoor iedereen die betrapt werd op het roken van een sigaret een flinke bekeuring kreeg. Hoe overdreven deze maatregel ook mag zijn, het bleek uiteindelijk wel effect te hebben. Het aantal mensen dat nu nog regelmatig een sigaret op stak was te verwaarlozen. Tess was er echter één van.

Tess, haar achternaam was Lang, werkte op de boekhouding van een groot ICT-bedrijf en haar grote passie was het kijken naar oude films.
“Zin om een film te kijken?”, vroeg ze, ik zat er al op te wachten.
“Wat voor film?”, was mijn standaard reactie. Deze vraag werd dan uitgebreid door haar beantwoord. Het was een soort ritueel geworden en ik deed altijd net alsof ze met sterke argumenten moest komen omdat ik anders niet zou kijken. Natuurlijk was dit onzin, ik vond het nooit erg om een film te kijken. Toch liet ik het altijd overkomen alsof ik het puur voor haar deed.
We lagen samen op haar nieuwe “intelligente” bank. Het soort dat zelf bepaalt hoe jij het beste kunt liggen. In praktijk komt het voor mij er altijd op neer dat ik ongemakkelijk zit of lig.
Het einde van de film haalde ze niet want na een uur lag ze lichtjes te snurken.
Ik droeg haar van de bank naar haar bed en onderweg zag ik haar glimlachen.
“Volgende keer kijken we hem af”, zei ik en gaf haar een kus ter afscheid.
Ik trok de voordeur dicht en merkte op dat deze me een prettige avond wenste.
“Dankjewel”, zei ik en keek vervolgens om me heen of niemand had gezien dat ik in gesprek was met een voordeur.

HOOFDSTUK 3.
De volgende morgen werd ik gewekt door Johann Sebastian Bach.
Ik dronk een kop koffie en keek naar het nieuws.
Het grote nieuws was dat een Server van het “BCO” enkele weken geleden was gehackt.
Het “BCO” (Bureau voor Cyborg Ontwikkeling) is de organisatie die cyborgs maakte voor de Overheid en beschikt waarschijnlijk over het best beveiligde netwerk ter wereld.
Ik kon me herinneren dat ze de hackersgemeenschap zelf uitdaagden, om hun servers te hacken. Nu zag het er naar uit dat ze hier spijt van hadden.
Verder waren er nog de gebruikelijk terroristische aanslagen. Beelden van in stukken gereten lichamen werden de kijker voorgeschoteld. Ditmaal een autobom in een drukke winkelstraat en een handgranaat in een restaurant. Het deed me helemaal niets.
Ik vroeg me af of ik het erg zou vinden als er iets vreselijks gebeurde met iemand die ik kende.
Zou ik het erg vinden als mijn oom Ray een van de slachtoffers was? Ik weet het niet.
Naast een aantal mensen die ik graag mocht, zoals bijvoorbeeld Henry, waren er slechts twee mensen echt belangrijk voor mij, en dat waren Tess en Masato en zelfs deze wisten niet de waarheid over mij.

Mijn plan was om eventjes te gaan joggen en vervolgens de pagina voor Mike Johnson te laten maken.
Buiten joggen was volgens de experts al jaren niet meer gezond in verband met de luchtkwaliteit, maar ik zag het echt niet zitten om op zo’n loopband te gaan rennen, tussen de huisvrouwen en bodybuilders, in het plaatselijke fitnesscentrum.
Ik trok mijn trainingsbroek aan en stelde mijn gymschoenen in op joggen.
De eerste vijf minuten zijn altijd afzien voor mij, omdat ik hardlopen eigenlijk gewoon niet leuk vindt, daarna kom ik in een ritme en maakt het me niets meer uit.
Masato stond er echter op dat al zijn leerlingen een sterke conditie hadden en laste regelmatig een intesieve training in. Wanneer je tijdens deze training dan een vermoeide indruk maakte, werd je nog eens extra hard aangepakt. Het was dus zaak er voor te zorgen dat je een intensieve training zonder problemen kon doorstaan en daarvoor was regelmatig een stukje rennen dus noodzakelijk.
Steeds het looptempo veranderend, liep ik door de straten en zag dat de RVD zijn handen weer vol had met het ruimen van ratten.
Ik had gisteren een item in het nieuws gezien dat ging over “superratten”, tenminste zo werden ze genoemd door de nieuwslezer. Een nieuw soort rat dat de laatste tijd steeds vaker werd gesignaleerd. Deze superratten waren groter en beter bestand tegen het gif, dat door de RVD in grote hoeveelheden door de stad verspreid werd.. Deze ratten zagen er niet bepaald aangenaam uit, ze hadden bijna geen vacht. Het grootste gedeelte van hun huid was kaal. Bovendien hadden ze rode oogjes, net zoals je bij albino’s ziet.
Verder bleek dat een of ander laboratorium had onderzocht, dat het gif dat door de RVD werd gebruikt, huidkanker kon veroorzaken. Kanker was natuurlijk allang niet meer zo ernstig als vroeger. Een maand lang elke dag drie injecties kon bijna elke vorm van kanker genezen, maar huidkanker was nog steeds een probleem. Tien procent van de volwassen bevolking na hun zestigste kreeg er mee te maken en er werd door de overheid geadviseerd niet langer dan acht uur per dag buiten de deur door te brengen.

Thuisgekomen nam ik een koude douche en wilde juist achter mijn computer gaat zitten, toen ik een inkomend gesprek kreeg. Het was Black, “Hallo Kobun”.
Kobun was mijn codenaam voor de organisatie.
Kobun is een Japanse term die in het verleden gebruikt werd door de Yakuza.
De Yakuza was vroeger de aanduiding die werd gebruikt voor de Japanse maffia.
Het woord Yakuza komt voor uit een oud Japans kaartspel, genaamd Hanafuda.
De combinatie ya (8), ku (9), za (3) was een verliezende combinatie in dit spel. Een andere term voor de Yakuza was “hachi-kyu-san” (“893”).
Kobun betekent zoveel als kind binnen deze organisatie. Kind in verhouding tot vader, genaamd de Oyabun. Een Kobun was dus eigenlijk een soldaat voor de Yakuza.
De organisatie gebruikte graag Japanse woorden, wellicht omdat in Japan ook haar wortels lagen. Black had me ooit verteld dat de echte leiders zaten in Osaka en Edo, het vroegere Tokio. Sinds de machtsovername van extreem rechts in Japan, had de stad weer haar oorspronkelijke naam aangenomen.
De meeste operaties werden echter uitgevoerd door de Europese tak.
Eén van de belangrijkste redenen van het succes van de organisatie was de Oyabun – Kobun verhouding. Een verhouding die moeilijk te beschrijven valt voor westerlingen. De meeste criminelen, waren crimineel om hier zelf beter van te worden. Er was niet veel voor nodig om iemand te laten overstappen naar een andere bende. In de organisatie lag dit anders, veel leden hadden niet als eerste doel het verbeteren van hun persoonlijke situatie, maar het zo goed mogelijk dienen van hun Oyabun. Er wordt een erecode gehanteerd, die overeenkomsten heeft met de verhouding tussen middeleeuwse Japanse samoerai en zijn shogun.
Leden van de organisatie die minder loyaal waren, lieten het wel uit hun hoofd om de organisatie te verlaten, laat staan over te stappen naar een andere organisatie.
Ik voelde dat het horen van Black’s stem adrealine los maakte in mijn lichaam.
Wanneer Black uit zichzelf belt, dan betekent dat een afspraak en een afspraak betekent een opdracht.
“Hallo”, zei ik.
“Ontmoeting in zone drie, je weet wel waar, rond acht uur”, zei Black
“Okay”, antwoordde ik.
Hij hing op.
Mike Johnson moest maar eventjes wachten op zijn pagina, ik was door Black’s telefoontje te gespannen om achter een computer te gaan zitten.
Het was nog behoorlijk lang tot vanavond acht uur.
Ik kleedde me om en maakte me op voor een wandeling door de stad.
Tijdens het wandelen passeerde ik een restaurant waar ik ooit met Black en iemand anders van de organisatie, wiens rol me tot op heden totaal onduidelijk is, een maaltijd genuttigd had.
Zijn naam voor die avond was Tim.
Het restaurant was nu gesloten, maar werd destijds druk bezocht door voornamelijk mensen met geld. Ik vermoedde dat het restaurant in handen was van de organisatie, maar echt zeker weten deed ik het niet. De leiding van het restaurant was in handen van een oude Japanner. Op het menu stonden alleen maar specialiteiten. Black wilde heel graag een keer “fugu” eten.
Fugu is een Japans woord voor kogelvis. Deze vis is extreem giftig en komt voor in de zeeën van onder andere Japan en China.
Het gif, tetrodotoxine genaamd, zit voornamelijk in de lever van de vis, maar ook in het vel en de spieren. Het eten an de vis is dus ook een risico en jaarlijks sterven er enkele tientallen mensen na het eten van deze vis.
Al deze informatie kreeg ik, tijdens het wachten op het gerecht, te horen van Black.
“Het gif schijnt duizendmaal sterker te zijn dan cyanide en je loopt niet alleen gevaar bij het consumeren, maar zelfs contact met de vis alleen zou al voor voldoende zijn om het loodje te leggen”, Black lachtte hardop en Tim lachte met hem mee. Ik wist wel dat hij probeerde me angst aan je jagen, maar vond deze poging nogal onnozel. “Het zal wel meevallen”, antwoordde ik en bekeek het potje met diverse sauzen dat voor me op tafel stond.
“Weet je dat de kok over een speciaal diploma moet beschikken? Tevens moet hij om de drie jaar opnieuw op examen om te laten zien dat hij nog steeds veilig deze vis kan klaarmaken”.
Ik keek Black aan en haalde mijn schouders op, “lijkt me een goede zaak”.
“Is het ook lekker?”, vroeg Tim, terwijl hij naar de billen keek van een serveerster.
“Ze zeggen van wel”, antwoordde Black, “maar het zal waarschijnlijk wel meevallen.
Het culinaire succes van de vis zal waarschijnlijk meer te danken zijn aan het gevaar. Het geeft mensen een kick om iets uit te proberen dat fataal zou kunnen aflopen”.
“Net zoals parachute springen”, zei ik. “Net als parachute springen”, herhaalde Black.

Het duurde nog een hele tijd voordat het gerecht eindelijk geserveerd werd en we doodden de tijd met het kijken naar het vrouwelijke personeel en flauwe grapjes.
Toen de vis eindelijk voor me op tafel stond zag ik Black stiekem mijn kant op kijken. Hij verwachtte waarschijnlijk dat ik niet als eerste een hap zou durven nemen. Ik liet me niet kennen en stopte mijn mond vol. Ik vond het niet lekker, maar ook niet vies en wilde net een opmerking over de smaak gaan maken toen ik plotseling een raar geluid van de overkant van de tafel hoorde. Het was Tim hij keek me met grote ogen aan en viel plotseling als een pudding van zijn stoel af.
Black spuugde de hap die hij op dat moment net in zijn mond had gestoken terug op zijn bord.
Een serveerster rende snel naar Tim toe en begon met het toepassen van de EHBO-lessen die ze blijkbaar gevolgd had. Ik bleef in mijn stoel zitten en wachtte of ik ergens last van zou krijgen, maar er gebeurde niets. Black liep nerveus om de serveerster heen die bezig was met mond op mond beademing. “Groot probleem, Groot probleem”, hoorde ik hem zeggen. Hij keek me aan en zei, “hier krijg ik ellende mee, waarom moet mij dat nu weer overkomen”.
Ondanks de dappere pogingen van de serveerster was er niets te doen voor Tim. Het gif was inderdaad zo giftig als Black eerder die avond enthousiast had liggen vertellen en zijn hele lichaam was er nu door verlamd. Hij stierf omdat hij ging lucht meer kreeg.

Er ontstond een lichte vorm van paniek in het restaurant, toen één of ander mager fotomodel begon te roepen dat het eten vergiftigd was.
Ik keek Black aan en stond rustig op. “Hoef hier verder niet bij te zijn, toch?”.
Hij knikte en wees naar de deur, “ik ook niet” en samen liepen we naar de uitgang.
Een serveerster begon iets te roepen en kwam ons achterna. “Waar gaan jullie heen?, je kunt nu toch niet zomaar weglopen?”.
Black draaide zich naar haar om en zei, “Ga Weg!”. Ze luisterde niet en greep hem bij de arm.
Een harde stoot in haar maag was het gevolg, Black was duidelijk over zijn toeren. Ze klapte naar voeren en zat met handen en voeten op de grond te happen naar lucht.
Snel verlieten we het restaurant. “Ik moet een paar zaken gaan regelen, dit is een probleem”, zei Black, “we spreken elkaar nog”.

Het restaurant bleef gewoon open en ik heb er ook nooit iets over gelezen of gehoord in het plaatselijke nieuws. Dit bevestigde alleen maar mijn vermoeden dat het restaurant waarschijnlijk in handen was van de organisatie. De organisatie was goed in het stilhouden van ongewenst nieuws.

Om vier uur kwam ik weer thuis van de wandeling en maakte een maaltijd klaar, bestaande uit rijst, kip en zoete groenten. Vervolgens mediteerde ik een uurtje.
Meditatie houdt me rustig, het is erg moeilijk om jezelf aan te leren, maar als je het eenmaal kunt, dan heb je er echt profijt van.
Het probleem bij meditatie is leren niet te denken en dat is moeilijker dan je denkt.
Ik maakte 50 push-ups en deed wat buikspier oefeningen. Vervolgens kleedde ik me nogmaals om.

Het café, in zone 3, waar ik met Black had afgesproken heette “Mitchells”.
Er zaten drie mannen treurig naar hun whisky te staren en achter de bar stond een aantrekkelijke blondine.
Ik was er vroeg en nam plaats aan het raam, zodat ik iedereen die binnenkwam goed kon zien aankomen.
Ik bestelde een cappuccino en keek ondertussen of er ergens camera’s geplaatst waren.
Black was stipt op tijd, hij was gekleed in een traditioneel pak en had een klein koffertje bij zich. Hij schoof aan, “Long time ago, alles goed?”, vroeg hij.
“Ja hoor, met jou ook?”, antwoordde ik.
Hij zag er relaxed uit en ik merkte op dat hij zich gesneden had met scheren. Er waren niet veel mannen die zich scheerden met een mesje, maar ik wist dat hij, net zoals ik, het type man was dat zich altijd met een mes zou blijven scheren.
Na wat beleefheden uitgewisseld te hebben, wilde ik terzake komen.
“Moeilijke klus ?”, vroeg ik.
“Ja, je moeilijkste tot nu toe. Ben blij dat ik niet in je schoenen sta”, hij kon een lichte glimlach niet onderdrukken.
De barmeid bracht mijn cappuccino en ik bestelde er een tweede bij voor Black, zonder te vragen of hij er wel zin in had.

Black bukte zich en plaatste het koffertje op tafel. Ik zag dat hij het koffertje opende door zijn vinger op een grijs plaatje te houden.
Dit soort koffertjes had ik wel eens eerder gezien, wanneer iemand ze met geweld probeert te openen, wordt de inhoud op een of andere manier vernietigd.
Uit de koffer pakte hij een enveloppe die hij aan mij overhandigde. Ik nam hem aan en stak hem snel in een binnenzak van mijn jas.
Terwijl ik me ergerde aan zijn nonchalante gedrag, voor een geïnteresseerde toeschouwer was het niet moeilijk om te raden dat we hier niet zomaar wat zaten te drinken, sloot Black zijn koffertje weer.
“Hoe gaat het met je vriendin, nog steeds die donkere ?”, vroeg hij.
Ik wilde antwoorden, maar mijn aandacht werd getrokken door twee mannen die de straat overstaken en op het café afliepen.
Ze keken door het raam, zagen ons zitten en kwamen naar binnen.
Na het openden van de deur, bleven ze een aantal seconden staan om rond te kijken en daarna splitsten ze zich op.
De kleinste van de twee liep naar de bar en sprak de barmeid aan. De andere kwam onze kant op. “Antiterreurpolitie!, graag uw afdruk” zei hij.

Sinds “black Monday”, de dag dat er vier scholen voor basisonderwijs tegelijkertijd de lucht in vlogen, had de antiterreur politie vrije hand. Er waren die dag meer dan duizend slachtoffers gevallen en er was niemand die het nog in zijn hoofd haalde om over privacy te beginnen als het terrorismebestrijding betrof.
Ik stak mijn rechterwijsvinger uit en hij hield een “oog”, zoals ze in de volksmond genoemd worden, onder mijn vinger. Het verbaasde me eigenlijk dat ze nog steeds gebruik maakten van deze techniek, maar dat kwam natuurlijk omdat ze van veel verdachten wel vingerafdrukken hadden, maar bijvoorbeeld geen irisafdruk.
Vervolgens zwaaide hij met een detectiestaaf langs mijn jas. Het rode lampje bleef uit, maar ik zag al in de ogen van Black dat dit bij hem niet het geval zou zijn.
Hij liep naar Black, “uw afdruk”, zei hij.
Black stak zijn vinger uit, geen probleem.
Toen de detectiestaaf te voorschijn kwam, ging het echter helemaal mis. Black wachtte niet eens tot het lampje zou graag branden. Hij sprong achteruit, zijn stoel viel tegen het raam. Een snelle beweging van Black naar zijn achterzak bezorgde hem een mes.
Ik herkende het type, een Kershaw Splinter. Dit ging helemaal fout, ik moest handelen.
Black zwaaide met het mes richting de antiterreur agent. Deze deinsde achteruit, maar net niet ver genoeg. Het gevolg van zijn te late reactie was een diepe snee in zijn wang en het bloed stroomde uit de diepe snee.
Hij raakte echter niet in paniek en reageerde snel, hij greep met zijn rechterhand, naar de binnenkant van zijn jas en haalde een vuurwapen tevoorschijn.
Hij richtte het wapen op Black en haalde de trekker over. Het was niet mogelijk voor mij om op tijd te zijn, daarvoor was de afstand te groot.
Een harde knal was het gevolg, Black zakte in elkaar. Daarna zwaaide hij het vuurwapen in mijn richting, maar ik was op tijd.
Met mijn linkerhand greep ik zijn pols en met de rechter draaide ik zijn hand naar binnen.
Deze polsverdraaiing wordt in het Aikido een kote- gaeshi genoemd en is uitermate effectief.
Door de druk van de klem ging hij door de knieën en liet het vuurwapen op de grond vallen.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik zijn partner aanstormen, blijkbaar had hij geen vuurwapen of dacht het wel zonder af te kunnen.
Met mijn voet trapte ik snel het vuurwapen weg en liet de agent los.
Hij keek verbaasd omhoog en het laatste wat hij zag was mijn vuist die op zijn keel afkwam.
Door de impact van mijn slag, belandde zijn adamsappel achter in zijn strot en hij viel achterover op de grond.
Ik stapte snel en op het juiste moment uit de aanvalslijn van de aanstormende agent en stuurde zijn aanval door.
Een mooie Kokyu-Nage (ademhalingsworp), dacht ik bij mezelf, Masato zou trots op me zijn.
De agent knalde door zijn eigen snelheid tegen de deurpost en kon met moeite de klap opvangen..
Ik benutte de seconden die ik gewonnen had om het vuurwapen te zoeken, dat ik zojuist had weggeschopt, maar ik kon het niet vinden.
De agent stond weer op en kwam weer op me toe. Ik bewonderde zijn moed, het moest hem nu toch wel duidelijk zijn, dat hij geen partij voor me was. Hij had dus blijkbaar echt geen vuurwapen, anders zou dit het moment zijn om ervoor te gaan.
Ditmaal benaderde hij me voorzichtig en nam een bokshouding aan.
Ik glimlachte naar hem, hij stond te ver met zijn linkerbeen naar voren, waardoor een low-kick op zijn knieschijf voor de hand lag.
Hij zakte door zijn linkerbeen en viel voorover. Ik spande mijn wijs- en middelvinger aan en ging voor zijn linkeroog.
Ik voelde hoe zijn oogbal door mijn vingers naar binnen werd gedrukt en hij schreeuwde het uit, waarschijnlijk meer van schrik dan van pijn.
Ik stapte achteruit, hij greep naar zijn oogkas en was volledig weerloos en totaal gedesoriënteerd. Helaas moest ik hem koud maken, omdat mijn signalement anders binnen de kortste tijd naar elke politiecomputer zou worden verstuurd.
Ik nam hem van achteren in een wurggreep en een flinke ruk zorgde ervoor dat zijn nek brak. Zijn lichaam zakte levenloos in elkaar en belandde vlak naast dat van zijn partner.

Ik keek richting Black, hij was geraakt in zijn borst en ik zag aan de hoeveelheid bloed en zijn gelaatsuitdrukking dat hij het niet ging halen.
De gasten van de bar waren allemaal via een zijuitgang vertrokken.
Ik maakte me over hen niet echt zorgen omdat niemand zin zou hebben in een gesprek met de antiterreurpolitie. Alleen de barvrouw zou een probleem worden, haar zouden ze traceren en ondervragen en zij zou ongetwijfeld een redelijk gedetailleerde omschrijving van mij kunnen produceren.

“Laat me hier niet liggen voor die klootzakken van de antiterreur”, zei Black.
Hij was realist genoeg om de situatie onder ogen te zien, sinds “Black Monday” was het wettelijk toegestaan om mensen die verdacht werden van terrorisme te martelen om zodoende informatie los te krijgen, die levens kon redden.
Het doden van antiterreuragenten, zou reden genoeg zijn voor een uitgebreide marteling, terrorist of niet.

Ik knikte en wist dat ik snel moest handelen, het zou niet lang duren voor het hier krioelde van de agenten.
Op mijn knieën zocht ik naar het vuurwapen en de scan ogen van de agenten.
Ik keek nog eens goed rond of er camera’s hingen en mijn eerdere conclusie werd bevestigd, de bar was cameravrij.

Toen richtte ik het vuurwapen op Black, hij gaf een lichte knik met zijn hoofd om aan te geven dat ik me niet schuldig hoefde te voelen achteraf.
Ik haalde de trekker over en schoot hem door zijn hoofd.
Waarom had hij zich niet ingehouden, of gewacht tot ik iets deed, misschien was hij dan nu nog in leven geweest.
Hierna zorgde ik ervoor dat de resterende inhoud van zijn koffertje, die niet voor mijn ogen was bestemd, werd vernietigd.
Het enige dat ik hoefde te doen was hard op het slot slaan, ik hoorde een sissend geluid en wist dat wat er ook verder in de koffer zat, nu vernietigd was.
Ik wilde me omdraaien om het café uit te lopen, toen ik plotseling licht gesnik hoorde van achter de bar.
De barmeid, ze was niet weggehold, maar had zich verstopt onder de bar.
Mazzel voor mij, pech voor haar.
Snel liep ik achter de bar en zag haar op de grond liggen. Ze keek omhoog met bange, betraande ogen.
“Sorry”, zei ik en haalde de trekker tweemaal over.
Ik wist dat haar blik me nog wel een tijdje bij zou blijven, maar ik had geen alternatief.
Haar niet doden, zou iets zijn voor een amateur, die zijn acties liet bepalen door emoties.

Snel rende ik het café uit en dumpte het vuurwapen nog voordat ik twee blokken verder was in een rioolput. Waarschijnlijk zou de RVD hem over een paar weken wel vinden.

HOOFDSTUK 4.
Thuisgekomen gooide ik de enveloppe en scan ogen op tafel en plofte neer op bed.
“Shit”, riep ik hardop en overdacht de hele gebeurtenis nog een keer.
Ik dronk een tequila en ging op zoek naar het telefoonnummer dat ik jaren geleden een keer gekregen had, voor het geval mijn contactpersoon met de organisatie niet langer bereikbaar zou zijn.
Dat hij niet meer bereikbaar was, daar was ik zeker van, zijn hersens zaten immers tegen een muur van café Mitchells.
Het duurde eventjes voordat ik het gevonden had, maar dit soort informatie zou ik niet snel in een computer stoppen.
Ik nam nog een tweede tequila en draaide het nummer.
De telefoon ging vijfmaal over, toen werd er opgenomen.
“Ja?”, zei de andere kant van de lijn. Ik had de beeldoptie uitgelaten en zag dat de tegenpartij dit ook had gedaan.
“Met Kobun, Black is dood”, zei ik.
Eventjes hoorde ik niets, daarna “vertel”.
Ik vertelde het verhaal dat zich zojuist in café Mitchells had voltrokken en de andere kant luisterde zonder iets te vragen, totdat ik mijn hele verhaal had verteld.
“Heeft u de enveloppe die voor u bestemd was?”, vroeg de stem.
“Ja die heb ik hier liggen, ongeopend”
“Okay, open de enveloppe en voer de opdracht uit, alle informatie die u nodig heeft zit in de enveloppe. Wanneer u de opdracht voltooid heeft, belt u dit nummer weer”, zei de stem.
Ik gaf aan dat ik het begreep en de verbinding werd verbroken.

Ik ging aan tafel zitten en opende de enveloppe.
Het eerste wat ik zag was een grote foto, waarschijnlijk mijn doelwit.
Verder zat er een vliegticket en een bladzijde of tien aan relevante data in de envelop.
De man die ik moest doden heette Steve Brenner, lid van een machtige criminele organisatie.
De naam kwam me bekend voor.
Normaal gesproken werd nooit de reden van een liquidatie opgegeven, maar het was niet moeilijk om uit de overige informatie te herleiden waarom deze Steve Brenner geruimd moest worden.
Brenner was namelijk een wetenschapper op het gebied van kunstmatige intelligentie en robotdesign.
Hij was er blijkbaar in geslaagd om een “verloren“ geraakte cyborg intact te houden.
Ik ben geen expert op het gebied van cyborgs, maar weet dat de Europese Overheid ervoor gezorgd heeft, dat het onmogelijk zou moeten zijn, om in het brein van zo’n machine te kijken.
Zou je dit proberen, dan zorgt een kleine explosie in het brein van de cyborg ervoor dat niets bruikbaars meer gevonden kan worden.
Schijnbaar was deze Brenner er dus wel in geslaagd en bezat nu dus belangrijke kennis over het functioneren van cyborgs.
Sterker nog, hij was er blijkbaar in geslaagd om al modificaties aan te brengen en zodoende Cyborgs te kunnen inzetten voor eigen doeleinden.
Het spreekt voor zich, dat wanneer je over enkele van deze machines de beschikking hebt, je tevens een onverslaanbaar leger hebt. Het eerste wat een grote organisatie hiermee zou doen ligt voor de hand, namelijk het uitschakelen of op z´n minst sterk verzwakken van de concurrenten.
Het was hoogstwaarschijnlijk dat hij inmiddels één of misschien meerdere cyborgs had gemaakt of aangepast om te kunnen functioneren als bodyguard.
Het was van groot belang dat deze Brenner uitgeschakeld werd.
Ontwerpen of aanpassen van een cyborgbrein is zo complex, dat zelfs met alle relevante data er een genie voor nodig is om een en ander tot een sluitend verhaal te kunnen samenvoegen.
Het vliegticket had de datum van morgen en bood de mogelijkheid om te kiezen tussen een ruimtevlucht of een normale vlucht.
Bestemming was de Oostelijke Unie, Moskou..
Okay, dit zou niet makkelijk worden en dat was waarschijnlijk het understatement van het jaar. Ik moest zaken gaan regelen.
Gelukkig had ik nog tijd, de vlucht stond gepland voor morgenavond half twaalf.
Het was nu tien uur en ik besloot Tess te bellen. Ik moest een smoes verzinnen om een paar dagen afwezigheid te verklaren en ik wilde haar sowieso nog zien voor ik vertrok.
Ik vroeg de telefoon om Tess te bellen en enkele seconden later zag ik haar op het beeldscherm. “Hoi, alles goed?“, vroeg ze.
“Prima, zal ik langskomen?, zit me te vervelen en heb wat te vertellen”, antwoordde ik.
“Iets spannends?”.“Nee hoor niets spannends, maar dan ben ik zo bij je”, ik verbrak de verbinding. Tess was eigenlijk een ideale vriendin, ze stelde niet teveel vragen en had geen al te hoge verwachtingen van mij.
Dit zou natuurlijk wel eens kunnen gaan veranderen in de toekomst.
Ik wist dat ze dol was op kinderen en ze werd er niet jonger op, maar er was nog genoeg tijd.
Onderweg naar Tess moest ik denken aan Black.
Ik wist niet of Black een vriendin had, of misschien was hij zelfs getrouwd en had kinderen.
Wat ik wel wist dat als er een vriendin of vrouw was, deze een klotetijd tegemoet zou gaan.
Niet alleen was haar vriend/man dood, ze zou bovendien de antiterreur politie over de vloer krijgen en die zouden niet overlopen van medelijden.
Ik was er vrij zeker van dat Black geen informatie over mij zou bewaren, die voor anderen bruikbaar zou zijn, dus ik besloot me er verder geen zorgen over te maken.
Bovendien zou de organisatie de zaak ook goed in de gaten houden.
Eenmaal bij Tess aangekomen begroette de voordeur mij, met de woorden “Hey lekker ding”.
Een grapje van Tess, maar ik moest er niet aan denken dat een toevallige passant op de galerij dit ook zou horen. Tess was bezig met het herprogrammeren van haar koelkast en aan haar ogen kon ik zien dat het niet echt wou lukken.
“Stom ding, heeft zojuist vijftig liter melk besteld en nu lukt het me niet om die bestelling te annuleren”, zei ze. Ik moest lachen en zei “RTFM” (Read The Fucking Manual).
We dronken een glaasje nepwijn, die mijn voorkeur heeft als ik hem vergelijk met de echte, en Tess stak weer eens een sigaret op.
Ik had me ondertussen afgeleerd er iets over te zeggen.
“Ik heb een opdracht in het buitenland en moet een paar dagen weg”.
Eigenlijk klopte dit als een bus, alleen ging Tess natuurlijk van een ander soort opdracht uit. “Jij maakt toch niet van die ingewikkelde sites, waarom laten ze dan speciaal iemand uit het buitenland komen ?”, vroeg ze.
“Euhmm…..het is een bedrijf dat vechtsportartikelen verkoopt en dus willen ze iemand die iets van het onderwerp afweet. Zo’n vlucht kost trouwens ook niets, op internet is het mogelijk de heen en terugvlucht te boeken tegen webfare tarief.”, loog ik.
“Aha”, zei ze. “Je hebt toch geen ander en gaat er een paar dagen met haar tussenuit, of wel soms?”. Gelukkig zag ik aan haar ogen dat ze het als grap bedoelde en ik speelde er handig op in door te zeggen “je hebt me door”.
We moesten beiden lachen en hadden verder een prettige avond samen.
Om twee uur in de morgen ging ik naar huis.
“Tot de volgende keer Tom”, zei de voordeur.

HHOFDSTUK 5.
Ik stond op en na een cappuccino extra strong, ging ik mijn koffer pakken.
Die avond zou ik vertrekken naar de Oostelijke Unie.
Ik las alle relevante data uit de enveloppe nog éénmaal door en gooide de bladzijdes en foto vervolgens in de cleaner en drukte op de rode knop die er voor zorgde dat alles werd vernietigd.
Alles zat nu in mijn hoofd en ik zou niets vergeten. Ik trainde mijn geheugen regelmatig met speciaal hiervoor ontworpen spelletjes en was er verder heilig van overtuigd dat de tijd die ik mediteerde ook een gunstige invloed had op mijn geheugencapaciteit.
De laatste tijd waren er berichten omtrent een pil die ervoor zorgde dat je geheugencapaciteit vergroot werd, maar daar geloofde ik eigenlijk niet veel van.
Waarschijnlijk was het zo’n tijdelijke rage, die de fabrikant van die pillen veel geld opleverde totdat geconcludeerd moest worden dat het eigenlijk toch niet hielp.

Ik wilde die middag gaan trainen en belde Henry of hij mijn partner wilde zijn.
Henry was een geschikte vent, met dezelfde interesses als ik.
“Hey Tom, da’s vroeg”
“Hey, moet je werken vanmiddag ?”, vroeg ik.
“Nee, hoezo?”
“Dan verwacht ik je om twee uur bij de dojo”, zei ik en hing op.
Ik gaf hem niet eens de kans om te antwoorden, maar wist dat hij akkoord zou gaan.
Zou dit niet het geval zijn, dan belde hij wel terug.

Ik besloot in de tussentijd via het internet nog wat informatie over Moskou op te vragen, waar ik vanavond heen zou vliegen.
Na een uurtje internetten wist ik voldoende en ging op de grond zitten in de lotushouding.
Het duurde langer dan normaal voordat ik alle gedachten uit mijn hoofd verbannen had en ik aan niets dacht.

Toen ik om twee uur parkeerde voor de dojo, zag ik dat Henry reeds buiten op me stond te wachten.
Ik wilde de deur van de dojo openen met de sleutels die ik van Masato had gekregen, maar nog voordat ik de sleutel kon omdraaien ging de deur open.
Masato stond in de deur.
“Ha, een extra training voor de heren. Goed zo, kom binnen”
Ik had eigenlijk gehoopt alleen met Henry te kunnen trainen, want dan kon ik tenminste bepalen wat we gingen doen en vooral met welke intentie, maar nu zag het er naar uit dat Masato al een leuk programma in gedachten had.

We kleedden ons om en liepen de tatami (oefenvloer) op.
Masato zat in seiza, de voor vechtsporten zo karakteristieke zithouding, op ons te wachten.
Seiza is zittend op de knieën de onderbenen onder je lichaam. Een houding die snel vervelend wordt wanneer je er niet op getraind bent.
We namen voor hem plaats in seiza.
Masato draaide zich om en boog voor het portret van Morehei Ueshiba (stichter van het Aikido), wij volgden zijn voorbeeld.
Vervolgens draaide hij weer naar Henry en mij toe. We maakten opnieuw een buiging en spraken de woorden “one gai shi masu”, wat betekend “wij groeten u beleefd”.
Deze etiquette was kenmerkend voor Japanse krijgskunsten en zo werd het al honderden jaren gedaan.
Tevens boog je ook altijd naar je trainingspartner voordat je overging tot het oefenen van een techniek.
Masato stond op, keek ons aan en zei, neem een bokken.
Aan de rechterwand van de dojo was een rek met daarin diverse wapens, al gebruikten we tijdens de lessen van Masato zelden andere wapens dan de bokken, tanto of jo.
Een bokken is een houten oefenzwaard, dat qua gewicht en lengte overeenkomt met een Japanse katana. Andere veel gebruikte wapens in het aikido zijn de tanto en de jo
Een tanto is een Japanse dolk en de Jo is een houten staaf.
De bokken was mijn lievelingswapen.
Ik was gefascineerd door de Japanse zwaardkunst en de samurai en had zo’n beetje alles gelezen wat er ook maar enigszins verband mee hield.
Via de Japanse zwaardkunst was ik in contact gekomen met Zen, een onderdeel van het boeddhisme.
Ik was zeker geen boeddhist, maar in Zen zaten bepaalde elementen die goed aansloten met mijn opvattingen over de houding die je moest nastreven tijdens een conflictsituatie.
Ik was zeker niet origineel of vernieuwend in dit opzicht, want de Japanse Samurai ging precies van hetzelfde principe uit.
De weg van het zwaard was de geestelijke leer van de samurai.
Zen is niet ingewikkeld en richt zicht rechtstreeks op de ware aard der dingen.
“Ai Uchi”, betekent het aanvallen van een tegenstander op dezelfde manier zoals hij jouw aanvalt.
Dit vereist het kennen van het juiste moment en het ontbreken van kwaadheid.
Je ziet je tegenstander niet als tegenstander, maar als een geëerde gast. Je zet je angsten overboord en doet als het ware al afstand van je leven.
Alleen op deze manier kun je totaal vrij een gevecht ingaan en er dan ook als winnaar uitkomen.
Een boek uit de oudheid, genaamd de Hagakure, kent een mooie passage die ik zo vaak heb gelezen dat ik hem uit mijn hoofd ken.
De kern komt neer op het volgende :

De Weg van de Samurai wordt gevonden in de dood. Wanneer men voor het dilemma staat, te leven of te sterven, is er slechts de snelle keus voor de dood. Het is niet bijzonder moeilijk. Wees vastberaden en ga door.
Als men in staat is te leven alsof zijn lichaam reeds gestorven is, door zich iedere ochtend en avond in een goede geestesgesteldheid te brengen, zal men in de Weg vrijheid vinden.

“Doorgaan Henry! “, riep Masato.
We waren nu al een uurlang bokkenslagen aan het maken in een hoog tempo. Ik zag dat Henry er helemaal doorheen zat.
Masato deed ook mee en had nergens last van en keek rond met een blik alsof ie nog dagen door kon gaan.
Het probleem met Henry was dat hij teveel kracht gebruikte in zijn slagen en wanneer je kracht gebruikt wordt je moe.
We gingen nog vijf minuten door en toen vond Masato had wel genoeg.
“Okay, genoeg. Henry minder kracht gebruiken, dat heb ik je al vaker gezegd.
Tom, geconcentreerd blijven”.

We oefenden nog diverse technieken en beëindigden de training met ademhalingsoefeningen.
Na het afgroeten, vertelde ik Masato dat ik enkele dagen niet zou komen trainen, omdat ik een klus in het buitenland had.
Hij knikte en vroeg er verder niet naar.

Henry vroeg of ik nog eventjes met hem meeging voor een borrel.
Ik keek op mijn horloge en zag dat ik nog voldoende tijd had.
“Je hebt Nancy en de kinderen ook al een eeuwigheid niet gezien”, zei hij.
Dat klopte. Nancy was een aardige meid en stopte me altijd vol met eten als ik op bezoek kwam. Over Henry’s kinderen was ik iets minder te spreken, te druk vond ik.
Eenmaal bij Henry’s huis aangekomen kwamen zijn kinderen ons al tegemoet. “Hey Tom’, zei de oudste van de twee, Peter genaamd. Redelijk bijdehand voor een knul van acht dacht ik bij me zelf.
Nancy was blij me te zien. We dronken wat en hadden het voornamelijk over de dojo en Henry’s werk.
Hij was onderwijzer op een school voor moeilijk opvoedbare kinderen.
Uit zijn verhalen maakte ik op dat hij niet eens meer probeerde om deze kinderen iets bij te brengen, maar dat zijn voornaamste taak het voorkomen van een vecht- of steekpartij was.
Dit jaar hadden er al drie incidenten met een dodelijke afloop plaatsgevonden. Ik kwam er zelfs achter dat hij gevarengeld kreeg uitbetaald, omdat anders niemand les wilde geven aan deze jongeren.
Ergens had ik bewondering voor Henry. Het leek me best moeilijk om de hele dag beledigd te worden door kleine etters van een jaar of zestien, zonder er zelf iets aan te mogen doen.
Mijn persoonlijke opvatting was dat er veel te zacht werd opgetreden tegen deze jongeren, maar ik vergat waarschijnlijk dat ik zelf ook geen lieverdje was in mijn jeugd.
Om vier uur ging ik naar huis en maakte me klaar om te vertrekken naar het vliegveld.
Ik zag dat er een bericht voor me was.
“Hallo Tom, Mike Johnson hier euhmm….ik heb eens gekeken op mijn site, maar er staat iets van in de trend van not found of zoiets. Je zult het wel te druk hebben gehad, maar ik ga er vanuit dat het morgen in orde is, okay?”
Tja, Mike Johnson, die moest maar wachten.
Ik pakte mijn koffer en schakelde de hoofdcomputer in mijn woning uit.

HOOFDSTUK 6.
Ik kwam om zeven uur aan op het vliegveld en ging naar de incheckbalie.
“Ruimte of normale vlucht?”, vroeg de dame in blauw aan me.
“Normaal, stoel bij het raam indien mogelijk”, vroeg ik en gaf haar een knipoog.
Ze lachte en zei dat het geen probleem was, vervolgens verwees ze me door naar Gate 3.
Het vluchtnummer was 22.

Er waren vier controles waar ik door heen moest.
Controle één was een controle van mijn koffer. Niet alleen door een scanner, maar ook door een Cyborg die er redelijk beroerd uit zag. Waarschijnlijk betrof het hier één van de eerste modellen, die niet veel meer kon dan het werk waarvoor hij geprogrammeerd was.
Ik kon het niet laten en maakte een gek geluidje. De machine keek me verward aan en wist duidelijk niet wat te doen.
Na een paar seconden ging hij verder met zijn werkzaamheden..

Controle twee was een vingerafdrukscan en bij de volgende controle werd ik gefouilleerd.
De laatste controle, nummer vier, bestond uit het beantwoorden van een paar vragen aan de antiterreur politie. Waar gaat u naartoe, waarom enz…
Grappig detail was dat de agent die me ondervroeg leek op zijn collega wiens nek ik gebroken had. Ik vroeg me af of hij van het voorval gehoord had.

Op de vlucht terug zou er nog beter gecontroleerd worden.
“Passagiers voor vlucht 22 naar Moskou kunnen boarden”, werd door de speaker omgeroepen.
Ik kocht nog snel iets te lezen en liep naar het vliegtuig.
De vlucht verliep zonder noemenswaardigheden.
Ik keek naar een film over een groep probleemjongeren in een achterwijk en koos voor de slechte afloop, omdat ik dezelfde film al eens eerder had gezien in de positieve versie.
Een van de acteurs deed me denken aan Kenjiro, een vriend uit mijn jeugd.
Kenjiro was uiteindelijk ook degene die er voor gezorgd had dat ik in dienst van de organisatie trad.

Ik ontmoette Kenjiro in een van de vele jeugdcentra in zone zeven, ik was een jaar of tweeëntwintig.
We wilden niet voor elkaar onderdoen, dus ons eerste contact eindigde gelijk in een vuistgevecht. Ik won.
Kenjiro had vooral bewondering voor mijn onverschrokkenheid.
Ik bewonderde zijn succes bij de vrouwen en zijn manier van doen. Wanneer Kenjiro binnenkwam wist iedereen dit meteen.
Hij verdiende zijn geld met het verkopen van alles wat verboden was.
Toch betrok hij mij niet bij zijn dubieuze handeltjes, we genoten er gewoon van om samen op te trekken en met z’n tweeën voelden we ons sterk.
Tot op een avond Kenjiro in de problemen kwam met een drietal jongens uit een andere zone, die hem noch mij kenden.
Hij zou het nooit alleen gered hebben en de klappen die ik uitdeelde zorgden ervoor dat ze met hun staart tussen de benen afdropen.
Kenjiro zag waarschijnlijk toen voor de eerste keer dat ik echt goed kon knokken als het erop aankwam en zoiets is van nut in een uitgaansgelegenheid, want het meesmokkelen van wapens was bijna niet te doen.
Op een dag stelde Kenjiro me voor aan John, hoewel ik betwijfel dat dit zijn echte naam was.
Hij was in ieder geval militair geweest, want op zijn brede bovenarmen stonden de namen van Arabische steden waar tijdens de zevendaagse oorlog het hevigst was gevochten.
John leerde me wat vechten betrof een paar gemene trucjes, maar die had ik zelf op den duur ook wel geleerd. Waar het werkelijk omging waren zaken zoals, hoe iemand onopvallend te volgen, hoe afluisterapparatuur te plaatsen, hoe om te gaan met vuurwapens en messen etc.
Het was dus gewoon mijn opleiding tot huurmoordenaar voor de organisatie, al had ik dat toen nog niet in de gaten.
Na een paar maanden stelde John me voor aan Black, daarna heb ik hem nooit meer gezien.

Wat Kenjiro betrof, zijn hoofd werd teruggevonden in een vuilniscontainer.
Het bleek te gaan om slechte waar die hij geleverd had. Vervolgens had Kenjiro zich niets aangetrokken van de klachten van de koper. Niet dat hij dit ooit eerder wel gedaan had, maar achteraf bleek dus dat hij ditmaal de verkeerde voor zich had.
De koper is later ook teruggevonden, althans het grootste gedeelte van hem. De organisatie kon de moord op een van hun leden nu eenmaal niet onbestraft laten.

Toen ik op Moscow-Airport uitstapte merkte ik dat de temperatuur een stuk lager was, dan voorspeld.
Op het vliegveld zocht ik naar een taxi, niet één van de taxi’s die direct bij de uitgang stonden, maar eentje verderop.
Niet omdat de ritprijs van deze derderangs taxi’s een stuk goedkoper was, maar waarschijnlijk zou de chauffeur me ook een stuk beter antwoord kunnen geven op mijn vragen.
De taxi rook naar pis en de chauffeur zag eruit alsof hij de hele nacht gefeest had.
Ik nam de koffer mee op de achterbank.
“Kameraad, weet je een goed hotel voor me in het centrum ?”, vroeg ik.
“Duur of goedkoop?”, vroeg hij.
“Ik zoek het soort hotel waar je dingen kunt regelen”, ik hoopte dat hij snapte wat ik bedoelde.
“Ik weet wel iets in het centrum, daar kunt u alles krijgen, maar het is in een achterbuurt en de bedden zijn antiek”, hij keek in de spiegel.
“Mooi, doe maar”, zei ik.
“Sigaretten, vrouwen, meisjes, zegt u het maar, ik kan alles regelen”
“Geen interesse”, gaf ik aan.
“Okay misschien later” en hij gaf me een kaartje met zijn naam en telefoonnummer.
Petrov was zijn naam en het kaartje zag eruit alsof het reeds meerdere malen gebruikt was.
Ik stak het in mijn binnenzak en hoopte dat hij verder stil zou zijn.
De rit duurde een half uur en ik had wel in de gaten dat hij niet de kortste route nam, maar besloot er niets over te zeggen.
De stad zag er niet goed uit, al enkele tientallen jaren ging het bergaf met de economie en het begon nu echt goed zichtbaar te worden. Geld voor het opknappen van straten, gebouwen of verlichting was er gewoon niet.
De enige gebouwen die er goed uitzagen waren dan ook in handen van particuliere ondernemingen die actief waren in buisiness die los stond van de algemene economische toestand.

Het hotel was inderdaad niet veel soeps.
De jongen achter de balie keek me geïnteresseerd aan, waarschijnlijk omdat mijn kleren aangaven dat ik ook een beter hotel betalen kon.
“Kan ik verder nog iets voor u doen?. Voor een beetje extra zal ik ervoor zorgen dat u zich hier niet hoeft te vervelen”, zei hij.
“Wanneer ik iets nodig heb, dan laat ik je het weten”, zei ik.
“Goed, Jarnisch is mijn naam en ik ben altijd hier”, hij gaf me een ouderwetse sleutel.
“Naar rechts draaien”, zei hij erbij.
Mijn kamer was op de eerste verdieping op het einde van de gang.
De kamer was klein en het rook er alsof er zojuist een seksorgie had plaatsgevonden, wat waarschijnlijk dan ook zo was.
Ik controleerde het bed, maar zag dat de lakens gelukkig schoon waren.
Naast een bed stond er een tafel, twee stoelen, een goedkope cinemaset en een kast.
Aan de muur hing een kapotte spiegel, met een wastafel eronder.
Ik controleerde of er water was en toen dat zo bleek te zijn, hield ik mijn hoofd onder de koude kraan.
Vervolgens maakte ik vijftig push-ups en deed wat buikspier oefeningen.
Na een half uurtje mediteren ging ik naar bed.
Morgen zou het een drukke dag worden.

HOOFDSTUK 7.
De volgende morgen bestudeerde ik de plattegrond die ik gisteren op het vliegveld had gekocht.
Ik zag dat het gebouw waar Steve Brenner werkte slechts op een half uur lopen lag, dat was een mooie meevaller.
Het eerste wat ik vandaag zou doen, was het aanschaffen van een nieuwe garderobe, die aansloot bij de gemiddelde kleding die hier gedragen werd.
Één van de eerste dingen die John me destijds geleerd had, was niet opvallen.
Iemand die opvalt is kansloos als huurmoordenaar, spion, geheim agent enz.
Ik was niet groot, had geen rare blik in mijn ogen, een redelijk normaal postuur, een normaal kapsel, kortom iemand die je vijftig maal per dag kunt passeren, zonder verwonderd op te kijken.
Verder had niet groot zijn nog een voordeel, je werd namelijk meestal onderschat en dat is zo ongeveer het beste wat je kan gebeuren in een één tegen één gevecht.

Vervolgens zou ik polshoogte gaan nemen bij het kantoor van Brenner.
Hoe was de beveiliging geregeld, de uitgangen etc.

’s Avonds zou ik een dubieuze kroeg opzoeken, waar ik snel zou uitvinden waar en bij wie ik moest zijn voor het aankopen van wat wapens.
Misschien dat Jarnisch me hierbij zou kunnen helpen.
Normaal gesproken zou de organisatie me overal van wapens kunnen voorzien, echter in Moskou had de organisatie geen contacten.
Bovendien zouden contacten ook weer een risico inhouden.
Wanneer Brenner zou weten dat er een hitman op hem was gezet, dan zou de beveiliging nog versterkt worden en werd hem om zeep helpen onmogelijk.

Brenner was achter in de veertig en had een geregistreerd IQ van boven de honderdveertig.
Zou hij een inwoner van de Europa zijn geweest, dan zou hij, met zo’n hoog IQ, verplicht twintig uur in de week voor de overheid moeten werken.
Hier in de Oostelijke Unie had men zulke absurde regels niet.
Dat hij zo slim was, baarde me overigens geen zorgen, want slimme mensen zien altijd simpele zaken over het hoofd. De mensen verantwoordelijk voor zijn veiligheid zouden dat zeker niet doen.

De kledingwinkel die ik vond was niet duur en het kostte me veel moeite om de dame die me hielp duidelijk te maken, dat ik er juist uit wilde zien als een grijze muis.
Zo noemde ze namelijk de kleding die ik uitkoos “grijze muizen kleding”.
Vervolgens kwam ze dan aanzetten met een jasje dat zo rood was, dat het pijn deed aan mijn ogen en gemaakt leek te zijn voor mensen die bang zijn om niet gezien te worden.
Ik betaalde cash en dat veroorzaakte ook nogal wat problemen, maar uiteindelijk slaagde ik.
Een grijze jas, een zwarte broek en ik zag er inderdaad uit als het merendeel van de mannen die door deze sombere stad slobberden.

Vanuit de winkel liep ik naar het kantoor van Brenner.
Onderweg zag ik hoe een bedelaar in elkaar werd getrapt door twee jongeren.
Ik keek er een tijdje naar zoals de meeste mensen die het zagen.
Er was niemand uit het toekijkende publiek die er iets aan deed, niet zozeer uit onverschilligheid volgens mij, maar meer uit angst om zelf slachtoffer te worden.
Ik zag hoe een jonge vrouw huilend wegliep.
Voor mij was het natuurlijk sowieso niet mogelijk om er iets aan te doen, ik had immers belangrijkere zaken aan mijn kop en een mogelijk contact met de politie zou dan wel het laatste zijn wat ik kon gebruiken.
Zou ik niet met een opdracht bezig zijn, dan zou ik waarschijnlijk wel ingegrepen hebben.
Echter niet omdat ik medelijden had met de zwerver, maar omdat ik ten eerste een hekel had aan mensen die zich voor hun plezier vergrepen aan zwakkeren en ten tweede omdat het een mooie gelegenheid zou zijn om een paar technieken uit te proberen.
Voor de rest wekte het schouwspel in mij dezelfde gevoelens op als een kip die werd verscheurd door een vos. Niet dat ik ooit in het echt een vos had gezien, maar je zag nog wel eens zo’n oude documentaire over het “wildlife” van vroeger.

Het kantoor van Brenner lag aan een drukke kruising.
Er waren vier verdiepingen en twee ingangen.
Het gebouw zag er voor de normen van deze stad goed uit.
Aan de andere kant van de kruising was een eetcafé, waar ik mooi aan het raam plaats kon nemen.
Een dikke serveerster kwam naar me toe en ik bestelde een cappuccino en een “broodje waza”
Ik had geen flauw idee wat een “broodje waza” was en cappuccino hadden ze niet, wel gewone koffie.
Het was nu twaalf uur in de middag en ik zag dat er veel mensen het kantoor uitkwamen.
Waarschijnlijk zou dat dus betekenen dat de meeste mensen buiten de deur aten.
Een aantal van hen kwam mijn kant op en ik hoorde de dikke serveerster iets roepen wat waarschijnlijk betekende dat het druk werd.
Een jongen, ik schatte hem begin twintig, vroeg of hij bij mij aan tafel mocht plaatsnemen.
Ik keek snel door het café en zag dat er inderdaad geen andere tafeltjes meer vrij waren.
Dat soort dingen leer je snel, want als iemand aan tafel bij je wil zitten als er nog een vrije tafel beschikbaar is, dan zou het wel eens zo kunnen zijn dat hij naast eten ook iets anders wil.
Ik knikte en hij nam plaats.
Zijn bestelling was gelijk aan de mijne en ik dacht bij mezelf dat een broodje waza dan wel niet de slechtste keus zou zijn.
Helaas bleek ik er naast te zitten.
Toen de serveerster, wiens onderbuik nu onder het te strakke T-shirt uitkwam, de koffie en het broodje bracht, bleek de koffie te slap te zijn en het broodje smaakte naar bedorven vlees.
Ik trok schijnbaar zo’n vies gezicht, dat de jongeman tegenover me in de lach schoot en informeerde of ik een buitenlander was.
Toen ik dit bevestigde legde hij me in perfect Engels uit dat het hier een plaatselijke lekkernij betrof die je pas na verloop van tijd kon gaan waarderen.
“Het is net zoals je eerste vodka”, zei hij.
Ik glimlachte en keek weer naar buiten.
Mijn aandacht werd vastgehouden door een mooie Sodara, een nieuw type auto dat alleen in de States gemaakt werd.
De Sodara heeft geen wielen maar functioneert volledig op een spanningsveld dat er voor zorgt dat de auto altijd enkele centimeters boven de grond bleef.
“Mooie auto”, merkte ik op.
“Ja”, zei de jongeman die samen met mij naar de auto keek. “Die is van meneer Brenner, mijn baas. Die wagen moet hem een vermogen gekost hebben, want hij is geïmporteerd vanuit de States en dus nog eens dubbel zo duur als de prijs die ze daar betalen”.
“Bingo!”,dacht ik. Ik zit aan tafel met iemand die onder Brenner werkt en me waarschijnlijk dus wel het één en ander kan vertellen.
“Wat doen jullie voor werk, want ik wil ook wel zo’n auto”, ik trok een grappig gezicht bij deze opmerking. “Ha ha…alleen Brenner is de kapitalist hier, ik verdien maar een normaal salaris hoor”, zei hij snel.
“Johan Schultz”, zei ik en stak mijn rechterhand uit.
“Jurgy Bobka”, antwoordde hij, terwijl hij mij een stevige hand gaf.
“Eet je altijd hier ?”, vroeg ik.
“Ja meestal wel, niet duur en dichtbij”
“Je baas zeker niet”, zei ik met een knipoog
“Nee, die gaat altijd naar een restaurant hier vier straten verderop, ben de naam eventjes kwijt. Het is volgens mij een van de duurste van de stad. Er staat een leeuw op de voorgevel”.
Hij keek nog eens naar buiten en dronk wat van zijn koffie.
“Elke dag? “, vroeg ik.
“Wat elke dag?”
“Gaat hij er elke dag eten? “
“Euhmm…volgens mij wel, hoezo?”, zei hij.
“Nou als het inderdaad één van de duurste restaurants van de stad is, dan moet hem dat een aardige duit kosten”, ik moest oppassen dat hij niet achterdochtig werd.
“Ja dat zal wel, maar als je zo’n auto kan betalen dan zal dat wel lukken lijkt me”.
“Wat doet u voor werk ?”vroeg Jurgy.
“Ik ben schrijver en maak stadsgidsen, je weet wel. Ik zal in de gids zeker een opmerking maken over jullie broodje waza”, hij schaterde het uit van het lachen.
“Ja moet u doen”zei hij.
“Excuseer me’, zei ik en stond op.
Ik liep naar het toilet achter in het eetcafé en zorgde ervoor dat Jurgy me niet kon zien.
Jurgy was geïnteresseerd in een blondine twee tafels verderop. Een goed teken, dat wilde zeggen dat hij inderdaad gewoon pauze zat te houden en niets anders.

Toen ik terugkwam zag ik hem al op zijn horloge kijken.
“Wat doe jij eigenlijk voor werk?”, vroeg ik.
“Ik werk op de afdeling robotica, we maken robots voor de industrie”.
“Leuk werk ?”
“Gaat wel”, zei hij, “het blijven domme machines. Ik zou liever een baan bij de overheid hebben, zodat ik me bijvoorbeeld zou kunnen toeleggen op cyborgdesign of zo, maar dat zit er voorlopig niet in”.
“Hebben jullie cyborgs die werkzaam zijn in jullie onderneming?”, vroeg ik.
Hij fronste zijn wenkbrauwen en ik had gelijk spijt van mijn vraag. Waarschijnlijk vond hij me nu iets te nieuwsgierig.
Jurgy keek nog eens op zijn horloge en zei, “leuk u gesproken te hebben. Ik hoop dat uw reisgids over Moskou een positieve wordt”.
“Vast wel”, loog ik en schudde nogmaals zijn hand.
Toen hij de deur uit liep keek hij me snel nog één keer aan.
Vooral die laatste blik zorgde ervoor dat ik niet bleef zitten, maar gelijk achter hem aan ging.
Hij moest de drukke kruising weer oversteken om bij het kantoor te komen.
Terwijl hij stond te wachten voor het drukke verkeer ging ik achter hem staan.
Van rechts kwam een vrachtauto en Jurgy stond op de rand van de stoep.
Ik wachtte tot de vrachtwagen op een meter of drie was en duwde Jurgy hard in zijn rug.
Hij kwam precies voor de vrachtwagen terug en een doffe klap was het gevolg.
Jurgy werd door de impact een meter of vijf gelanceerd en belandde half op het trottoir en half op de weg.
Een jonge vrouw begon te krijsen en mensen kwamen toegestroomd.
Ik liep op Jurgy af en zag dat zijn linkerarm in een onnatuurlijke houding lag. Er kwam bloed uit zijn neus en mond en zijn schedel lag open.
Jammer van die aardige jongen, maar de kans was aanwezig dat er een richtlijn was uitgegeven waarin stond dat vragen van onbekenden in verband met cyborgs gerapporteerd moesten worden en ik ben niet het type dat onnodige risico’s loopt.

Ik liep een stuk verder en bekeek het allemaal nog een tijdje van een afstand.
Het duurde verdomd lang voor er een ziekenwagen kwam, maar het maakte voor Jurgy sowieso niet meer uit.
Daarna wachtte ik nog een tijdje op de terugkomst van de Sodara.
Het wachten werd beloond, de auto reed vlak voor me langs. Door de verblindde ramen kon ik niet naar binnen kijken.
Ik zag hoe de auto voor het kantoorgebouw stopte en hoe de chauffeur de deur voor Steve Brenner openhield.
Een aparte keus om voor het gebouw uit te stappen in plaats van in de beveiligde garage.
Brenner was blijkbaar nog niet erg bevreesd voor een aanslag.
Na Brenner stapten er nog twee kerels uit. Één van hen bewoog soepel, maar niet natuurlijk, ik vroeg me af of het wellicht een cyborg kon zijn, de ander was een Aziaat.
Brenner was ruim anderhalf uur weggeweest om te lunchen.

Ik keerde terug naar mijn hotel en liep weer langs de plek waar enkele uren eerder de zwerver in elkaar werd geslagen.
Er lag alleen nog een oude schoen.


HOOFDSTUK 8.
In de hal van het hotel sprak Jarnisch me aan.
“Hey, hoe gaat het?, alles naar wens?”
“Prima”, zei ik.
“Een vraagje, weet je misschien een kroeg waar ik in contact kan komen met mensen die bepaalde zaken kunnen regelen?”, vroeg ik.
Ik duwde hem snel wat geld in de handen.
Hij keek om zich heen en zei, “wapens?”
Ik mocht deze jongen wel, ondanks dat ik niet veel had weggegeven, wist hij precies wat ik zocht. “Misschien”, antwoordde ik.
Hij pakte een pen uit zijn achterzak en krabbelde iets op een papiertje.
“Hier, maar ik waarschuw je, het is ruw volk daar”, was zijn commentaar toen hij het papiertje aan mij overhandigde.
“Bedankt voor de waarschuwing”, zei ik en ging naar boven.

Er zat schot in de zaak.
Ik wist nu dat Brenner elke dag ging lunchen op dezelfde plek en de enige persoon die wist dat ik dat wist, lag nu in het mortuarium.
Eerst zou ik een uurtje gaan mediteren, daarna mijn betere kleren aantrekken en zelf eens een maaltijd nuttigen in het favoriete restaurant van Steve Brenner.

Ik zat in de lotushouding toen ik plotseling bemerkte dat er iets niet klopte.
Het duurde eventjes voordat ik in de gaten had wat, maar toen zag ik de klikspin lopen.
Het metalen monstertje was ongeveer vijf centimeter groot.
Ik wist dat het niets hoefde te betekenen, het was redelijk normaal in de Oostelijke Unie om bezoek te krijgen van een klikspin op je hotelkamer.
Toch hoop je dat het ding zo snel mogelijk weer oprot door het gat in de muur waar het ook naar binnen is gekomen.
De spin zag dat ik hem had gezien en deed geen moeite meer om zichzelf verborgen te houden. Brutaal liep hij voor me langs en vervolgens onder het bed.
Ik volgde hem en zag inderdaad onder het bed een gat in de muur.
Je zou de neiging hebben, om er eens “per ongeluk” op te gaan staan, maar het kostte je één dag cel en een geld boete die niet gering was.
Klikspinnen worden in de Oostelijke Unie voornamelijk ingezet voor het opsporen van vuurwapens en drugs.
Verder hebben de agenten in het controlecentrum, dat de klikspinnen bestuurt, vaak live pornofilms op hun monitor, door klikspinnen te gebruiken in hotels waar veel hoeren kwamen en daar was dit hotel er zeker één van.

Een uur later kleedde ik me om en verliet mijn hotelkamer. Op de trap had een pooier ruzie met één van zijn meisjes en hij keek me aan met een blik, die aangaf dat ik mij niet met zijn zaken moest bemoeien.
Dat laatste was ik ook niet van plan.
Het restaurant was makkelijk te vinden het heette “The Lion”, de naam waar Jurgy niet op kon komen.
Bij de ingang werd het al snel duidelijk dat we hier te maken hadden met een eerste klas restaurant. Er stonden twee portiers in een rood uniform die beide de deur openhielden en me vriendelijk begroetten.
Eenmaal binnen kwam er een charmante dame op me af, die vroeg of ze mijn jas kon aannemen.
Ik weigerde, niet zozeer omdat ik het niet wilde, maar om te kijken hoe ze zou reageren.
Het was blijkbaar geen punt en ze bracht me naar een tafeltje in de hoek van het restaurant.
Voor een gast geen charmante plek, maar voor mij perfect. Vanuit hier had ik overzicht over het hele restaurant.
Het interieur was chique en er werd zacht klassieke muziek gedraaid.
“Wilt u iets drinken ?”, vroeg de gastvrouw.
Ze had een zwarte rok aan en een witte bloes, die zo strak zat dat het moeilijk was om niet naar haar borsten te kijken.
Ik knikte en bestelde een cappuccino en een vodka.
Enkele minuten later kwam ze met de bestelling en vroeg of ik al wist wat ik wilde eten.
Ik bestelde een vleesgerecht met rijst.
De cappuccino was heerlijk en de vodka smaakte zoals je van een vodka mag verwachten.
Het was niet druk in het restaurant, ik zag slechts één andere gast, een zakenman, en ook niet veel personeel. De tijd was dan ook tussen lunch en avondeten in.
Ik keek rond of ik camera’s zag, maar ik vond er geen.
Natuurlijk waren de meeste vaste gasten hier rijke zakenmannen of tuig uit de onderwereld.
Gewone mensen zouden hier nooit kunnen eten, tenzij ze bereid waren er een kwart van hun maandsalaris voor neer te tellen.
Ik kon me voorstellen dat vooral de onderwereld er niet van zou houden om voortdurend in de gaten te worden gehouden door een camera.

Toen mijn maaltijd arriveerde liep het water me in de mond.
Het gerecht zag er perfect uit en rook heerlijk. Het was niet alleen qua uiterlijk perfect verzorgd, maar mijn smaakpapillen reageerden tevens zeer enthousiast.
Het vlees, dat een verzameling was van diverse soorten gevogelte, was heerlijk gemarineerd en de rijst smaakte subliem. Er zaten groenten bij die ik niet kende en de smaak was nogal bitter, maar het paste wel in het geheel.

De rijst smaakte anders dan de rijst die Masato altijd klaar maakte. Ik herinnerde me de laatste keer dat ik met hem meegegeten had. Hij maakte toen een opmerking over de manier waarop ik mijn hashi, eetstokjes, naar mijn mond bracht en deed voor hoe ik het moest doen. Van opzij en niet recht van voren. Ik deed een paar minuten mijn best, maar vond het maar lastig en ging vervolgens weer op de oude manier door. Toen ik de stokjes in mijn mond stak, gaf hij een tik tegen mijn hand en de uiteinden van de stokjes prikten in mijn keel. “Nu weet je waarom”, zei hij en ging rustig verder met eten.

Na het hoofdgerecht bestelde ik nog een cappuccino en een vodka.
Tevens vroeg ik aan de gastvrouw waar het toilet was, dit bleek in tegenovergestelde hoek van het restaurant te zijn..
Ik merkte op dat ze, tijdens de uitleg, iets langer oogcontact hield dan noodzakelijk was en ik voelde dat ze wel in me geïnteresseerd was.
Ik reageerde er niet op en ze draaide zich om.
Op weg naar het toilet bekeek ik haar nog eens goed en fantaseerde erover hoe het zou zijn om seks met haar te hebben.
Op het moment dat het echt leuk begon te worden, dwong ik mezelf om alleen aan de opdracht te denken.
Plezier zou ik thuis wel weer maken met Tess.
Het toilet zag er prachtig uit, haast te mooi om als toilet te gebruiken dacht ik bij mezelf.
Er waren drie toiletten met een deur en drie urinoirs aan de muur.
Toen ik achter het urinoir stond en mijn gulp opende zag ik dat het urinoir iets omlaag zakte en zich dus automatisch aanpaste aan mijn lichaamslengte.
Ik controleerde vervolgens de drie toiletten door de deuren te openen en keek nog eens rond voor camera’s.
Prima, ik wist nu hoe ik de zaken zou gaan aanpakken.
Morgen zou ik hier zijn als Brenner kwam lunchen en kijken of hij in zijn eentje gebruikt maakt van het toillet, of dat er een bodyguard mee gaat.
Zou hij alleen gaan, dan zou ik hem overmorgen hier op het toilet van kant maken.
Tenminste als hij die dag van het toilet gebruik zou maken, die kans achtte ik echter groot genoeg.

Ik liep terug naar mijn tafeltje en genoot nog eventjes van mijn cappuccino en vodka.
Daarna vroeg ik om de rekening. Ik kreeg van de gastvrouw, die blijkbaar een beetje beledigd was omdat ik haar niet mijn volledige aandacht geschonken had, een zilveren schaaltje met daarop een mooi handgeschreven bonnetje. Helaas kon ik niet lezen wat er op het bonnetje stond, maar het bedrag onder de streep was nog hoger dan ik verwacht had.
Ik betaalde contant en gaf de gebruikelijke vijf procent fooi.
Op weg naar buiten nam ik een pepermuntje en gaf ik de gastvrouw nog een knipoog. Ze deed net alsof ze het niet zag.

HOOFDSTUK 9.
Eenmaal buiten ging ik direct terug naar mijn hotel.
Die avond zou ik naar de kroeg gaan waarvan Jarnisch me het adres op een papiertje had gekrabbeld. Ik trok mijn mooie kleren uit en mijn “grijze muizen outfit” weer aan.
Het was nog vroeg en ik besloot om een internetcafé op te zoeken. Het kostte me een half uur om er eentje te vinden.
In elke grote stad barst het van de internetcafés. Het lijkt wel dat wanneer je echt geen baan kunt vinden je altijd nog een internetcafé kunt openen.
Ik nam plaats achter een vrije computer en logde in op een internetsite van de Underground Hackers Community (UHC).
Deze groep bestond nu ongeveer twee jaar en leverde puik werk.
Dankzij een tooltje op hun site kon ik controleren of mijn computer clean was.
Met andere woorden of mijn internet bezoek niet werd geregistreerd door een of ander programma.
De computer bleek clean te zijn en ik logde in op mijn persoonlijke pagina.
Ik tikte het ip-nummer in: 195.423.445.898.742.452.552
Het had lang geduurd voordat ik het nummer kon onthouden, maar nu kon ik het zelfs achterstevoren opdreunen.
Ik vond geen berichten en zag dat mijn site ook niet bezocht was sinds de laatste keer dat ik hem gecontroleerd had.
Vervolgens logde ik in op World-Message-Service en zag dat Henry ook online was.
Ik tikte snel een berichtje, “Hoi Henry, alles okay?”
Hij reageerde meteen, “Hey Tom, hoe is het daar?”
“Prima, alles gaat goed en bij jou? Nancy en de kids okay?”
“Ja hoor, Peter heeft vandaag een nieuwe fiets gekregen dus die is helemaal in de wolken. Heeft de hele morgen rondjes gereden voor op straat, heb er hartkloppingen aan overgehouden”.
“Heb je hem zo’n helm opgezet?”, zei ik. “Wat dacht jij dan, die zat bij de fiets”.
Eigenlijk had ik hier een hekel aan, dat zinloos gebrabbel. Ik wist dat al het internet verkeer intensief gecontroleerd werd door de geheime dienst van de Oostelijke Unie, de LHC.
Er waren enkele supermainframes die niets anders deden dan chatgesprekken en e-mails doorlezen. De programma’s waren enorm geavanceerd en hadden het gelijk door wanneer je bijvoorbeeld een code gebruikte. Sterker nog, wanneer ik hier nu een lulverhaal over een aanslag zou verzinnen, dan zou er waarschijnlijk binnen een kwartier iemand op mijn schouder tikken.
“Ben je overmorgen weer terug?”, vroeg Henry.
“Waarschijnlijk de dag erna”, antwoordde ik.
“Okay, dan laat ik je alle hoeken van de dojo zien”, grapte Henry.
Ik moest erom glimlachen. Henry was best goed, hij kon moeilijke technieken altijd goed uitvoeren. Het probleem van Henry was echter dat hij geen killerinstinct had en dus nooit een gevecht, dat de realiteit benaderde, van mij zou winnen.
“Sure”, typte ik en een ;-) erachteraan.
Henry was het type dat tijdens de trainingen ook “sorry” zei, als hij per ongeluk te hard doorsloeg.
Ik ergerde me hier altijd aan en reageerde dan vaak door een keer opzettelijk te hard te slaan en vervolgens niets te zeggen.
Ik sloot WMS af en verliet het internetcafé.
Terug in het hotel vroeg ik Jarnisch om me over een uur een taxi te regelen en gaf hem het nummer van Petrov, de taxichauffeur wiens kaartje ik goed bewaard had.

Op mijn kamer deed ik wat rekoefeningen en bladerde door wat tijdschriften die ik op de terugweg naar het hotel had gekocht bij een kiosk.
De man in de kiosk had één nepoog, één kunsthand en een deel van zijn schedel was bedekt door een ijzeren plaat, waarschijnlijk een veteraan uit de Oost-Chinese oorlog.
Ik gaf hem een extra dikke fooi.

Jarnisch klopte op de deur en riep dat de taxi er was.
Ik trok mijn schoenen aan en ging omlaag. Petrov herkende me meteen en er verscheen een brede grijns op zijn gezicht.
“Aha…toch maar besloten om je in het nachtleven te storten?
Ik weet waar de beste vrouwen zitten en …”, nog voor hij zijn verhaal af kon maken drukte ik hem het papiertje, met het adres van de kroeg die ik wilde bezoeken, in zijn hand.
Hij fronste zijn wenkbrauwen en zei, “weet je zeker dat je hier naar toe wilt? Dit is nou niet echt een leuke kroeg, sterker nog als buitenlander met geld loop je er een behoorlijk risico”.
“Ik red me wel”, zei ik en hij haalde zijn schouders op.
“Zeg achteraf niet dat ik je niet gewaarschuwd heb”.

HOOFDSTUK 10.
Toen ik de deur van het café achter me dicht trok, keek iedereen aan de bar mijn kant op.
Ik had Petrov wat extra geld gegeven en gevraagd of hij nog een kwartier wilde wachten.
Mocht ik dan niet naar buiten komen, dan kon hij vertrekken.
De barman was behoorlijk op leeftijd en had een buik waar menig sumoworstelaar jaloers op kon zijn.
Aan de bar zaten vier mannen en een meisje van een jaar of twintig met niet veel kleren aan.
Achter in het café stond een grote tafel waaraan zes man zaten te kaarten.
“Verdwaald ?”, riep de barman me toe.
“Nee hoor, oldtimer”, antwoordde ik en nam plaats aan de bar.
Dit kon nog wel eens spannend gaan worden. “Vodka”, riep ik.
De barman zag in mijn ogen dat hij beter kon doen wat ik zei.
Links van me zat een ruige vent met een baard, die zijn linkerhand op de billen van het schaarsgeklede meisje had. Van hem zou ik waarschijnlijk geen problemen hoeven te verwachten.
Aan mijn rechterzijde zaten drie mannen die me strak aankeken.
Ik zag dat twee van hen bij elkaar hoorden. De derde zat een stukje verderop, hij zou dus mijn binnenkomer worden.
Ik keek hem strak aan en zag dat hij zich afvroeg waarom ik nu juist hem had uitgekozen.
“Is er een probleem? “,vroeg ik.
De twee andere mannen en de barman keken hem aan.
Het was gelijk duidelijk dat hij eigenlijk niet wist hoe te reageren, maar hij kon natuurlijk niet over zich heen laten lopen.
“Hoezo ?”, zei hij.
“Omdat je me aankijkt alsof ik je moeder genaaid heb”, nu kijken wat hij zou doen.
Ik zag hem denken, “shit, dit wordt matten”.
“Als je zo doorgaat verbouw ik je smoel, ik waarschuw je maar één keer”, wat lief, hij bood me een uitweg.
Helaas voor hem, was een uitweg niet wat ik zocht. Wilde ik hier niet in de problemen komen en serieus genomen worden, dan moest ik eerst iemand in elkaar rossen. Aan de reactie van de anderen te zien, zou hij geen hulp krijgen.
Ik dronk mijn vodka met één teug op en schoof mijn barkruk achteruit.
“Actie”, riep de barman.
Zelfs de kaarters aan de tafel achter in het café raakten nu geïnteresseerd.
Ik liep naar hem toe en hij nam een gevechtshouding aan.
Aan de manier waarop hij stond zag ik dat hij waarschijnlijk een boksachtergrond had.
Toen ik bijna bij hem was verraste hij me een beetje door te grijpen naar een glas op de bar.
Hij zwaaide het glas met zijn rechterhand richting mijn hals.
Ik versnelde en kwam in, met mijn linkerhand blokkeerde ik zijn rechter en met mijn andere hand gaf ik hem een lichte tik op zijn neus.
Mijn bedoeling was niet om hem neer te slaan, maar om hem eventjes uit zijn concentratie te halen. Die tijd gebruikte ik om zijn rechterarm voor me langs te halen en vervolgens aan zijn achterzijde in te stappen.
Terwijl ik mijn linkerhand in zijn nek legde en met mijn rechter zijn rechterarm controleerde draaide ik door naar achteren en stuurde hem iets omlaag.
Toen ik voelde dat hij zijn aanval opnieuw wilde richten en omhoog probeerde te komen, kwam ik vol terug met een elleboogstoot naar zijn gezicht.
De techniek die ik gebruikte wordt ook wel Irimi Nage genoemd en is één van de basistechnieken in het Aikido.
Hij klapte achterover en viel met zijn hoofd tegen de bar.
Ik keek snel om me heen en zag dat iedereen geïnteresseerd zat toe te kijken alsof het een theatervoorstelling betrof. Niemand deed een poging zich met ons gevecht te bemoeien en dat was precies waar ik op gehoopt had.
Ik zag dat hij niet K.O. was en probeerde op te staan. Een trap naar zijn hoofd werd nog enigszins door hem geblokkeerd, maar de barkruk die ik vervolgens op zijn hoofd neer plantte zorgde ervoor dat hij de eerstkomende minuten waarschijnlijk niet zou opstaan.
Ik probeerde een zo relaxed mogelijke indruk te maken en liep terug naar mijn eigen plek aan de bar. “Vodka”, riep ik en ditmaal werd ik een stuk vriendelijker behandeld.
“Zeker”, zei de barman, “Was dat karate ?” “Zoiets”, zei ik en dronk mijn vodka op.
“Ik zoek iemand die gespecialiseerd is in persoonlijke veiligheid”, zei ik.
“Werk je voor de overheid ?”, vroeg de barman.
Deze vraag werd altijd gesteld in de Oostelijke Unie, het was namelijk voor een agent verboden om hier negatief op te antwoorden.
“Nee”, zei ik “Geen vuurwapens, dat is tegenwoordig te link. Alle anderen zaken zijn te krijgen als je geld hebt”, zei hij met een grijns. “Heb ik”, gaf ik aan.
“Leon, daar aan de kaarttafel, zwart shirt, tatoeage in zijn gezicht, kan je wel verder helpen”.
Ik liep naar de kaarttafel. Leon had inderdaad een tatoeage van een slang, die onder zijn zwarte shirt via zijn hals naar boven krulde en eindigde op zijn wang.
Hij was zeker bang dat hij onvoldoende opviel, dacht ik.
“Leon, ik wil je graag spreken”, zei ik.
Hij keek niet op en kaartte gewoon door, “als ik me geld teruggewonnen heb”, zei hij.
Ik besloot er verder niets van te zeggen en zei, “okay, ik zit aan de bar”.
Terug aan de bar bestelde ik alleen nog licht alcoholische drankjes, ik zou mijn reactie vermogen vanavond nog wel eens hard nodig kunnen hebben.
Petrov zou ondertussen wel vertrokken zijn, maar dat was ook goed zo.
Ik hoorde wat gekreun en zag dat de gast die ik eerder in elkaar geramd had wakker begon te worden. Hij zou geen probleem gaan worden, waarschijnlijk realiseerde hij zich nu dat ik hem ook makkelijk van kant had kunnen maken.
Hij was het gevecht aangegaan en had dus, ondanks dat hij verloren had, niet het respect verloren dat je in deze kroeg nodig hebt om een stamgast te zijn.
Na een tijdje krabbelde hij omhoog en hing tegen de bar aan.
Waarschijnlijk had hij nu al een gigantische koppijn, die morgen alleen maar nog erger zou zijn. Hij keek me eventjes aan, maar niet al te lang. Toen hij zich goed genoeg voelde verliet hij het café.
Twee uur later stond Leon achter me.
“Wat moet je?”, vroeg hij.
Hij keek geïrriteerd, waaruit ik opmaakte dat het hem niet was gelukt om zijn geld terug te winnen. Des te beter voor mij, misschien had hij nu hard geld nodig.

“Ik zoek wapens en jij hebt die”, zei ik. “Er wordt hier te gemakkelijk gepraat”, was zijn reactie. “Werk je voor de overheid?”, vroeg hij.
Op die vraag zat ik al te wachten en het betekende dat hij dus interesse had.
“Nee”, antwoordde ik. “Wat zoek je?”, vroeg hij. “Wat heb je?”, was mijn reactie.
“Alles behalve vuurwapens natuurlijk”
“Nou laat maar eens zien dan, dan geef ik wel aan wat ik kan gebruiken”, zei ik.
“Okay, kom maar mee, maar ik waarschuw je. Als je me wilt bedonderen dan laat ik me niet zo makkelijk vloeren als die eikel hier aan de bar”.
“Maak je maar geen zorgen, ik zoek geen gezeik, alleen wapens”.
“Ik maak me nooit zorgen”, zei hij.
“Kom maar met me mee”.

HOOFDSTUK 11.
Hij woonde op twintig minuten lopen, we spraken niet veel onderweg.
Wel wilde hij weten of ik geld bij me had, want anders kon ik het wel vergeten.
Ik stelde hem gerust en liet hem wat geld zien.
We gingen een oude fabriek binnen, die er aan de buitenkant uitzag alsof hij elk moment in elkaar kon zakken.
Binnen zag er het wat beter uit; er woonden zeventien mensen volgens Leon en er werd al vijf jaar een rechtzaak gevoerd tegen de eigenaar van het pand.
Hij wilde het namelijk laten afbreken, maar omdat het merendeel van de bewoners oude fabrieksarbeiders waren, gold er een of andere speciale regel die dat nogal moeilijk maakte.
Zijn woning was op de onderste verdieping.
Leon klopte op de deur en ik zag dat iemand door het kijkgaatje keek.
De deur werd geopend, aan de andere kant van de deur stond een lange magere vrouw, die eruit zag alsof ze net uit bed kwam.
Leon mopelde iets en liep langs haar. Ik zei niets en volgde Leon.
“Als je me probeert te kloten, kom je hier nooit levend vandaan. Ik heb mensen die hier op me passen”, zei Leon. Ik stelde hem nogmaals gerust en verzekerde hem dat ik alleen maar wat wapens wilde kopen.
We liepen een trap omlaag en onderaan gekomen stonden we voor een dikke rode deur. Leon vroeg me om mij om te draaien en tikte vervolgens een viercijferige code in, die er voor zorgde dat de deur openschoof.
Vevolgens moesten we nog een trap af en stonden toen in een kamer van ongeveer vier bij vier.
Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven. Het was een vertrek van vier bij vier en alle muren waren volgepakt met wapens.
Een winkel was er niets bij. “Mooi”, zei ik en zag al dat ik alles zou vinden wat ik nodig had.
“Ik heb alles, behalve de echt verboden zooi. Vuurwapens komen je hier op twintig jaar te staan en met de detectiemethodes van vandaag is het bijna onmogelijk om niet gepakt te worden”, vertelde hij mij.
“Waar ik woon ook, alleen staat er vijf jaar op, maar niemand die het riskeert”, zei ik.
Hij spuwde op de grond en informeerde naar wat ik zocht.
Ik begon aan mijn lijstje, “een goed mes, pepperspray, een wapenstok en.....”, toen plotseling van boven een harde klap te horen was.
“Godverdomme, wat is dat nu weer”, zei Leon.
“Jij wacht hier en wacht tot ik weer naar beneden kom”, snel rende hij de trap op.
Het leek mij geen goed plan, om hier alleen achter te blijven, als die deur op slot ging, dan was ik er nog niet uit.
Ik rende achter Leon aan, maar toen ik bijna boven was stopte hij.
“Waar is die klootzak”, riep een zware stem.
“Niet hier, niet hier”, hoorde ik de lange magere vrouw roepen.
“Shit, omlaag omlaag”, fluisterde Leon en trok de dikke rode deur dicht.
“Krijg je die van binnen nog open ?”, vroeg ik.
“Ja ja...ga omlaag en ben stil”, zei hij met een angstige stem.
Toen we weer beneden waren hoorden we voetstappen de trap afkomen.
Iemand trapte tegen de rode deur.
“Maak open trut”, riep een andere stem.
“Kan niet, kan niet, alleen Leon weet nummer. Ik niet, alleen Leon”
“Leon maak open, maak open”, begon ze te roepen. “Shit”, zei Leon, “dom wijf nu weten ze zeker dat ik hier zit”.
“Leon hier Karl, maak die deur open of ik snij die magere trut van jou de keel door”, klonk het van de andere kant van de deur.
“Maria”, zei Leon en keek me bezorgd aan. Hij zou toch niets van mij verwachten dacht ik.
Hier heelhuids wegkomen, liefst met wat wapens was het enige dat ik voor ogen had.
Leon, Maria, Karl en god weet wie nog meer interesseerden mij geen fuck.
“LEON…LEON..ze hebben messen, maak open”, Maria werd hysterisch.
“Maak open klootzak”, hoorde ik nu een derde stem zeggen.
Het werd er niet beter op, minstens drie man met messen.
Wapens hadden we zelf ook, maar ik had al snel in de gaten, dat vechten geen optie voor Leon was.
“LEON....”, Maria bleef nu schreeuwen en in de ogen van Leon zag ik dat hij niet wist wat te doen.
“Laatste kans Leon, of je wijf gaat eraan”, riep nu een vierde stem.
Shit, minstens vier man, dit werd een probleem.
“LEON...hij doet het...MAAK OPEN”, krijste Maria.
Ik pakte snel van de wand een mes en een busje pepperspay en stopte beide in mijn achterzak.
Leon keek me alleen maar aan.
“Ik zou maar open maken, anders gaat ze eraan”, zei ik tegen Leon.
Plotseling hoorden we Maria nog harder schreeuwen, “LEON!!!...”.
Aan de geluiden te horen die vervolgens onze kant opkwamen, kon ik opmaken dat Karl zijn dreigementen uiteindelijk had waargemaakt.
Ik liep een stukje de trap op en keek achterom naar Leon, deze zat nu in een hoek van de kamer te snikken.
Onder de rode deur was een kleine opening, vandaar dat alles was aan de andere kant gebeurde zo goed was te verstaan.
Door deze opening kwam nu bloed mijn kant op gelopen en na een paar seconden druppelde het de treden van de trap af.
Die gasten maakte geen grappen en ik vroeg me af hoe ze zouden reageren als ze wisten dat er nog iemand aan de andere kant van de deur was.
Ik nam aan dat ze Leon ook koud wilden maken, want anders zouden ze niet de keel van Maria hebben doorgesneden. Logisch gevolg zou dus zijn om mij ook om zeep te helpen, dat zou ik in hun positie ook doen.

“Leon, dat schreeuwwijf van jouw is nu eindelijk rustig. Waarom maak je de deur niet open, dan kan ik jouw nek ook doornsnijden. Ik wil graag naar huis”, dat was Karl weer.
De vier achter de deur moesten hard lachen en ik kon geen vijfde lach horen.

Het was wel duidelijk dat ze niet uit zichzelf weg zouden gaan.
“Leon je kunt kiezen, of je maakt die deur open en laat je nek doorsnijden, of ik blaas de boel hier op en ga daarna ook nog een bezoekje brengen aan je moeder en je zus”.
Ik keek Leon aan en zag meteen dat hij niets anders meer zou gaan doen, dan in die hoek zitten en naar beneden kijken.
Waarschijnlijk had hij niet eens gehoord wat Karl zojuist zei.
Ik moest handelen, anders zou ik Tess nooit meer zien.

“Hey Hallo”, riep ik.
Er werd niet meteen gereageerd, maar ik hoorde dat ze wel iets tegen elkaar zeiden.
Waarschijnlijk was “Hey Hallo” al genoeg om te horen dat ik niet Leon was.
“Wie ben jij nu weer godverdomme”, riep een van de stemmen, niet Karl.
“Ik was hier om zaken te doen, maar nu wil ik alleen nog maar weg. Ik heb niets gezien en niets hiermee te maken, dus als jullie me laten gaan, dan zorg ik dat Leon de deur open maakt”, riep ik.
Eventjes niets en toen zei Karl, “Okay, als de deur open gaat, mag jij vertrekken”.
Natuurlijk geloofde ik er niets van, maar ik had geen alternatief.
De kans dat ze zouden vertrekken zonder verder iets te doen was nihil en zijn dreigement om de zaak op te blazen, was wellicht bullshit maar ik wilde het risico niet lopen.
“Goed ik geloof je”, loog ik “Geef me eventjes tijd om aan Leon de code te ontfutselen, want ik krijg de deur zo niet open”.
“Okay, snij zijn duim er maar af, dan vertelt hij je de code wel”, zei Karl.
Een lichte glimlach kon ik niet onderdrukken, want dat was precies wat ik enkele momenten eerder had bedacht.
Ik liep naar Leon en ging recht voor hem staan.
“Leon, geef me de code van de deur”, zei ik.
Hij reageerde niet en bleef naar de grond kijken. Ik vroeg het nog een keer maar nu iets harder, nog geen reactie.
Ik boog voorover en mepte hem in het gezicht, nu keek hij me aan.
“Okay Leon, de code”, zei ik rustig.
“Ze maken me van kant, net zoals Maria als ik de deur open maak”, zei hij met een angstige blik in zijn ogen.
“Waarschijnlijk wel, maar als je mij de code niet geeft dan ga je er ook aan en dan op een zeer langzame pijnlijke manier”.
Hij keek naar een Bowiemes dat aan de muur hing.
“Probeer maar”, zei ik.
Hij stond op, liep langzaam naar de muur en pakte het mes.
“Hey schiet eens op”, hoorde ik Karl roepen.
“Moment nog”, riep ik terug.
Leon dacht dat ik niet oplette en kwam met het mes naar voren in.
Ik stapte uit zijn aanvalslijn en pakte zijn arm in een klem genaamd Hiji Kimi Osae.
De klem zat nog niet helemaal goed en ik nam een moment om mijn postie en houding te verbeteren.
Toen zette ik de klem aan en schreeuwde hij het uit van de pijn.
“De code, nog eventjes en hij breekt”
“Okay Okay”, schreeuwde hij uit, “8646”
Dat ging makkelijk, dacht ik bij mezelf.
Ik ontwapende hem en gaf hem met de zijkant van mijn rechter hand een klap in de nek.
Genoeg om hem een minuut of twee onschadelijk te maken.
“Ik heb de code”, riep ik.
“Okay wat is het”, riep Karl.
Ik twijfelde eventjes of ik het gevecht aan zou gaan of niet, maar tegen vier bewapende tegenstanders in deze ruimte zouden mijn kansen minimaal zijn.
Waarschijnlijk maakte ik meer kans hier levend weg te komen, door nog eventjes mee te spelen. Ze zouden immers wel benieuwd zijn naar wie ik was.
“8646”, riep ik.
De deur ging open en het viertal kwam omlaag gelopen.
“Ha, daar ligt de hond”, zei de man voorop aan de stem hoorde ik dat hij Karl was.
Hij was groot, had bruin haar en zat vol tattoeages.
Vervolgens keek hij naar mij, “wie ben jij dan wel niet en wat heb je met die klootzak te maken?”.
Nu kwam het erop aan om cool te blijven. “Ik ken hem nog maar een uur en ben alleen hier om wat spul te kopen, daarna ben ik weer weg. Wat jullie met dat skelet hebben gedaan en met deze eikel gaan doen, zijn mijn zaken niet. Waarschijnlijk krijgt hij zijn verdiende loon”.
Vol spanning wachtte ik hoe Karl zou reageren.
Karl draaide zich om en keek de drie andere mannen aan.
Deze hadden allemaal een kale kop en waren eveneens bedekt met tattoeages.
Hij mopelde iets wat ik niet kon verstaan en draaide zich weer naar mij toe.
“Dat hij zijn verdiende loon gaat krijgen klopt, hij heeft mijn baas twee jaar lang belazerd. Dat dit alles jouw zaken niet zijn klopt ook, maar je begrijpt misschien wel dat ik je niet meteen kan laten gaan”.
Hij bekeek me nog eens van kop tot teen.
“Ik denk dat je maar met ons mee moet komen, dan zullen we wel zien”
Karl liep achteruit en fluisterde iets in het oor van de skinhead die het dichts bij hem stond.
Deze liep met zijn mes vooruit in de richting van Leon en mij.
Ik stond klaar om in actie te komen, maar zag op het laatste moment dat hij alleen in Leon geinteresseerd was.
Hij pakte Leon bij zijn haren en trok zijn hoofd ruw omhoog.
Vervolgens duwde hij een mes in de hals van Leon. Leon’s ogen gingen wijd open en hij greep naar zijn hals. De skinhead trok zijn mes terug en stapte achteruit.
Het bloed spoot alle kanten op en Leon rolde gorgelend over de grond.
Dit duurde ongeveer een seconde of vijftien en toen bleef Leon stil liggen.
Karl liep richting Leon en tilde met de punt van zijn schoen zijn hoofd op. Hij bekeek hem nog eens goed en zei,“heb me altijd aan die klootzak geergerd”, met een dof geluid viel zijn hoofd weer terug op het beton.
“We gaan en jij gaat mee”, zei Karl. Ik werd gefoullieerd en niemand keek op van het mes en de pepperspray in mijn achterzak.

HOOFDSTUK 12.
Eenmaal buiten werd ik door de drie skinheads in een zwart busje gestopt en kreeg ik een blinddoek om.
Voor mijn gevoel waren we een half uur verder toen ik plotseling uit het busje werd getrokken en hardhandig een trap op werd gewerkt.
Toen de blinddoek werd afgedaan stond ik in een lege kamer met twee grote ramen.
Daarna werd ik alleen gelaten.
“Hier wachten en je kop houden”, zei de skinhead die ook Leon’s hals doorboord had.
De deur werd dichtgetrokken en ik was blij dat er voldoende verlichting in de kamer aanwezig was om eens goed rond te kijken.
De ramen waren aan de buitenkant bedekt met tralies en ik zag dat er aan het plafond een camera bevestigd was.
Een ontsnapping leek dus onmogelijk. Er zat niets anders op, dan af te wachten wat er zou gaan gebeuren.
Ik ging in het midden van de kamer zitten en sloot mijn ogen en moest denken aan een bekend zenverhaal.

Er was eens een samoerai die gevangen genomen was door zijn vijanden en in de kerker van het kasteel zat te wachten op zijn onthoofding, die de volgende morgen zou plaatsvinden.
Hij kon de slaap niet vatten, omdat de gedachte aan de volgende morgen hem steeds door het hoofd speelde.
Toen dacht hij aan de woorden die zijn meester ooit tegen hem gesproken had.
“Morgen is een illusie en het heeft dus ook geen nut om je zorgen te maken”
Denkend aan deze woorden viel hij vredig in slaap.

Tenminste ik dacht dat het verhaal zo ging.
Misschien was mijn situatie niet veel anders, weliswaar verwachtte ik niet om onthoofd te worden, maar de kans dat ik koud werd gemaakt achtte ik groter dan vijftig procent.
Hoe ze me om zeep zouden helpen was bijzaak.

Een uur later ging de deur open. Een kleine dikke man stond in de deur opening en achter hem stond Karl en een van de skinheads.
Aan zijn houding kon ik zien dat hij de baas was.
“Hallo, mijn naam is Iwan en ben benieuwd wat jij bij die klootzak van een Leon te zoeken had.”, zei hij.
Ik deed mijn verhaal en liet alleen weg, waarom ik de wapens wilde hebben.
Natuurlijk was dit dan ook zijn volgende vraag.
Het leek me niet verstandig om ook maar iets los te laten over mijn opdracht of Steve Brenner, al verwachtte ik niet dat er ook maar enig verband was tussen deze gasten en de organisatie waar Brenner toe behoorde.
Dit waren lokale gangsters die hun geld verdienden met drugs en prostitutie.
Ik verzon een verhaal, dat niet erg overtuigend overkwam en nog voor dat ik klaar was zei Iwan dat ik mijn bek moest houden en dat hij de waarheid wel uit me zou slaan.
“Probeer het maar”, wilde ik zeggen, maar het leek me niet verstandig om het te provoceren.
Hij draaide zich om en liep weg, de deur werd weer gesloten

Enige tijd later ging de deur weer open en twee kerels, die eruitzagen als bodybuilders, kwamen naar binnen.
De kleinste van de twee sloot de deur en stak de sleutelkaart in zijn achterzak.
De bedoeling lag voor de hand, deze twee gasten zouden me murw slaan, waarna het fijnere werk door Iwan zelf zou worden uitgevoerd.
Ze maakten echter een denkfout en die was dat ik absoluut niet van plan was me door deze twee gorilla’s te laten inpakken.

De grootste van de twee liep om me af en wilde me bij de schouders pakken.
Ik maakte echter snel een stoot richting zijn gezicht en in zijn poging deze stoot te ontwijken boog hij enigszins achterover.
De tijd die hij nodig had om zich te stabiliseren gebruikte ik om zijn rechterhand te grijpen, deze om te draaien en vervolgens in een klem te nemen.
Ik dwong hem op de knieën en gaf hem vervolgens met mijn rechterbeen een trap in zijn ribben.
Zijn partner was nu vlak bij me en ik liet bodybuilder nummer één in zijn aanvalslijn vallen. Hij maakte een sierlijk sprongetje, tenminste zo zag het eruit, over zijn collega en belandde vlak voor me. Helaas voor hem, sloeg zijn enkel dubbel en hij belandde met zijn gezicht plat op de grond. Dit gaf me tijd om nog eens verder te gaan met bodybuilder één, die alweer rechtop stond.
Hij gaf een zijwaartse stoot die ik net op tijd kon ontwijken, daarna volgden nog drie van dit soort stoten die steeds makkelijker te ontwijken waren.
Ik zag in zijn ogen dat hij begreep dat het kunnen bankdrukken van tweehonderd kilo hem hier niet veel voordeel ging bezorgen.
Hij besloot voor een alles of niets aanval te kiezen enstormde op me af met volle snelheid. Toen hij vlak voor me was dook ik naar zijn scheenbenen, hij viel over me heen en belandde hard op de grond. Ik stond snel op, keek naar bodybuilder nummer twee en zag dat deze nog niet bewogen had. Zijn ongelukkige val had er kennelijk voor gezorgd dat hij het bewustzijn had verloren.
Ik draaide me weer om naar mijn aanvaller en zag dat deze op handen en knieën zat en naar de grond keek. Het duurde een moment voordat ik doorhad waar hij zo geobsedeerd naar keek, maar het bleken zijn voortanden in een plas bloed te zijn.
Hij draaide zijn gezicht naar me toe en ik trapte met de punt van mijn schoen onder zijn kaak.
Terwijl hij opzij viel, maakte ik het af met een laatste trap naar zijn gezicht. Hij zou de komende minuten doorbrengen in dromenland.
Bodybuilder nummer twee lag nog steeds stil, ik liep naar hem toe en trapte hem van achteren onder zijn kruis. Hij reageerde niet en dus wist ik dat hij geen bedreiging meer voor me was.
Snel pakte ik de sleutelkaart uit zijn achterzak en liep naar de deur.

Ik moest er vanuit gaan dat men had zitten meekijken via de camera en dat ik dus maar enkele seconden zou hebben voordat er versterking zou aankomen.
De deur ging makkelijk open en ik kwam in een lange hal.
Kijkend naar rechts zag ik Karl en twee skinheads aanstormen, ik maakte me dus uit de voeten.
Het geluk was aan mijn kant want aan het einde van de hal stond Iwan met een fles drank in zijn hand.
Iwan zou mijn ticket naar buiten worden.
Ik rende met volle snelheid naar Iwan en zag hem twijfelen.
Hij besloot over te gaan tot de aanval, waarschijnlijk met de gedachte dat hij me alleen maar lang genoeg bezig hoefde te houden tot Karl en de skinheads de zaak zouden overnemen.
Met de fles omhoog kwam hij me tegemoet.
Toen ik bijna bij hem was maakte ik een sliding en haalde zijn voeten onderuit.
De fles viel op de grond en de dure whisky spatte alle kanten op.
Hij viel en op het moment dat hij weer omhoog kwam gaf ik hem een elleboog op zijn neus.
Ik greep een stuk van de gebroken fles en bracht die richting zijn nek.
Karl en de skinheads waren nu bijna bij me.
“Stop of ik snij zijn nek door”, riep ik. Het gewenste effect werd bereikt.
Iwan bloedde hevig uit zijn neus en riep, “doe wat hij zegt, doe wat hij zegt”.
Ik trok hem aan zijn haren omhoog en zorgde ervoor dat de scherpe punten van de kapotte fles tegen zijn hals zaten.
“Ik ga naar buiten en jullie laten me gaan. Jullie baas overleeft het en ik ben weg, okay?”, riep ik.
“Ja, is goed, luister naar hem”, riep Iwan.
Ik keek Karl aan en deze knikte instemmend.
“Staan blijven”, zei ik en begon achteruit te lopen.

Ik liet me door Iwan vertellen hoe we naar buiten moesten komen en eenmaal buiten liet ik hem een paar blokken mee rennen. Na vijf minuten kon hij niet meer en ik was verbaasd dat hij het überhaupt zover gehaald had.
“Luister”, zei ik, “Ik laat je gaan, ik hoop dat je snapt dat ik je ook van kant zou kunnen maken nu”. Hij zat hijgend op de grond en knikte zijn hoofd.
Het leek me beter om hem niet van kant te maken. Karl leek me het type dat alles zou doen om de dood van zijn baas te wreken.
Als alles meezat zou ik over twee dagen weg zijn uit deze stad.

Ik ging verder in een lichte looppas en liet Iwan achter.
Na een half uurtje kon ik een taxi aanhouden en liet me afzetten bij het kantoor van Brenner. Vanuit daar liep ik terug naar mijn hotel.
Het was al bijna ochtend en ik zag dat er al diverse mensen op weg waren naar hun werk.
In het hotel aangekomen trof ik Jarnisch niet aan bij de receptie.
Ik was niet van plan lang te wachten en besloot de sleutel zelf te pakken.
Toen ik de sleutel van het haakje afhaalde kwam Jarnisch aanrennen. “U mag niet achter de balie komen, als we daar aan gaan beginnen is het einde zoek”, was zijn reactie.
“Dan moet je maar zorgen dat je aanwezig bent, ik ga hier geen half uur wachten”, zei ik.
Hij wilde iets zeggen, maar ik gebaarde dat hij zijn mond moest houden en gelukkig voor mij en hem deed hij dat ook.

Op mijn kamer barricadeerde ik mijn deur op zo’n manier dat het onmogelijk zou zijn om geruisloos binnen te sluipen.
Daarna liet ik me op bed vallen.
Ik dacht nog even na hoe groot de kans zou zijn dat ik nog last zou krijgen met Iwan en Karl, er waren hier veel hotels en ik zat een behoorlijk eind van hun thuisbasis verwijderd.
Ik besloot dat het risico aanvaardbaar was.
Mijn oogleden werden steeds zwaarder en vijf minuten later lag ik te pitten, morgen zou ik Brenner observeren bij zijn lunch en overmorgen zou ik toeslaan en wegwezen.
Ik had rust nodig.

HOOFDSTUK 13.
Het was bijna middag toen ik wakker werd.
Ik voelde me okay en merkte, op een schaafwond op mijn dijbeen na, geen blessures of verwondingen aan gisteren te hebben overgehouden.
Ik deed wat rek- en buikspieroefeningen, kleedde me aan en besloot om ergens te gaan ontbijten.
Het was nog een paar uurtjes voordat ik bij de Red Lion zou moeten zijn en ik had enorme zin in een cappuccino. Tess had haar nicotine en ik had mijn cafeine, gelukkig voor mij was het laatste populair en werd nicotine beschouwd als een langzaamwerkende zelfmoorddrug.
Jarnisch begroette me overdreven vriendelijk toen ik naar beneden liep en vroeg, zoals meestal, of hij iets voor me kon betekenen.
Ik speelde het toneelspel mee en verontschuldigde me voor het wellicht iets te arrogante optreden van gisterenavond laat.
“Geen probleem”, zei hij, “gasten zouden ook niet hoeven te wachten, omdat ik met van alles en nog wat bezig ben”.
Ik lachtte en vroeg, “Jarnisch, als er mensen zijn die mij zoeken of naar mij informeren, vertel je me dat dan?”. Vervolgens duwde ik hem wat geld in handen. Er kwam een brede grijns op zijn gezicht en hij zei, “tuurlijk, tuurlijk, ik laat trouwens nooit wat los over mijn gasten.”.
Ondanks dat ik wist dat hij me zag als een lopende geldautomaat moest ik toegeven dat ik hem toch geloofde.
Hij was het type waar je wel van op aankon, zolang er maar geen al te gekke dingen gebeurden. Zou iemand druk op hem uitoefenen, dan was ik niet zo zeker dat hij zijn mond zou houden.

Ik ging naar een eetcafé en bestelde allereerst mijn cappuccino en vervolgens een uitsmijter.
De bediening was in handen van robots.
Met behulp van een touchscreen kon je de bestelling opgeven en het bedrag dat je verschuldigd was verscheen gelijk in beeld.
Een kwartier later kwam de rijdende monitor terug met mijn bestelling en ik zag dat de uitsmijter niet helemaal voldeed aan de specificaties die ik had opgegeven.
Er was de mogelijkheid om een klacht in te voeren, maar dat was ik niet van plan. Ik keek eens om me heen maar kon niemand van het personeel met een hartslag ontdekken en besloot om het er maar bij te laten.
De cappuccino smaakte verder prima en ik bestelde er nog een, blijkbaar zat er toch wel wat intelligentie in dat ding, want ditmaal was het niet meer noodzakelijk voor mij om een taal te selecteren.

Het weer was aangenaam en ik liep via een omweg terug naar mijn hotel.
Toen ik bijna bij de ingang van mijn hotel was, zag ik plotseling de skinhead, die Leon van kant had gemaakt, naar buiten lopen.
Shit, ze waren toch aan het zoeken, tenminste daar ging ik van uit.
Ik was benieuwd of hij nu wist dat ik er een gast was, maar verwachtte dat Jarnisch zijn mond wel had gehouden.
Toch besloot ik hem te volgen.
Hij liep relaxed en keek op zijn horloge. We kwamen in een buurt waar de helft van de gebouwen eruit zag alsof er zojuist een bombardement was geweest.
Hij begon de slenteren alsof hij niet goed wist waar hij moest zijn. Toen stopte hij voor een huis met zwart geverfde ramen.
De deur ging open en een man met hoed en hoog opgetrokken kraag liep snel naar buiten.
In de deuropening stond een brede vent die de skinhead vriendelijk verzocht om binnen te komen. Ze wisselden een paar woorden en de deur ging dicht.
Ik zocht een onopvallend plekje op en hield het huis enige tijd in de gaten.
Na een kwartier wist ik het zeker, het was een bordeel. Het enige wat me aanvankelijk liet twijfelen was het tijdstip. Wie gaat er nu zo vroeg in de middag naar de hoeren? , maar aan de andere kant waarom ook niet ’s morgens.
Ik stak de weg over en klopte aan, de brede vriendelijk glimlachende, man deed open.
De grote roze bank waarop ik plaats nam zag er vreselijk uit, maar zat wel lekker.
Er werd mij een kop koffie aangeboden en er werd een boek voor mijn neus gelegd.
Ik sloeg het boek open en het stond boordevol foto’s van dames waar je kennelijk uit kon kiezen. Het boek was niets verhullend en bestond eigenlijk alleen maar uit foto’s van vrouwen in pornografische houdingen en naast de foto stond een korte omschrijving van haar karakter, alsof dat er verder wat toe zou doen.
“Ik had eigenlijk afgesproken hier met een vriend van mij”, zei ik. “Heeft u hem niet gezien? , hij zou er eigenlijk al moeten zijn. Kaal hoofd en veel tatoeages”.
“Ja ja”, zei de man, “Uw vriend is een minuut of twintig geleden aangekomen, maar heeft gelijk een dame uitgekozen en is naar boven gegaan”.
“Ha ha ha”, ik vond het altijd moeilijk om zogenaamd te lachen en hoopte maar dat het niet al te gemaakt zou overkomen. “Hij kon zich zeker weer niet beheersen en eventjes wachten. Mag ik vragen welke dame hij gekozen heeft?”.
“Normaal gesproken natuurlijk niet, zei hij, “maar omdat u vrienden bent en toch samen hier heeft afgesproken. De dame op bladzijde vijf”. Ik bladerde in het boek en ging naar bladzijde vijf. Onze vriend mocht dan wel lelijk en kaal zijn, maar smaak had hij wel.
Op bladzijde vijf stond een mooie brunette met ronde stevige borsten en lange benen. Ik zag dat bladzijde vijf ook correspondeerde met kamer vijf.
“Goede keus”, zei ik en bladerde een bladzijde verder.
Op bladzijde zes stond een mollige, zeker niet mooie, vrouw met lang zwart haar.
“Ik neem graag de kamer ernaast”, zei ik en liet hem bladzijde zes zien.
“Prima keus meneer, een momentje a.u.b.”. Het was wel duidelijk dat hij geen goede leugenaar was. De dame op bladzijde zes was veruit de minst aantrekkelijk vrouw uit het hele boek, tenminste voor zover ik het tot nu toe gezien had.
Hij drukte op een knopje aan de muur en ik hoorde een vrouwenstem iets zeggen.
Het verhaal liet zich verder wel raden en nadat hij haar geïnformeerd had over mijn keus zei hij, “de trap op, laatste deur, eerste verdieping. Leest u op haar kamer a.u.b. eerst de huisregels door. We zijn zeer streng in het bestraffen van gasten die zich niet aan de regels houden”. Ik knikte en vroeg me af wat dit bestraffen dan wel niet zou inhouden, “geen probleem”. Ik bedankte hem en riep richting trap, nu pas bemerkte ik de stank die in het hele huis aanwezig leek te zijn en alleen maar sterk werd toen ik de trap opliep.

Toen ik kamer vijf passeerde hoorde ik dat de skinhead volop in actie was.
“Mooi, houden zo”, dacht ik bij mezelf.
Ik klopte op de deur van kamer zes en schrok een beetje toen zij volledig naakt de deur open maakte. Mijn intentie was niet om hier een nummertje te maken, maar zij leek haast te hebben. “Kom binnen lieverd”, zei ze, “neem plaats en relax, hier; lees dit eventjes”. Ze drukte me de huisregels in de hand en ik las een paar regels.
Regel 1. Niet slaan of andere vormen van geweld.
Regel 2. Wanneer u infecties heeft, die niet vallen onder de reguliere geslachtsinfecties, dan is het verboden om onveilige seks te hebben
Regel 3. Alcohol mag alleen aan de bar genuttigd worden.
In totaal veertig regels, waarvan ik me niet kon voorstellen dat de gemiddelde klant die ook echt helemaal zou gaan doorlezen.
Ik keek op vanuit mijn stoel en zag dat Doll, zo heette ze namelijk volgens het boek, recht voor me stond. Buiten Europa werden mollige vrouwen veel meer gewaardeerd dan in Europa. Ik hield persoonlijk niet van al te slanke vrouwen, maar dit was me toch iets teveel van het goede.
Haar grote borsten hingen slap omlaag en beide tepels waren gepierced.
Op haar buik had ze een litteken van een of andere operatie en onder haar navel begon een tatoeage van een zwarte vogel die ophield waar haar schaamhaar begon.
“Ik wil dat je op bed gaat liggen, met je billen omhoog”, ze glimlachte en knikte.
Toen ze lag zei ze, “zou je de kleren niet eens uitdoen”. “Zo meteen”, antwoordde ik.
Ik drukte haar kont omlaag en ging op haar zitten, ze kon het makkelijk hebben.
“Wat ga je doen?”, zei ze enigszins ongerust.
“Niets, relax”, antwoordde ik en pakte haar snel in een wurgklem. Deze klem had ik vaak geoefend en ik wist dat ze niet meer kon schreeuwen, binnen enkele seconden zou ze onder zeil zijn en pas over een kwartier of zo wakker worden.
Dat was tijd genoeg voor mij.
Ik maakte me geen zorgen over camerabewaking. Er hing wel een camera van het merk CAM-SEC, maar als je er enigszins verstand van had dan wist je deze firma al twintig jaar failliet was, omdat hun camera’s nooit langer dan een jaar of twee meegingen.
Doll was aan het slapen en ik kon het niet nalaten om haar een klap te geven op haar billen.
Ik moest in mezelf lachen omdat ik wist dat Tess er een hekel aan had om op haar billen geslagen te worden. Doll zou het niet uitmaken.

Ik sloot de kamerdeur achter me en liep naar kamer vijf.
Er was niemand in de hal en ik hoorde dat de skinhead nog volop bezig was.
Zachtjes draaide ik aan de deurklink en merkte tot mijn verbazing dat deze gewoon open was.
Zeker een van de veertig regels, dacht ik bij mezelf.
Aan het geluid kon ik merken dat ze niets in de gaten hadden en langzaam stak ik mijn hoofd naar binnen.
Het bed stond aan de andere zijde van de kamer en het enige wat ik kon zien was het harige achterwerk van de skinhead, dat snel op en neer ging en twee lange benen die de lucht in staken.
Geruisloos liep ik de kamer in richting het bed.
Toen ik achter het bed stond zag de mooie brunette me. Ik bracht mijn wijsvinger naar mijn mond en gebaarde dat ze stil moest zijn.
Ze keek angstig, maar gehoorzaamde.
Ik verplaatste me nog een beetje zodat ik een perfecte slag kon maken met de zijkant van mijn hand in de nek van de skinhead.
Zijn hoofd sloeg achterover en viel vervolgens weer voorover tegen het hoofd van de brunette.
Ik trok hem van het bed af en hij lag uitgeteld op de grond.
“Hoe heet je?”, vroeg ik aan de brunette.
“Natascha”, antwoordde ze.
“Okay Natascha luister, ik ga deze kloothommel zo meteen van kant maken, als je geen gekke dingen doet laat ik je in leven”, ik keek haar doordringend aan.
“Ik zal niets doen en blijf hier stil liggen, goed?”, zei ze met overslaande stem.
Ik knikte en kon het niet nalaten haar lichaam te bewonderen.
Hoe kwam zo’n mooie meid hier terecht vroeg ik mezelf af, maar er was nu geen tijd om hier naar te informeren.
In de kamer, die trouwens veel mooier was dan de kamer van Doll, stond een kleine
bar, met daarop een aangebroken fles vodka.
Ik pakte de fles, nam een slok en schudde de rest van de fles in het gezicht van de skinhead.
Hij begon te bewegen, maar het zou nog wel eventjes duren voordat ik wat aan hem had.
Op de grond lag zijn broek die ik opraapte en inderdaad zat in zijn achterzak het mes waarmee hij Leon van kant had gemaakt. Ik nam het in mijn handen en zag dat hij zelfs niet eens de moeite had genomen om het goed schoon te maken.
Een minuut of drie later was hij voldoende bij.
“Okay seksmachine”, zei ik, “weten jullie waar ik verblijf?”
Ik gaf hem niet eens de kans om te antwoorden en stak het mes in zijn dijbeen, waarbij ik met mijn andere hand zijn mond bedekte.
“Als je hier gaat liggen schreeuwen moet ik je van kant maken, dat weet je”, zei ik en liet mijn hand gaan.
“Waarom steek je al man, ik wil wel antwoorden”, zei hij met een pijnlijk gezicht.
“Omdat ik denk dat je gaat liegen”, zei ik.
“Klootzak”, zei hij en ik sloeg hem met de achterkant van het mes op zijn voorhoofd.
“Okay zeg het maar, weten jullie waar ik zit?”
Hij begon een beetje in paniek te raken, waarschijnlijk realiseerde hij zicht nu pas dat hij hier wel eens niet levend weg zou kunnen komen. “We weten niet waar je zit en zijn hotels af aan het gaan, zonder succes tot nu toe”, zei hij.
Ik geloofde hem en zei, “in een hotel zul je me ook niet vinden”. Niet omdat ik hem wat wijs wilde maken, want ik zou hem toch om zeep helpen, maar zodat Natascha het ook hoorde.
Mocht Karl erachter komen dat ik hier een van zijn soldaten van kant had gemaakt, dan zou hij waarschijnlijk ook eventjes met Natascha willen praten.
Ik wist genoeg en de tijd begon te dringen. “Okay draai je om dan kan ik je handen vastbinden”, toen hij zich omdraaide stak ik het mes in zijn rug en draaide het rond. Had ik mijn hand niet op zijn mond gehouden, dan had nu het complete bordeel op de gang gestaan.
Mijn rechterhand en mouw zat behoorlijk onder het bloed en ik liep snel naar de wastafel.
“Alles goed Natascha?”, vroeg ik
“Ja Ja, doe me alsjeblieft niets”, zei ze met een huilend gezicht.
“Don’t worry”, zei ik, “je ziet me nooit meer. Blijf nog vijf minuten op bed liggen en daarna mag je bij Doll gaan kijken. Schrik niet, ze is niet dood of zo, alleen eventjes onder zeil”
Ik keek haar nog eens aan en trok de deur achter me dicht.
Snel liep ik door de hal richting trap.
Toen ik de trap afging zag ik beneden alweer de brede portier staan.
“Dat was snel, je vriend is nog steeds boven”, zei hij.
“Ja, ik heb hem eventjes gesproken, die Natascha schijnt echt goed te zijn, want hij was doodmoe, hij blijft nog eventjes liggen”
“Als hij maar betaalt, dan mag hij van mij zo lang blijven liggen als hij zelf wil” zei hij.
“Wil je nog wat drinken?”
“Nee, ik moet eventjes weg, maar kom over een uurtje mijn vriend wel ophalen, okay?”, zei ik.
“Ik vind alles prima”, zei hij, “was Doll naar wens?”
Ik lachte en zei dat ze perfect was en dikte het nog een beetje aan door eraan toe te voegen, dat ik morgen waarschijnlijk weer zou komen.


Terug bij mijn hotel zag ik Jarnisch in discussie met een gast over een onbetaalde rekening.
Hier had ik geen tijd voor.
“Jarnisch, nog bijzonderheden?” vroeg ik.
Wanneer hij de skinhead niet zou vermelden zou ik zo snel mogelijk uit het hotel moeten vertrekken.
“Hey droplul, zie je niet dat wij staan te praten hier”, zei de niet betalende gast.
Hij pakte mijn rechterhand vast en keek me dreigend aan. Ik reageerde met een nikyo klem die hem snel door de knieën liet gaan.
Ik heb eens gelezen dat deze techniek afstamt van de samoerai die hierdoor toch altijd hun zwaard konden trekken, ook al probeerde iemand dit te beletten.
“Betaal je rekening of ik breek nu je pols”, zei ik.
“Goed goed..rustig, ik betaal”, ik liet hem los en hij rende weg.
Jarnisch keek me verbaasd aan, “kun je mij dat ook leren?”, zei hij met een lachend gezicht.
“Niet nu”, antwoordde ik, “Was er nu nog nieuws of niet”
“Ja”, antwoordde Jarnisch, er was hier een kale gast die informeerde naar buitenlanders. Het signalement dat hij gaf van de man die hij zocht leek opvallend veel op dat van jou”.
“Wat heb je gezegd?”, vroeg ik. “Dat er hier geen buitenlanders waren en dat hij beter kon kijken bij de duurdere hotels”, zei Jarnisch.
“Goed gedaan”, zei ik en was tevreden dat ik hem goed had ingeschat.
Ik gaf hem nog wat geld en ging naar boven.

Op de trap kwam ik de niet betalende gast weer tegen.
“Ik ga nu betalen hoor..geen probleem”, zei hij, terwijl hij snel omlaag rende.

HOOFDSTUK 14.
Ik stond voor de ingang van de Red Lion.
De deuren werden weer voor me geopend en al vrij snel zag ik de gastdame van de vorige keer.
Ze glimlachte en vroeg, “zelfde tafeltje?”.
“Dat zou mooi zijn”, antwoordde ik.
Ze liep voor me naar het tafeltje in de hoek, ze droeg dezelfde kleren als de vorige keer. Een zwarte rok en een witte blouse.
Natuurlijk nam ik weer de cappuccino, deze was immers de vorige keer ook heerlijk. Verder nam ik er weer een vodka bij. Honger had ik eigenlijk niet, dus ik bestelde geen eten.
Ik had een stapel papieren meegenomen, waardoor het leek alsof ik een zakenman was, die nog wat papieren zat door te nemen.
In werkelijkheid waren het veiligheidsvoorschriften die ik in het hotel gevonden had.
Ik hield de ingang goed in de gaten en besloot straks nog een keer naar het toilet te gaan, om te kijken of er iets veranderd was ten opzichte van de vorige keer.
Alles was hetzelfde en ik liep langzaam weer terug naar mijn tafeltje.
Ik zag dat de gastvrouw mij onderweg weer gade sloeg, blijkbaar had ze toch nog steeds interesse in mij.
Er waren een stuk of twaalf andere gasten waaronder twee koppeltjes.
Niemand zat dicht bij mij in de buurt en ik was er vrijwel zeker van dat de man die het dichtst bij de ingang zat geen zakenman was, maar een gangster. Al zijn naar mijn mening de meeste zakenmannen een soort van gangsters en alle gangsters zijn tevens zakenmannen.
Iets na twaalven kwam Brenner inderdaad binnen, achter hem liep de Aziaat die ik eerder ook al bij Brenner had gezien.
Daarna kwam er een grote blonde kerel binnen, die ik ook reeds eerder bij Brenner had gezien. Het leek er dus op, dat dit zijn bodyguards waren.
De Aziaat leek me een getrainde vechter in diverse martial arts.
De blonde kerel bewoog zeer soepel, maar niet natuurlijk. Ik vond hem er ook iets te perfect uitzien.
Vanuit mijn ooghoeken hield ik het drietal in de gaten.
Ze namen plaats aan een tafel in mijn blikveld en daar was ik zeer tevreden over.
Brenner zat met zijn rug naar me toe, maar Brenner was voor mij op dit moment niet interessant. Ik moest Brenner koud maken, maar dat zou makkelijk zijn als ik alleen met hem op het toilet zou zijn.
Wat me zorgen maakte waren de bodyguards. De Aziaat onderschatte ik in ieder geval niet en die blonde kerel, waarschijnlijk was hij een cyborg.
Ik zou iets dichterbij moeten komen om eens goed in zijn ogen te kunnen kijken, dan zou ik het zeker weten.
Dit laatste leek me echter geen goed plan, als alles goed zou gaan dan zou ik me niet met hem bezig hoeven te houden.
Steve Brenner bestelde een flinke maaltijd, de Aziaat en Blondie alleen maar iets te drinken.
Blondie zag me kijken en ik deed alsof ik slechts nadenkend voor me uitstaarde. Vervolgens dook ik snel weer in de papieren. Na een paar minuten waagde ik opnieuw een blik en zag dat blondie iets zat te lezen.

De gastvrouw kwam mijn kant oplopen met een dienblad. Ik had nog niets nieuws besteld en ook nog niet om de rekening gevraagd, dus ik vroeg me af wat ze kwam doen.
Ze glimlachte naar me en nam plaats aan het tafeltje naast me.
Het eten was voor haarzelf, ze nam een pauze.
Plots kreeg ik een idee. “Mag ik u wat vragen?”, zei ik. “Ja hoor, gaat uw gang”, zei ze.
“Zou u me geen gezelschap willen houden?”, aan haar blik zag ik dat ze hierop gehoopt had.
“Alleen als je je tegen me gaat zeggen”, zei ze. “Okay”, zei ik.
Ze schoof aan en glimlachte, “Je bent in Moskou voor zaken neem ik aan”, ik knikte en stopte snel de veiligheidsvoorschriften weg, voor ik door de mand zou vallen.
“Bruce”, loog ik en stak mijn rechterhand uit.
“Aangenaam Bruce, mijn naam is Katja”, zei ze.
“Aangenaam Katja”, we lachten beiden.
“Je moet wel voor een groot en rijk bedrijf werken, anders kwam je hier niet eten”, zei Katja.
“Ja de prijzen zijn nogal pittig heb ik gemerkt, maar we doen het inderdaad erg goed en ik dacht waarom zou ik mezelf niet eens trakteren, de zaak betaalt toch”.
“Gelijk heb je”, zei ze.
“Die blonde meneer daar”, ik keek naar het tafeltje van Brenner, “is hij misschien een acteur of zo? , hij komt me zo bekend voor”.
Ze keek richting de tafel en zei, “Nee hoor, hij komt hier bijna altijd met meneer Brenner lunchen, ik geloof dat hij een soort van bodyguard is of zo. Een aparte man, ik krijg geen hoogte van hem”.
Nu wist ik het bijna zeker, een cyborg dus.
We spraken nog wat over verschillende zaken en ik bestelde nog een tweede vodka.
Toen zag ik dat Steve Brenner zijn stoel achter uit schoof, iets mompelde tegen de Aziaat en richting toilet liep.
Wat ik gehoopt had gebeurde inderdaad, de Aziaat en de cyborg bleven aan tafel zitten en Brenner ging alleen naar het toilet.
Misschien waren het goede vechters, maar hun werk als bodyguard namen ze toch niet echt serieus. Wanneer ik in zou moeten staan voor Brenner’s veiligheid, dan zou ik toch op zijn minst controleren of er geen verdachte figuren op het toilet aanwezig waren.
Waarschijnlijk verwachtte Brenner geen aanslag en omdat ze hier elke dag kwamen voelden ze zich op hun gemak.
Katja zei nog iets tegen me en ik reageerde door te glimlachen al had ik er geen woord van verstaan.
Er liep een tweede man naar het toilet en ik zag de cyborg kijken, maar actie ondernam hij niet. Perfect, ze waren echt laks in hun werk.
Toch raar dat een cyborg die werkt als bodyguard zo reageert, misschien was hij niet of niet goed geprogrammeerd.
Een minuut of twee later kwam Brenner uit het toilet gelopen, snoof zijn neus in een papiertje en liep terug richting tafel.
Ik had genoeg gezien, mijn plan zou perfect kunnen werken.
Als alles goed zou verlopen, dan zou Brenner morgen met een doorgesneden keel op het toilet liggen, terwijl ik rustig naar buiten wandelde.
Misschien zou ik zelfs op weg naar buiten een vriendelijk knikje geven aan de Aziaat of de cyborg.
“Dus je wilt wel meegaan?”, ik keek Katja aan. “Euhmm....ja waarom niet”, antwoordde ik, zonder te weten waarheen.
“Ben je wel eens eerder naar een massage salon geweest?”, vroeg ze.
“Nee niet echt, maar ik laat me graag verrassen”, zei ik.
“Welk hotel zit je?”, ik dacht na en ik zou meteen door de mand vallen als ik met mijn huidige hotel op de proppen kwam. “Het mooiste in de stad”, zei ik. “Ah, Imperial dus, da’s duur, je hebt echt wat te besteden”. “Laten we hier afspreken”, zei ik snel, “tot hoe laat werk je?” “Zeven uur”, antwoordde ze. “Okay om zeven ben ik hier bij de ingang”, zei ik.
Ze keek me tevreden aan en zei dat ze weer verder moest met werken.
“Tot vanavond dan”, zei ze.
Ik had dus een date want dat was het waarschijnlijk in haar ogen.
Misschien was het wel goed, want om vanavond alleen op mijn hotelkamer te zitten was niet waar ik nu echt zin in had.
Steve Brenner stond op en de Aziaat en de cyborg volgden zijn voorbeeld.
Ik wilde ze van iets dichterbij bekijken en stond op en deed alsof ik een tijdschrift zou gaan halen.
Toen ik vlak in de buurt was hoorde ik Brenner tegen de Aziaat zeggen, “Hatsu, die afspraak van zo meteen daar moet je maar bij aanschuiven”. Vervolgens draaide hij zich naar de cyborg en zei, “Jij niet Josh, jij kunt die controles doen waar we het eerder over hadden”. De cyborg antwoordde met, “is goed baas”, terwijl de Aziaat alleen maar knikte.
Hatsu en Josh dus, ik hoopte dat ik het niet met hen aan de stok zou krijgen morgen.
Het zou al moeilijk genoeg zijn om Hatsu te verslaan, ik wist niet of het voor mij überhaupt wel mogelijk was om een gevecht van Josh te winnen.
Cyborgs waren sneller en sterker, voelden minder pijn en zijn niet bang.
Ik keek snel in de ogen van Josh, ondanks dat ik dus het risico liep dat hij dit verdacht zou vinden, ik zag dezelfde levenloze blik die ik een paar dagen geleden bij de agent, die me mijn wagen liet verplaatsen, had gezien.
Josh was zeker twee meter of meer en had naast brede schouders en een gespierd figuur, een perfect gezicht. Het enige wat een carrière als fotomodel voor hem in de weg zou staan was een litteken boven zijn linkeroog. Het was een vreemd litteken en had de vorm van een driehoek, net alsof het er ooit bewust een stuk huid was uitgesneden en later weer teruggezet.
Snel pakte ik een tijdschrift en liep terug naar mijn tafeltje.
Toen Brenner het restaurant verlaten had, hield ik het ook voor gezien.
Op de weg naar buiten knipoogde ik een keer naar Katja en deze zwaaide onopvallend terug.
Ze verheugde zich op ons afspraakje en eerlijk gezegd ik ook.

HOOFDSTUK 15.
“Doorrennen, beschutting zoeken”, riep John, “niet liggen kloten daar in dat halfhoge gras”.
Het zweet liep over mijn voorhoofd naar beneden en de jongen naast me zag er ook behoorlijk afgepeigerd uit.
We waren een week op het platteland om een trainingsprogramma af te werken, dat John voor ons had opgesteld.
De andere jongen kende ik pas sinds gisteren en ik zou hem na deze week ook niet meer zien volgens John. Hij heette Maikel en was net zoals ik gek van vechtsport.
Bij aankomst moesten we een kuil graven en deze bedekken met allerlei soorten materiaal, het was onze slaapplek voor een week.
’s Nachts moesten we om beurten de wacht houden. John had gezegd dat hij ons van een afstandje in de gaten zou houden en als we beiden zouden gaan pitten dan zou hij ons de linkerpink afsnijden.
We moesten er beiden hartelijk om lachen en John lachte mee, maar nu achteraf weet ik dat het geen grapje van hem was.

De training omvatte mesvechten, camoufleren, boobytraps leggen, kortom een soort van commando training. Eigenlijk hadden we de grootste lol en het voelde voor Maikel en mij meer aan als een vakantie.
Op de laatste dag moesten we onze kuil weer dichtgooien en zouden we met volle bepakking een kilometer of dertig door heuvelachtig terrein afleggen.
Ik had een superconditie, maar na twintig kilometer door heuvelachtig terrein merkte ik dat je hiervoor een ander soort conditie nodig had.
Maikel was een knappe jongen om te zien en aardig bovendien. Hij bood me die dag diverse malen aan om iets van mijn bepakking te dragen, omdat hij zag dat ik het moeilijk had.

Op het einde van de dag kwamen we bij de Jeep van John aan en konden we onze bepakking achterin gooien. John had nog een verrassing, uit zijn Jeep haalde hij een barbecue plus alle toebehoren en, nog belangrijker, blikken bier en een fles sterke drank.
John begon demonstratief de barbecue op te zetten en begon een heel verhaal te vertellen over de do’s en dont’s om het perfecte vlees te kunnen bereiden. Hij had er duidelijk ervaring in want het duurde niet lang of de barbecue was aan. Maikel hadden ondertussen al de nodige blikken bier achterovergeslagen. Het vlees dat John uit een koelbox haalde was echt en van topkwaliteit, het moest hem een vermogen hebben gekost.
Doordat we zo moe waren van de inspanningen van die dag, sloeg het bier extra hard aan en waren we nog voor het eten stomdronken.
John had een of andere marinade bereid die hij nu met een kwastje over het vlees aanbracht. Je kon goed zien dat hij er plezier in had en vertelde dat de ingredienten van de marinade alleen aan hem bekend waren en dat na zijn dood dus nooit meer iemand zo’n perfect stuk gemarineerd vlees zou eten, dan wij op het punt stonden om te doen. Ik moest inderdaad toegeven dat het vlees geweldig smaakte en dat me zelfs vandaag de dag nog het water in de mond liep als ik aan de maaltijd dacht.
Na het achterover slaan van diverse stukken vlees lagen we languit op het gras na te genieten. Maikel en ik hielden onze handen op de buik die helemaal vol zat met alcohol en vlees. Ik was blij dat we alleen nog maar hoefden te relaxen van nu af aan, dit bleek echter een misvatting te zijn.
Na het aanhoren van enkele sterke, maar zeer amusante, verhalen van John stonden we op het punt om naar huis te gaan, toen John zich plots omdraaide.Hij keek ons serieus aan, “jongens ik heb nog een laatste verassing”.
“Nou laat maar komen”, riep ik, “als het maar niet nog zo’n wandeling is”
“Nee, niet bepaald”, antwoordde hij. “Jullie weten ondertussen waarom ik jullie opleid en dat jullie straks in dienst treden van de organisatie. Niet een gewoon dienstverband, maar een verbintenis voor het leven”, we luisterden aandachtig en knikten beiden. Het verhaal hadden we al eerder gehoord.
“Echter, je kunt iemand alle kennis die een moordenaar moet hebben bijbrengen, of hij echt geschikt is zal moeten blijken uit de praktijk. Soms blijkt iemand niet te voldoen aan de verwachtingen die aan hem gesteld worden. De organisatie wil dit ten koste van alles vermijden. Er is besloten onze moordenaars er niet op uit te sturen, voordat ze daadwerkelijk iemand in koele bloede hebben omgebracht”, John keek ons aan en ik voelde dat hij het niet leuk vond wat hij nu ging zeggen. “Voor één van jullie beiden was dit een laatste avondmaal”
Ik keek Maikel aan en deze haalde zijn schouders op en wilde een grappige opmerking gaan maken. John gaf hem niet de kans, “wat ik dus bedoel is, dat slechts één van jullie hier levend weggaat. De ander blijft hier achter onder de graszoden”.
Maikel en ik keken elkaar nog een keer aan.
“Je bedoelt dat we elkaar moeten vermoorden?. Dat doe ik niet, dat zou waanzin zijn. Waarom?”, zei Maikel.
“Zo moet het gebeuren”, zei John, “er is geen andere keus”.
“Ik weiger”, zei Maikel. “Gaat niet”, was John’s reactie.
John liep naar de Jeep en opende zijn dashboardkastje, toen hij zich weer omdraaide had hij een Glock in zijn handen. Het was het laatste model van het wapen. Ik had er over gelezen dat de kogels uit een soort van vloeistof bestonden en je op het wapen de mogelijkheid had om het kaliber te bepalen. Waardoor het dus mogelijk was om naast het gebruikelijke kaliber, bijvoorbeeld ook te kiezen voor negen milimeter.
“Wie weigert wordt neergeschoten, sorry jongens het is niet anders”, hij richtte het wapen vervolgens op Maikel.
Tot nu toe had ik niets gezegd, maar ik wilde niet dat Maikel op deze manier aan zijn einde zou komen.
“Dat de beste mag winnen”, riep ik en Maikel keek me aan.
We namen iets meer afstand van elkaar en ik maakte me op voor een wapenloos gevecht.
“Wacht eventjes”, riep John en ik zag dat hij in zijn linkerhand nu een Japanse tanto had.
Hij gooide het mes over ons heen in het hoge gras. Maikel en ik keken elkaar aan de keus was of elkaar nu aanvallen of proberen het mes te bemachtigen en zo een groot voordeel ten opzichte van de ander.
Ik bewoog als eerste en ging voor het mes, Maikel rende achter me aan. Ik dook naar de plek waar ik dacht dat het mes was terechtgekomen.
Terwijl mijn handen door het hoge gras zochten, zag ik dat Maikel een meter van me vandaan lag en hetzelfde deed.
Ik begon te twijfelen of door zoeken wel de juiste keuze was en besloot tot de aanval over te gaan voordat Maikel het mes vond.
Ik kwam omhoog en sprong op Maikel’s rug. Het idee was om hem van achteren in een wurggreep te pakken. Op het laatste moment echter, draaide Maikel zich om en ik zag dat hij in bezit was van de tanto.
Shit, hij hield het mes in de richting van mijn gezicht, alleen door een reflex lukte het me om zijn handen weg te duwen. Echter niet ver genoeg, ik voelde een stekende pijn in mijn rechter bovenarm.
Met mijn linkerhand stootte ik naar Maikel’s gezicht en het lukte me om van hem af te rollen.
Ik bloedde als een rund en de tanto stak nog steeds in mijn bovenarm.
Op dat moment beschouwde ik Maikel totaal niet meer als een vriend, maar nam mijn instinct tot overleven het volledig over.
Maikel zag een veranderende blik in mijn ogen en deed een paar stappen achteruit.
Ik trok het mens uit mijn arm en liep op Maikel toe. Hij nam de gevechtshouding aan die we die week zo vaak geoefend hadden.
Met volle snelheid ging ik op hem af en deed iets wat hij niet verwachtte, ik gooide het mes onderhands.
Ons was altijd geleerd om als je slechts een mes hebt, er niet mee te gooien.
Zou je je doel missen, dan was je niet alleen je wapen kwijt, maar had je tegenstander het.
Ik wist dat Maikel dit niet verwachtte en daarom was hij ook te laat met een ontwijkende of afwerende beweging.
Het mes belandde in zijn lies en hij dook voorover met zijn bovenlichaam.
Deze beweging gaf me de kans zijn hoofd vast te pakken en terwijl ik zijn hoofd omlaag duwde kwam mijn knie omhoog. Door de impact van mijn rechterknie klapte hij achterover en belandde in het gras, het mes nog steeds in zijn lies.
Ik wist dat het voorbij was, hij was nog niet knock-out, maar ook niet in staat om nog iets te doen. Snel trok ik het mes uit zijn lies en zag een straal bloed naar boven spuiten.
Het was voorbij. Ik draaide me om en keek naar John.
“Afmaken”, zei John en keek me koud aan.
Ik draaide me om en knielde naast Maikel. Nu hij geen gevaar meer vormde zag ik hem weer als een vriend waarmee ik een fantastische week beleefd had.
Maikel keek me angstig aan, maar zei niets.
“Sorry”, zei ik en stak de tanto in zijn borst. Zijn hoofd draaide van me af, het was voorbij.
Een minuut lang kon ik niet bewegen en toen ik omhoog kwam ging ik over mijn nek.
Ik voelde John’s hand om mijn rug, terwijl ik de volledige barbecue maaltijd in het gras deponeerde.
“Da’s normaal”, zei hij, “de volgende keer is het een stuk makkelijker”.

De wond in mijn bovenarm bloedde nog steeds heftig en John zei, “daar moeten we even iets aan doen”. Hij liep naar de jeep en kwam terug met een EHBO-kit. Hieruit haalde hij naald en draad en zei dat ik moest gaan zitten.
Toen hij de naald in mijn arm stak, vertrok mijn gezicht.
Lachend keek hij me aan en zei dat ik me niet moest aanstellen.
“Na vandaag zul je me minder vaak gaan zien. Je hebt vandaag bewezen dat je kunt doden”, zei hij.
“Volgende week krijg je de opdracht om iemand te doden die je niet kent. Maak je maar niet teveel zorgen hierover. Het is meestal een drugsdealer of zo, in ieder niet iemand waarover getreurd hoeft te worden.”

Een half uur later duwde John me een schep in de handen en wees naar een plek in het gras.
“Daar graven”, zei hij. Ik zei niets en deed wat me was opgedragen.
Toen de kuil diep genoeg was stopte ik en liep naar Maikel toe. Ik pakte hem bij de voeten en sleepte hem naar het gat.
Ik wilde de schep weer pakken om het gat dicht te gooien, maar John had hem al in zijn handen. “Rust jij maar eventjes uit”, zei hij, “je hebt het goed gedaan”.
Ik ging in de Jeep zitten en zag in de spiegel hoe John zich in het zweet werkte om het gat dicht te gooien. Ik dacht aan Maikel en stelde mezelf gerust met de gedachte dat hij het me niet kwalijk zou nemen. Hij was immers als ik.

HOOFDSTUK 16.
Het was iets voor zevenen en ik stond bij de ingang van de Red Lion.
Katja kwam om stipt zeven uur naar buiten en leek oprecht blij om me te zien.
“Hoi, fijn dat je er bent”, zei ze.
Ze pakte me onder mijn arm en we liepen de straat uit.
De ingang van de massage salon zag er een beetje verwaarloosd uit, maar dat was bij de meeste gebouwen in deze straat het geval.
Echter, toen we binnenkwamen veranderde dat.
Het zag er uit als een kruising tussen een Turks bad en een Aziatische massage salon.
Een sexy geklede dame kwam ons tegemoet en vroeg wat de wensen waren.
Katja antwoordde, “gemengde massage en daarna wat drankjes in de ontspanningsruimte”.
“We hebben een nieuwe sauna”, zei de ontvangstdame.
“Nee, dank u, ik kan niet zo goed tegen de warmte”, antwoordde Katja.
We werden naar een klein kamertje begeleid en achter ons werd de deur gesloten.
“Wat nu?”, vroeg ik. In de kamer stonden twee stoelen met op beide een grote handdoek en verder was er helemaal niets.
Katja lachte en zei, “nu kleden we ons uit”.
Ze draaide zich om en deed haar rok uit. Ze had zwarte panty kousen aan, vervolgens begon ze haar blouse los te knopen.
Dit kon spannend worden, gemengde massage was dus echt gemengd.
Ik begon ook wat kleren uit te trekken, maar bleef toch naar haar kijken.
Ze stond met de rug naar me toe gedraaid, maar was duidelijk niet bang om bekeken te worden

Dit had ik niet verwacht. Ze had mooie stevige benen op haar rechter bovenbeen had ze een litteken. Ze had zwart schaamhaar en door haar navel zat een piercing.
Ze had mooie grote stevige borsten en grote donkere tepels.
“Vind je mijn lichaam mooi?”, zei ze en ik antwoordde “heel mooi”.
Ze pakte de handdoek en sloeg die rond haar lichaam.
“Kom”, zei ze en deed een deur open naar een volgende kamer. Snel trok ik mijn resterende kleren uit sloeg de handdoek rond mijn middel en volgde haar.

In de massage kamer stonden twee massage tafels en een mooie Aziatische dame wenkte me naar haar tafel.
Katja ging naar de andere tafel, waar een hoogblonde gespierde jongeman al voor haar klaar stond.
Eenmaal op de tafel werden de handdoeken verwijderd en terwijl Katja en ik elkaar aankeken, werden we heerlijk gemasseerd.
Niet zomaar een massage, je kon merken dat ze erg goed waren.
Ik kreeg een compliment over de soepelheid van mijn spieren en de Aziatische schone vroeg of ik veel aan sport deed. Ik vertelde haar een beetje over mijn vechtsportverleden en kwam erachter dat ze zelf een redelijk verdienstelijk aikidoka was.
De massage duurde zeker een half uur en ik voelde me als herboren toen hij eenmaal afgelopen was.
Ik bedankte Ling, zo heette ze namelijk en zag dat Katja ook zeer tevreden was met haar eigen blonde god.

Na de massage kwamen we in een vertrek waar thee werd geserveerd en er ontspannende muziek werd gedraaid.
Er hing een vreemde lucht en ik liet me door Katja vertellen dat deze een soort kalmerende werking had. Na een tijdje begon je de werking inderdaad te voelen en kwam je terecht in een soort van roes, waarin alles er nog beter uitzag.
In de hoek zag ik een koppel vrijen en ik begreep dat er niet veel taboes waren.
Katja en ik gingen niet zo ver. Ik voelde me weliswaar tot haar aangetrokken en ik was er zeker van dat dit ook voor haar gold, maar het was duidelijk dat zij niet de eerste stap zou zetten en ik was niet het type om me in een openbare ruimte te laten gaan.
We genoten van elkaar en de heerlijke thee en stonden om tien uur weer buiten. Eenmaal buiten voelde ik me niet zo lekker, maar Katja had me hier al voor gewaarschuwd en zei dat dit gevoel slechts enkele minuten zou aanhouden.

Ik stelde voor haar naar huis te begeleiden en was in gedachten alweer bezig met mijn opdracht die ik morgenvroeg zou uitvoeren.
Gelukkig hoefde Katja morgen niet te werken en zou me dus ook niet in de weg lopen.
Ze woonde in een ondergronds flatgebouw. Het type dat slechts gedurende een aantal jaren gebouwd werd, omdat bleek dat er toch teveel nadelen aan kleefden.
Het was weliswaar een mooie oplossing in verband met het grote aantal inwoners van deze stad, maar ondanks de lage huurprijs en de grote appartementen wilden de meeste mensen liever toch niet onder de grond wonen. Gevolg hiervan was dat de al lage huurprijs voor een ondergronds appartement nog lager werd. De mensen die er woonden hadden blijkbaar geen moeite met het kunstmatige zonlicht, dat volgens de experts in niets verschilde van echt zonlicht.
Bij de ingang van de flat stond een portier die om een ID-kaart vroeg. Katja liet weten dat ik een gast was en blijkbaar was dit genoeg om binnen te komen.
We stapten in de lift en gingen naar niveau 20, dat wilde zeggen tweehonderd meter onder de grond.
In de lift zag ik een scanner hangen die controleerde op vuurwapenbezit.
Haar appartement was zeer ruim en mooi ingericht. In de hoek van de woonkamer stond een zeer groot terrarium met daarin een koningscobra.
Ik was, zoals veel mensen, altijd al gefascineerd geweest door slangen. Ik durf ook wel te beweren dat ik er veel van weet.
De koningscobra is een van de meest bijzondere slangen ter wereld. Het gif is een perfecte mix van hemo- en neurotoxinen en een beet is zeker dodelijk en een beet bevat voldoende gif om veertig mensen mee te kunnen doden.
Ik staarde enkele minuten gefascineerd naar de slang en Katja keek met me mee.
“Weet je wat ik het mooiste vindt van deze slang?”, zei ze, “de koningscobra is monogaam, ze zoeken een partner en blijven bij dezelfde partner gedurende hun hele leven. Zou je niet verwachten van een slang hè?” Ik schudde van nee en glimlachte.

Ik liep naar haar “raam” en speelde wat met de afstandsbediening. Allereerst koos ik zomerdag en zag door het raam een mooi bosrijk gebied met een felle zon. Ik moest toegeven dat de zon inderdaad niet van de echte te onderscheiden was.
Vervolgens koos ik voor het “zeeraam” en keek uit over de Atlantische Oceaan.
Andere opties waren vliegtuig en onderwater, waarvan de laatste veruit het interessantste was.
Je kon niet alleen genieten van mooie vissen, maar er was ook nog een optie om bijvoorbeeld te kiezen voor prehistorie. Door het raam zag je gigantische monsters voorbij zwemmen die blijkbaar duizenden jaren geleden op deze aardkloot leefden.
Ik kon me voorstellen dat je hier wel een paar avonden mee zoet zou zijn.
Katja kwam naast me staan en sloot de gordijnen. “Waarom heb je gordijnen, ben je bang dat de zeemonsters je in de gaten houden?”, grapte ik.
“Boven de grond zou ik ook gordijnen hebben gehad”, zei ze en vroeg me vervolgens wat ik wilde drinken.
Ik koos voor een vodka en ze kwam met een koele fles terug uit de keuken.
Toen ik ging zitten op de bank, kwam ze naast me zitten en deed haar schoenen uit.
Ze stelde voor dat ik hetzelfde deed en samen lagen we op de bank.
Katja vertelde me over haar jeugd en haar ouders en over haar wens ooit nog eens naar de Europese Unie te verhuizen. Aan de andere kant was ze wel tevreden over haar baan in het beste restaurant in Moskou en wist niet zeker of het verstandig was om zoveel zekerheid op te geven en elders een nieuw bestaan op te bouwen.
Helaas kon ik niet vrijuit spreken en verzon een vrij algemeen verhaal dat ik van tevoren al eens had doorgenomen.
Rond twaalf uur gaf ik haar een kus en namen we afscheid.
Ik zei haar overmorgen wel weer te zullen zien in het restaurant en dat we misschien nog wel een keertje zouden kunnen stappen.
“Lijkt me leuk”, antwoordde ze en lachte me toe.
Ik wist echter dat als morgen alles soepel zou verlopen, ik overmorgen weer thuis zou zijn.

HOOFDSTUK 17.
De volgende morgen werd ik om zeven uur wakker door het geschreeuw op de gang.
Het gebrek aan luxe stoorde me totaal niet, maar het geschreeuw van de meeste gasten hier begon me nu toch wel langzaam op de zenuwen te werken.
Gelukkig, als alles meezat, kon ik hier snel weg.
Ik stapte onder een koude douche en trok snel wat aan. Mijn maag was niet helemaal okay, maar ik wist dat het gewoon zenuwen waren. Zenuwen en angst zijn geen probleem, sterker nog ze kunnen zelfs in je voordeel werken. Je moet alleen wel weten hoe er mee om te gaan.
Het slechtste wat je kunt doen is deze gevoelens ontkennen, want weggaan doen ze toch niet. Je moet er gewoon mee leren omgaan.
Ik nam een flink ontbijt buiten de deur, niet dat ik er echt zin in had, maar ik wilde graag een goede basis in mijn maag hebben.
Terug in het hotel wilde Jarnisch een praatje met me maken, maar ik zei dat ik het te druk had om te praten en liep gelijk door naar boven.
Ik mediteerde en deed wat oefeningen.

Om halftwaalf stond ik voor de ingang van de Red Lion, met in mijn achterzak het mes dat ik eerder had afgenomen van de skinhead. De portier groette me vriendelijk en ik zag dat hij me herkende. Eenmaal binnen vroeg ik om hetzelfde tafeltje als de vorige keer.
Ik nam alvast een cappuccino en zei dat ik nog eventjes wilde wachten met het bestellen van mijn lunch.
Ik ging gelijk naar het toilet en controleerde of er nog iets bijzonders was, dit was echter niet het geval.
Alles leek perfect en ik probeerde zoveel mogelijk relaxed te blijven en rustig te wachten op de komst van Steve Brenner, de Cyborg en de Aziaat.
Een paar minuten voor twaalf bestelde ik iets te eten. Ik bestelde nummer vijftien en had geen idee wat het eigenlijk was. De gastvrouw, die er een stuk minder aantrekkelijk uitzag dan Katja, vroeg nog of ik er saus bij wilde. Ik schudde van nee.
Iets na twaalven kwam Steve Brenner binnen, echter niet gevolgd door de twee bodyguards die ik verwachtte. Achter hem liep een grote neger met groen haar en in beide oren een grote gouden oorbel.
Dit was niet verwacht, maar hoefde niet te betekenen dat ik mijn opdracht niet zou uitvoeren.
Brenner nam weer plaats aan hetzelfde tafeltje en leek enigszins gehaast. Hij bestelde meteen en begon wat papieren die hij uit een klein koffertje haalde, door te nemen.
Ik kreeg mijn lunch geserveerd en knikte vriendelijk naar de gastvrouw.
Net toen ik wilde opstaan om me op het toilet te stationeren schoof Brenner zijn stoel achteruit en stond op.
“Shit”, hij ging nu al naar het toilet en gaf me niet de kans om hem voor te zijn. De grote neger stond ook op en liep voor hem uit.
Misschien een geluk bij een ongeluk, want hij leek zijn beroep wel serieus te nemen.
Hij ging voor Brenner het toilet in en kwam, terwijl Brenner eventjes buiten wachtte, na enkele seconden alweer naar buiten.
Ik zag dat hij niet direct voor de toiletdeur bleef wachten en besloot het erop te wagen.
Wanneer ik het toilet naar binnen zou gaan, zou ik een paar seconden wachten om te kijken of ik door hem gevolgd werd. Zo niet, dan zou ik toeslaan en Brenner van kant maken. Zou hij wel naar binnen komen, dan was ik er nog niet helemaal uit. Ik kon hem moeilijk inschatten, qua kracht was hij zeker superieur aan me, maar ik was dan ook niet van plan om met hem te gaan worstelen. Maar ik moest nu handelen, want anders zou Brenner het toilet alweer verlaten hebben.

Toen ik bijna bij de deur was keek ik vanuit mijn ooghoeken naar de neger en zag dat hij hetzelfde deed naar mij toe.
Deze jongen was alert, maar hij maakte geen aanstalten om mijn richting op te komen.
Ik had de deurklink nog niet in mijn handen, of ik hoorde iemand roepen “Bruce...Bruce !!”
Het duurde eventjes voordat ik me realiseerde dat het Katja was, ik draaide me om en zag haar mijn kant op lopen. “Damn”, wat deed zij nu hier? Ze had een vrije dag.
“Ik dacht ik verras je, is okay toch?”, waarschijnlijk zag ze aan mijn ogen dat ik er niet op zat te wachten.
“Ja, ja natuurlijk”, stamelde ik, “ik had er alleen niet op gerekend. Ik zit op dezelfde plek als gisteren, neem alvast plaats, dan ga ik alleen eventjes naar het toilet”.
“Is goed”, zei ze en ik ging naar binnen.
Brenner stond zijn handen te wassen en keek eventjes in de spiegel. Ik zei goedemiddag en deed alsof ik mezelf ook eventjes wilde verfrissen. Terwijl ik op hem toeliep haalde ik met mijn rechterhand het mes uit mijn achterzak. Ik zou het echter in zijn nek planten en vervolgens gelijk weer het toilet verlaten. Katja zou me naar buiten zien lopen, maar ik zou spoorloos zijn tegen de tijd dat ze zelf buiten zou zijn.
Ik had het mes nog maar net in mijn handen toen de deur achter me open ging, het was de neger. Eerlijk gezegd had ik niet meer verwacht dat hij nog achter me aan zou komen, maar nu hij er eenmaal was moest ik met hem afrekenen.
Ik draaide me naar hem om en keek hem aan. Hij keek over mijn schouder naar Brenner en zei, “Baas naar buiten en naar de auto, ik ruim deze klootzak hier op”.
Hij reageerde niet op mijn eerste schijnbeweging en ik had gelijk in de gaten dat deze gast vechten kon. Hij kwam langzaam op me af en ik ging recht op hem af. Hij bewoog handig uit mijn aanvalsrichting en stuurde me door. Ik knalde tegen de deur en toen ik omhoog kwam had ik een rechtse directe op mijn kin te pakken. De deur knalde ditmaal open en ik rolde terug in het restaurant. Deze gast kon boksen en wat ik dus niet moest doen is mee boksen.
Ik stond weer op en zag hem uit het toilet achter me aankomen. Achter hem rende Brenner naar de uitgang. Het was mislukt. Ik zou niet binnen enkele seconden met deze tegenstander kunnen afrekenen, sterker nog; op het moment was hij nog steeds in het voordeel. Ik had weliswaar mijn mes nog steeds in mijn rechterhand, maar ik voelde dat de wereld om me heen draaide en ik niet stevig in mijn schoenen stond.
Ik hoorde Katja schreeuwen en zag mijn tegenstander op me af komen.
Hij opende zijn jasje en haalde een stiletto tevoorschijn, met het mes op me gericht kwam hij nog dichterbij.
Regel één in een mes tegen mes gevecht is, dat je er vanuit moet gaan om geraakt te worden.
Wanneer er twee mannen vechten met een mes en beide zijn getrainde mesvechters, dan beland er eentje in het mortuarium en de ander in het ziekenhuis.
Het mortuarium trok me niet zo en het ziekenhuis zou voor mij op hetzelfde neerkomen.
Brenner was ontsnapt en wanneer hij zou horen dat ik het overleefd had en met een ziekenwagen was afgevoerd, dan zou er ongetwijfeld een mannetje naar het ziekenhuis gestuurd worden.
Ik maakte een paar schijnaanvallen, niet zozeer om mijn tegenstander te verwarren, maar om tijd te winnen. Het duizelige gevoel in mijn hoofd begon langzaam weg te zakken.
Plots zag ik Katja achter hem verschijnen met in haar hand een volle fles wijn. Die meid had lef, ze maakte zich klaar om de fles achter op zijn schedel te slaan, maar door een achterwaartse trap werd ze enkele meters achteruit gelanceerd.
Ze klapte tegen de muur en bleef stil liggen. Deze gast was sterk, kon goed boksen, was niet bang en had een goede trap. Dus was ik heel blij met het mes in mijn handen. Op een tafel naast me lag een zilveren dienblad. Ik ging ervoor, hij dacht zeker dat ik hem direct zou aanvallen want hij probeerde het niet te voorkomen. Met het dienblad in mijn handen naderde ik een paar passen en gooide het onverwachts onderhands naar zijn gezicht. Het was te dichtbij om te ontwijken en hij moest zichzelf beschermen door beide armen voor zijn gezicht te kruisen. Het dienbord raakte zijn gezicht niet, maar hier had ik op gerekend. Na de worp viel ik met volle snelheid aan. Hij had onvoldoende tijd om zich voldoende te herstellen. Mijn mes drong zijn borstkas binnen, terwijl zijn mes me slechts aan de zijkant van mijn bovenarm raakte. Een vleeswond, die weliswaar bloedde maar verder niets voorstelde, was het gevolg.
Ik trok mijn mes omlaag en draaide het rond in zijn borstkast. Hij zakte door de knieën en keek me met open mond aan. Hij liet het mes in mijn bovenarm los en zijn armen zakten omlaag naast zijn lichaam. Ik trok het mes uit mijn arm en plantte het in de zijkant van zijn nek. Hij viel voorover met zijn gezicht plat op de grond, het was voorbij.
Ik liep naar Katja en keek haar aan. Ze hield haar handen tegen haar ribben en keek met een door pijn verscheurd gezicht. “Laat me eventjes kijken”, zei ik en verplaatste haar handen. Ik voelde zachtjes aan de pijnlijke plek en ze kreunde van pijn. “Waarschijnlijk een gebroken rib”, zei ik, “beweeg maar niet tot de ambulance arriveert”.
“Wat was dit allemaal, waarom probeerde die man je te doden”, vroeg ze. Ik wist niet goed wat te antwoorden en zei dat ik het ook allemaal niet wist. “Katja, het spijt me maar ik moet gaan”, waren mijn volgende woorden. Terwijl ik opstond, keek ze me met een verbaasd, vragend gezicht aan. Dit was kloten, ze had haar leven voor mij gewaagd en ik liep nu gewoon weg, waarschijnlijk zou ik haar nooit meer zien. Ik draaide me om en liep naar de uitgang.
“Bruce...wat is er?, waar ga je heen ? .....Bruce !!”, ik moest moeite doen om niet achterom te kijken. Ik liep snel door en verliet het restaurant. Eenmaal buiten was er natuurlijk geen spoor meer van Brenner te herkenen. Ook de Sodara was nergens te herkenen.
Wat moest ik nu doen? Mijn geest ging duizend verschillende kanten op. Brenner zou zonder twijfel terug gaan naar zijn kantoor, daar was het immers veilig voor hem.
Het zou zeer moeilijk worden om hem na deze mislukte poging nog te pakken te krijgen.
Vanaf nu zou hij constant omsingeld zijn door bodyguards. Verder zou hij zijn bureau waarschijnlijk voorlopig ook niet meer verlaten.
Ik voelde hoe het bloed langs mijn arm omlaag liep en via mijn hand op het trottoir druppelde. Verder realiseerde ik me dat als ik me nu niet uit de voeten maakte, ik ongetwijfeld heel wat uit te leggen zou hebben aan de lokale politie.
In een lichte looppas verwijderde ik me van het restaurant en ging op in de massa.
Ik zocht een klein restaurant op waar ik de wond op het toilet zou kunnen verzorgen.

HOOFDSTUK 18.
Het was een week na het gevecht met Maikel, toen John me opzocht.
Ik vertelde hem dat ik moeite had met slapen, omdat ik Maikel’s gezicht voor me zag als ik mijn ogen sloot.
Hij zat aan de tafel tegenover me en tikte met de vier vingers van zijn linkerhand op tafel.

John miste zijn pink, niet door geboorte of een ongeluk, maar door “Yubitsume”.
Dit is het afsnijden van de pink als straf opgelegd door een meerdere. Ik had al een paar keer lopen vissen en toen we een avond iets te veel gedronken hadden, vertelde hij me het verhaal.
Hij was nog jong en werkte pas vier jaar voor de organisatie. John was gestationeerd in Japan en werkte als bodyguard voor een Oyabun. Het speelde rond de tijd dat de naam van de stad Tokio weer werd terugveranderd in Edo.
Op een avond kreeg hij de opdracht om te passen op de dochter van een of andere baas.
Ze was begin twintig en zag er prachtig uit, haar karakter was helaas minder mooi. Ze provoceerde mannen en haar gedrag leidde tot menige woordenwisseling met de uitsmijters van de talloze nachtclubs. Elke keer kon John als reddende engel optreden en toen hij op het eind van de avond genoeg van kreeg en er iets van zei, gooide ze een drankje in zijn gezicht.
Hij verloor zijn geduld en gaf haar een klap met de zijkant van zijn hand, ze gleed uit en belandde met haar hoofd ongelukkig tegen een stuk wanddecoratie. Haar wenkbrauw lag helemaal open en ze flipte compleet uit.
John bracht haar naar een ziekenhuis, waarop dat moment geen gediplomeerde verpleegkundige beschikbaar was voor het maken van een paar hechtingen. Ze bleef schelden en toen ze John nog een keer tegen zijn benen trapte was voor hem de maat vol.
Hij sleepte haar aan haar haren uit het ziekenhuis en bracht haar terug naar haar hotel.
Wat er verder allemaal precies is gebeurd, weet ik ook niet, maar het ging in ieder geval allemaal behoorlijk fout die avond.
John werd de dag erna op het matje geroepen en kreeg te horen dat het uitdelen van een klap aan de dochter van een baas niet geaccepteerd kon worden.
Waarschijnlijk was het gedrag van de dame in kwestie algemeen bekend en John had inmiddels bewezen een waardevolle kracht te zijn. Hierdoor zou “Yubitsume” voldoende straf zijn.
Men krijgt een doos toegeschoven met daarin een vlijmscherpe tanto, een witte doek en een stukje leer. Je bindt het stukje leer strak om je pink en snijdt vervolgens je pink af vlak onder het eerste vingerkootje. Je vinger leg je in de witte doek en schuift hem richting de persoon die de ceremonie leidt.
Waarschijnlijk staat er nu nog ergens in Edo een potje bij iemand thuis met daarin John’s pink. John zei me dat hij zijn pink terugwilde voordat hij met pensioen ging. Ik weet eigenlijk vandaag de dag nog niet of dit een grap was of niet.

“Maak je geen zorgen over nachtmerries of slechte gedachten, dat hoort er nu eenmaal bij”, zei John. “Waarschijnlijk wordt het na vanavond al een stuk minder”
Ik keek hem aan en wist al wat de bedoeling was, “Wat gaan we doen dan vanavond?”, vroeg ik.
Hij pakte uit zijn binnenzak een polaroidfoto en schoof die over de tafel naar me toe.
“Deze klootzak heet Denzel, het is een drugsdealer, die ook nog eens op kleine kinderen valt.
Je zult de wereld een plezier doen, door hem vanavond op te ruimen”, zei hij.
Ik bekeek de foto en zag zuid-Europese man die duidelijk niet veel geld uitgaf aan zijn garderobe. “Is dat de laatste? Krijg ik hierna een echte opdracht ?”, vroeg ik.
“Ja, met het opruimen van deze klootzak bewijs je geen moeite te hebben met doden”, antwoordde John. “Ik heb Maikel toch al ...”, nog voordat ik mijn zin kon afmaken onderbrak John me. “Dat was anders, dat was hij of jij, dus eigenlijk zelfverdediging. Deze kloothommel heeft jouw nooit wat aangedaan, maar moet er toch aan geloven. Wees maar blij dat het niet een onschuldige burger is”.
Ik knikte en schoof de foto weer terug zijn kant op. “Okay waar wachten we op?”, zei ik en stond op.
Het duurde twee uur voordat we mijn slachtoffer gevonden hadden. Denzel was volop bezig met dealen en maakte een nerveuze indruk.
John en ik zaten in een gehuurde auto. “Hoe wil je het gaan doen?”, vroeg John.
“Nou elke keer als hij wat verkoopt loopt hij dat steegje daar in om niet gestoord te worden, het lijkt me dus geen slecht idee, om me zelf voor te doen als klant”, antwoordde ik.
John knikte en ik zag aan zijn gezicht dat hij nog wachtte op iets anders. “Natuurlijk controleer ik eerst de steeg om te kijken of hij geen mannetje daar heeft die bij een foute deal moet inspringen”, zei ik snel erachter aan.
“Okay, klinkt al beter”, zei John, “geen wapen?”
“Nee, heb ik niet nodig”, was mijn antwoord. John lachte en zei, “Jeugdige overmoed, ik durf te wedden dat als je over tien jaar nog dit werk doet, wel altijd een wapen als back-up zult meenemen”.
Ik stapte uit en liep naar de steeg, Ik keek goed rond en deed mijn gulp open voor een plas. Het was typisch een steeg die alleen gebruikt werd door junkies of door mensen die nodig moesten pissen. De steeg was helemaal leeg en ik zag ook nergens een mogelijke verstopplaats voor een tweede man.
Ik liep naar een buurtwinkeltje en kocht een blikje soda. Denzel was nog ongeveer vijftig meter van me verwijderd, maar kwam nu wel in mijn richting.
Ik liep nonchalant naar hem toe en maakte duidelijk dat ik hem wilde aanspreken.
“Yo man”, was zijn openingszin. Ik gaf hem een “cityfist”, de populaire handgreep onder jongeren in die tijd, en vroeg of hij wat deep blue voor me had.
Deep Blue was een heftige drug en leek veel op het vroegere crack, alleen was het minder schadelijk voor je gezondheid, althans dat werd beweerd.
“Tuurlijk man, maar niet hier....wel daar”, hij wees naar de steeg en we liepen er langzaam heen. “Hoeveel heb je?”, vroeg hij. Ik keek hem aan en antwoordde niet. “Yo man, alles goed?. Ik vraag je wat”, hij dacht zeker dat ik nog onder invloed was van iets anders. Ik maakte een snelle slag naar zijn strottenhoofd. Hij greep naar zijn keel en was niet in staat om nog een geluid te produceren. Een slag op zijn linkerslaap zorgde voor een knock out. Denzel viel naar de grond en bleef stil liggen op zijn rug. Met mijn knie ging ik op zijn hals zitten en drukte mijn volle gewicht omlaag. Na een minuut controleerde ik zijn hartslag, door twee vingers hard in zijn hals te drukken. Niets meer.
John had gelijk, dit deed me niets. Ik maakte zijn zakken leeg, alleen geld en drugs, verder niets.
Ik liep terug naar de auto en nam plaats naast John. “Hier”, zei ik en gooide wat pillen en geld op zijn dashboard.
John was pissed off en gaf me de volle laag dat ik met die troep niet in zijn auto moest komen.
Snel pakte ik de pillen weer op en smeet ze uit het raam.
Een kwartier later vroeg hij hoe het was gegaan en hoe ik me voelde.
“Het ging prima en ik voel me prima”, was mijn antwoord.

HOOFDSTUK 19.
De wond was niet diep en ik gebruikte een stuk van mijn onderhemd om me goed te verbinden. Het bloeden zou vanzelf stoppen.
Een kwartier later stond ik weer op straat en wist ik wat ik ging doen. Het was een gevaarlijk plan en ik gaf me zelf vijftig procent kans om het er levend vanaf te brengen.
Brenner zou voortaan voorbereid zijn op een mogelijke aanslag, maar waarschijnlijk nog niet nu meteen en zeker niet in zijn eigen kantoor.

Ik hield een taxi aan en liet me afzetten op de plek waar Jurgy zo ongelukkig onder de vrachtwagen was gekomen.
Na de chauffeur betaald te hebben stak ik de weg over en ging naar de hoofdingang van het kantoor.
Bij de ingang van het kantoor hingen de bedrijfslogo’s en ik zag dat verdieping drie, vier en vijf bezet waren door Robotica Coop, het bedrijf van Brenner. Op de zesde verdieping zat een advocatenkantoor genaamd Jurg & Partners.
Ik ging naar binnen, bij de ingang stonden twee man beveiligingspersoneel die me aandachtig observeerden. Waarschijnlijk wisten ze al van de aanslag op Brenner en namen hun werk op dit moment dus iets serieuzer dan normaal gesproken.
Ik liep naar de receptie en een meisje van begin twintig vroeg op ingestudeerde toon of ze me kon helpen. “Goedemiddag, mijn naam is Braun en ik heb een afspraak met de heer Smith van Jurg en Partners”, zei ik. Ze keek me verbaasd aan “Smith?, u bedoelt zeker Smeigel ?”, een meevaller. “Euhmm..ja die bedoel ik ook, ik ben al in de war met mijn afspraak voor vanavond. Krijg je als je een druk programma moet afwerken”, zei ik. Ze lachtte en zei dat ze alvast door zou geven dat ik eraan kwam. “U kunt de lift nemen naar de zesde verdieping. In dit gebouw zijn diverse scanners aanwezig, die controleren identiteit en wapenbezit. Wilt u hier een handtekening zetten dat u er geen bezwaar tegen maakt?”. Ik zette een krabbel en ging naar de lift. Dit had ik verwacht en mijn mes had ik dus ook achtergelaten op het toilet van het restaurant waar ik mijn wond verzorgd had.
In de lift klonk een irritant muziekje en ik zag hoe het licht van de scanners over mijn lichaam gingen. Ik zou me daar geen zorgen over hoeven te maken, mijn identiteit was hier onbekend.
Waarschijnlijk zou ik boven ontvangen worden door meneer Smeigel die zich afvroeg wie ik was en of hij misschien een gemaakte afspraak niet in zijn agenda genoteerd had.
De deuren gingen open en er stond inderdaad een zakenman voor me die me nieuwsgierig aankeek. “Euhmm...meneer, het spijt me heel erg, maar ik heb geen idee wie u bent en weet ook niets van een afspraak af.”, waren zijn woorden.
“Dat klopt ook”, antwoordde ik, “ik heb ook geen afspraak. Mijn naam is Braun en ik ben vertegenwoordiger in kantoorartikelen. Ik zou graag met u over onze nieuwe productlijn praten”, zei ik.
Zijn gezicht veranderde van een verontschuldigende blik in een verbaasde, geïrriteerde blik.
“Dus u liegt gewoon over een afspraak en komt ongevraagd naar boven ?”, zei Smeigel.
“Ja, mijn excuses daarvoor, maar...”, nog voor ik verder kon gaan stak hij zijn hand op. “Luister meneer Braun, als u denkt op deze manier in gesprek met mij te kunnen geraken dan heeft u het mis. Bovendien ga ik helemaal niet over kantoorartikelen, ik heb wel andere dingen aan mijn hoofd zeg”, hij ging steeds harder praten. “Mag ik u verzoeken ons kantoor weer te verlaten en eerst netjes een afspraak te maken met de heer Tolstoy, al denk ik niet dat hij nog met u in gesprek wil gaan”. Ik keek teleurgesteld naar de grond en verontschuldigde me. “Wellicht was het inderdaad geen goede aanpak, maar er is ons verteld dat we beter ons best moesten doen om een voet tussen de deur te krijgen, om het zomaar eens te zeggen”.
Smeigel begon plots te lachen en volgens mij had hij medelijden met me. “Ik weet niet wie u deze methode geadviseerd heeft, maar ik garandeer u dat dit niet werkt. Wilt u nu vertrekken, ik heb nog veel werk te doen”, zei hij.
Ik knikte en vroeg, “voordat ik ga zou ik dan nog eventjes van uw toilet gebruik mogen maken ?” Hij zuchtte en wees op een blauwe deur, “als u het niet erg vindt, ga ik nu verder. Ik neem aan dat u de uitgang zelf wel kunt vinden”. Hij draaide zich om en liep van me weg.
Ik liep naar de blauwe deur totdat ik er zeker van was dat Smeigel zich niet meer zou omdraaien.
In de gang naar het toilet was ook het trappenhuis. Boven de deur naar het trappenhuis hing een bordje “alleen te gebruiken in geval van nood”. Ik zou een verdieping omlaag gaan, naar vijf en dan proberen om Brenner te lokaliseren.

Ik moest twee trappen nemen om een verdieping lager te komen. Vervolgens zag ik een rode deur met een grote vijf erop. Voorzichtig opende ik de deur en zag links en rechts van mij niemand in de gang lopen.
Ik probeerde eruit te zien als iemand die hier werkzaam was. De eerste die ik tegenkwam in de gang was geen mens, maar een robot. Hij was van een soort plastic gemaakt en bewoog zich voort middels een rupsband. Hij werd blijkbaar ingezet werd voor het rondbrengen van koffie en thee en ontweek me handig om zijn reis voort te zetten.
Vervolgens zag ik een jonge vrouw, type secretaresse, die me vriendelijk groette. Aan haar jasje hing een soort van plastic ID en ik wist dat zonder zo’n ding ik vrij snel door iemand van de beveiliging zou worden aangesproken.
Ik ging een klein kantoortje binnen en de jonge man die er werkzaam was keek me licht verbaasd aan. “Kan ik u helpen?”
Hij stond aan zijn bureau en was bezig een stapel papier door te bladeren. Aan de rotzooi op zijn bureau leidde ik af dat het waarschijnlijk een behoorlijke chaos was.
“Ja”, antwoordde ik en liep naar hem toe. “Ik heb hier een chip van het laatste model en vroeg me af ...”, ondertussen deed ik net alsof ik iets in mijn hand had. Zijn ogen waren niet langer op mij gericht, maar op mijn hand. Toen ik vlak voor hem stond en hij in de gaten kreeg dat ik niets in mijn hand had, gaf ik hem een knie in zijn testikels.Vervolgens een slag achter in zijn nek en hij was uitgeschakeld. Nu had ik een kaartje, bovendien had ik het geluk dat deze jongen dezelfde haarkleur had als ik. Je zou dus echt naar de foto moeten kijken om te zien dat ik het niet was. Het zou zeker een half uur duren voordat hij weer bij zou komen, dus het was niet noodzakelijk om hem verder iets aan te doen. Ik pakte zijn voeten vast en trok hem achter een grote archiefkast.
Op zijn bureau stond een grote mok koffie die ik goed kon gebruiken. Ik zou hem voor de batch kunnen houden en deze zodoende enigszins aan het zicht te onttrekken en verder zou de hete koffie in iemands gezicht een goede opening zijn voor een rechtse directe.

Terug in de gang zag ik een open deur, in het kamertje stond een kleine vrouw met een stapel papieren in haar hand te kijken naar een fotokopieermachine die op volle toeren draaide.
Ik ging naar binnen en sprak haar aan, “wat een dag hé, heb je het gehoord van Brenner ?”
In haar ogen zag ik dat ze twijfelde tussen antwoord geven op mijn vraag of vragen wie ik überhaupt was. “Ja, ik heb het gehoord, schijnt dat Brenner zijn kamer niet meer uitkomt”.
Ik keek haar verbaasd aan en zei, “dus verdieping vier is behoorlijk beveiligd”. “Ja dat kun je wel zeggen”, antwoordde ze, “maar als ik eerlijk moet zijn ken ik je niet. Ben je nieuw ?”
“Ja, pas anderhalve week in dienst”, loog ik, maar zag vervolgens dat haar ogen afdwaalden naar mijn badge. “Da’s Sergei”, riep ze uit terwijl ze langs mijn mok met koffie naar de foto keek. Bang!, ik gaf haar een stoot in haar gezicht en hoorde haar neus breken. Alweer een klusje voor de plastisch chirurg. Ze viel op de grond en begon gelijk naar adem te happen. Een knie tegen haar slaap voldeed verder. Ik liep het kopieerhok uit en sloot de deur achter me.
Het was me nu dus duidelijk dat ik een verdieping lager moest zijn voor Brenner.
Ik liep terug naar het trappenhuis de werknemers die ik onderweg tegenkwam keken me niet echt aan. Er hing hier geen prettige werksfeer, dat was duidelijk aan de gezichten af te lezen.
Van beveiliging had ik tot nu toe vrij weinig gemerkt, maar dat veranderde toen ik de eerste trap afdaalde naar verdieping vier. “Wat doe jij verdomme hier? Het trappenhuis is verboden terrein, dat weet iedereen”, schreeuwde een keurig in het pak gestoken beveiligingsbeambte me toe. “Dat kan ik ook aan jou vragen”, antwoordde ik. Deze opmerking sloeg natuurlijk nergens op, maar ik moest iets zeggen terwijl ik de afstand tussen hem en mij verkleinde.
“Laat je ID zien”, commandeerde hij en ik deed alsof ik gehoorzaamde. Echter mijn hand ging niet naar de badge op mijn jas maar maakte een snelle atemi naar zijn hoofd. Hij ontweek handig en ik zag meteen dat deze gast aan martial arts deed. Echter, je kunt zoveel trainen als je wilt, wanneer je stom genoeg bent om aan de rand van de trap te gaan staan heeft het weinig nut.
Een klein duwtje was genoeg en hij viel achterover de trap af. Op het midden van de trap raakte zijn schedel het beton. Krak!, zo’n geluid dat je laat weten dat het echt fout is gegaan. Hij rolde de onderste treden af en belandde tegen de muur. Ik liep langzaam de trap af, want ik wist dat hij nooit meer op zou staan. Zijn hoofd lag in een onnatuurlijke houding en door een gat in zijn hoofd druppelde bloed langs zijn oor omlaag. Ik controleerde zijn zakken en vond een shocker. Het model dat op diverse standen konden worden ingesteld. De laagste stand zorgde voor een stroomstoot die net voldoende was om iemand een paar seconden plat op de grond te houden. De hoogste stand zorgde ervoor dat je een week in het ziekenhuis kon doorbrengen. Ik zette hem in de hoogste stand en liep naar de deur die me toegang zou verschaffen tot de vierde verdieping.
Nu was het waarschijnlijk dat er aan de andere kant van de deur iemand zou staan om de zaak in de gaten te houden. Het zou een probleem zijn als er meerdere mensen zouden staan, maar deze gok had ik reeds eerder besloten te nemen.
Ik maakte de deur voorzichtig open, deed een pas achteruit en trapte er met mijn volle gewicht tegenaan. De deur knalde open en waarop ik gehoopt had gebeurde, er stond iemand voor de deur. Hij kreeg de deur eerst tegen zijn achterhoofd en knalde vervolgens met zijn voorhoofd tegen de muur aan de overkant van de gang. Aan mijn linkerkant zag ik een arm naar mij tokomen met daarin een schocker. Ik ontweek, pakte zijn arm van boven vast en met mijn linkerarm zwaaide ik zo hard ik kon van onderen tegen zijn elleboog. Het enige logische gevolg was een gebroken arm. De shocker viel uit zijn handen en met een zijwaartse trap stuurde ik hem verder naar de vloer. Hij rolde tegen zijn collega, die buitenwesten was, aan en keek me aan met ogen vol haat. Ik pakte mijn shocker en joeg de nodige volts door zijn lichaam, hij zou een klote week tegemoet gaan, maar hij leefde tenminste nog.

Rechts van me zag ik enkele mensen in witte laboratorium jassen wegrennen.
Okay, nu moest ik opschieten. Ik rende door de gang en greep de eerste de beste witte jas die ik tegenkwam. Het was een vrouw van middelbare leeftijd en ik schreeuwde, “Waar is het kantoor van Brenner ?” Ze zei niets en keek me alleen angstig aan. Ik duwde mijn duimen in haar ogen en zei, “als je ogen je lief zijn, dan zeg je me nu waar Brenner’s kantoor is”.
“Nummer twaalf op het einde van de gang”, kwam er hysterisch uit. Ik liet haar los en rende naar het einde van de gang. Onderweg probeerde een enthousiaste medewerker mijn weg te blokkeren, maar daar had hij al snel spijt van. Ik liet hem op de grond achter met waarschijnlijk een paar gebroken ribben.
Ik stopte voor deur nummer twaalf en probeerde hem te openen. De deur was op slot dus ik trapte hem in. Er waren drie trappen nodig voor de deur het begaf en ik zag de Aziaat, die ik eerder in het restaurant had gezien. Fuck, dit was een tegenvaller.
Achter hem stond Brenner die keek alsof hij zich realiseerde dat dit wel eens het einde voor hem kon betekenen, mocht de Aziaat zijn werk niet goed doen. “Hatzu, pak hem”, riep Brenner met een van angst trillende stem. Ik had geen tijd voor aftasten, tempo was vereist. Ik liep op mijn tegenstander af en opende met een atemi, deze werd geblokkeerd en ik kreeg een low-kick tegen mijn rechterbeen. Een low-kick die mij deed vermoeden dat mijn tegenstander een Muay-Thai verleden had. Muay-Thai boksers kunnen het hardst trappen omdat ze echt hun hele lichaam erin gooien. Het nadeel van deze techniek is dat wanneer er gemist wordt hun lichaam vaak een pirouette maakt, waardoor ze dus voor een fractie van een seconde met de rug naar je toe staan.Ik voelde dat als ik nog een stuk of drie van deze trappen tegen mijn been zou krijgen, ik er waarschijnlijk doorheen zou zakken.
In mijn zak had ik nog steeds de shocker, maar ik wilde deze nog niet gebruiken. Niet omdat ik dacht dat dit niet eerlijk zou zijn, want ethiek bestaat niet op het slagveld. Je moet alle middelen gebruiken die je hebt om te winnen, al zijn deze nog zo unfair.
Wanneer ik hem niet meteen zou gebruiken zou Hatzu er vanuit gaan dat ik ongewapend was en dat zou wel eens de verrassing kunnen worden die ik nodig had om van hem te winnen.
Ik hoopte dat hij mij zou aanvallen, maar dat gebeurde niet, ik moest komen.
Met een harde “Kiai”, dit is een strijdkreet die onder andere bedoeld is om een tegenstander een fractie van een seconden te verlammen, kwam ik in. Hij ontweek mijn slag naar zijn borst en blokte mijn lage trap. Terwijl hij blokte greep ik met mijn andere hand de shocker. Ik voelde dat hij zou gaan trappen en in plaats van ontwijken of blokken ging ik met de shocker naar zijn bovenbeen. Bingo!, de shocker stond op max ingesteld en hij zakte als een pudding in elkaar. Terwijl ik naar Brenner liep zag ik dat Hatzu op de grond hevig lag te trillen.
Hier zou hij nog wel een paar weken last van hebben, maar ik zou hem niet van kant maken. Ik had bewondering voor hem, het is belangrijk om nooit haat of boosheid in een conflict situatie te voelen. Zulke gevoelens vertroebelen je geest en leiden tot ondoordachte acties.
Wellicht in een andere setting, waren we vrienden van elkaar geweest en had ik veel van hem kunnen leren. Ik was nog maar een klein stukje van Brenner verwijderd, toen deze vanachter zijn rug een pistool tevoren toverde. Shit, dit had ik niet gezien. Hij moest het tijdens het gevecht uit een of andere la getrokken hebben. Ik zag meteen dat het niet een echt pistool was, maar eentje van het soort om pijltjes mee af te schieten. “Stop”, riep Brenner, “hier zit een giftige pijl in, als je me aanvalt ben je er binnen vijf minuten geweest”. Terwijl ik nadacht keek Brenner me aan en richtte het pistool op mijn borst. Ondanks dat hij geen gevechtservaring had was hij zich er duidelijk van bewust dat hij me niet al te dicht bij moest laten komen. Ik hoorde buiten sirenes en ik wist dat het zeer onwaarschijnlijk zou zijn, dat ik hier nog ongemerkt weg zou komen. Bovendien kon ik me niet permitteren om deze opdracht niet te laten slagen. Mijn pink zou niet voldoende zijn als boetedoening .
Ik rende op Brenner af en voelde hoe de pijl zich in mijn borst boorde. De afstand tussen hem en mij was te klein om te proberen de pijl te ontwijken. In zijn ogen zag ik de angst van iemand die weet dat zijn leven voorbij is. Hij deed niet eens meer een poging om zichzelf te verdedigen. Met de onderkant van mijn handpalm sloeg ik tegen de onderkant van Brenners neus, met als gevolg dat het bot in zijn neus naar boven schoot.
Hij viel terplekke dood om. Ik voelde met mijn handen in zijn hals om te controleren of hij ook zeker dood was. Langzaam draaide ik me weer om en keek naar Hatzu die nog steeds op de grond lag te trillen. Ik voelde dat ik duizelig werd en realiseerde me dat weglopen geen zin meer zou hebben.
In de gang hoorde ik mensen schreeuwen, maar kon er geen woord meer van verstaan. Ik ging zitten in de lotushouding en sloot mijn ogen.

HOOFDSTUK 20.
Mijn hoofd bonkte als een gek en ik had een droge mond. Langzaam deed ik mijn ogen open Er waren geen ramen en ik kon in het begin niet veel zien. Ik voelde een vreemde pijn in mijn spieren. Na een tijde pasten mijn ogen zich aan de duisternis aan en ik zag dat ik in een zeer kleine cel zat. Het was koud en ik had geen kleren aan. Op de grond lag een smerige matras en naast een wc-pot was er niets anders in de cel te vinden.

Blijkbaar zat er toch geen dodelijk gif op het pijltje dat ik in mijn borst had gekregen, maar een of ander verdovend middel. Ik was blij dat ik nog leefde, maar de pijn en kou zorgden ervoor dat die blijdschap al snel minder werd.
Nu was het gewoon een kwestie van afwachten wat er zou gaan gebeuren.

Het voelde als een eeuwigheid, maar uiteindelijk werd mijn celdeur geopend. Drie mannen in uniform kwamen binnen. “Je bent nogal een vechtersbaas he?”, zei degene met de twee sterren op zijn schouder. “Niet dat we bang voor je zijn, maar we zorgen er eventjes voor dat je geen gekke dingen gaat doen”. Ik moest mijn armen voor me uit houden en kreeg handboeien om. Toen ik ze eenmaal om had moest ik me omdraaien. Aan hun ogen had ik al gezien dat het niet zou zijn om mijn rug te masseren. Met een harde knal belandde een gummiknuppel in mijn nek en ik viel voorover op bed. Ik verrekte van de pijn en was niet meer voorbereid op de vuistslag die volgde. Hij was precies op de juiste plek, want ik kreeg geen lucht meer. Terwijl ik op de grond naar lucht lag te happen hoorde ik hoe de leider van het groepje iets zei waar de twee anderen hartelijk om moesten lachen.
Ze verlieten de cel en het licht ging uit.
Een half uurtje later ging het licht voor tien seconden aan en vervolgens tien seconden uit.
Hoe lang dit duurde was voor mij onmogelijk te schatten, maar vijf minuten nadat het ophield werd de deur geopend en werd ik meegenomen voor verhoor.

De kamer waarin ik werd verhoord zag er uit zoals in een oude film.
Twee stoelen, een tafel en aan de muur een grote spiegel, waarschijnlijk een doorkijkspiegel dus. Ik zou me anders niet kunnen voorstellen wat het voor nut had om hier een spiegel op te hangen.
Ik moest aan de tafel gaan zitten en tegenover me nam een jongeman plaats. In de hoek van de cel stond een grote vent met een gummiknuppel en ik hoorde hoe de deur aan de buitenkant werd vergrendeld.

Natuurlijk zou ik niets loslaten, maar het was ook weer niet nodig om deze mannen onnodig tegen me in het harnas te werken. “Ik zou graag wat kleren hebben”, zei ik.
“Als je meewerkt, dan krijg je kleren, koffie en eten. Werk je niet mee, dan blijf je zo rondlopen en zullen we kijken of de wachthonden iets voor je overgelaten hebben”, zei de jonge kerel tegenover me. Hij had een litteken op zijn voorhoofd dat er nogal speciaal uitzag. Het leek wel alsof iemand de letter S met een mes in zijn voorhoofd had proberen te kerven.
“Sorry maar ik kan u niets vertellen”, was mijn antwoord.
Hij keek me aan en glimlachte. “Meneer Brenner is dood, een vooraanstaand wetenschapper.
Echter volgens onze inlichtingen had hij banden met een criminele organisatie. Het lijkt me dus iets tussen criminele organisaties. Je komt uit de Europese Unie, dus blijven er maar een paar mogelijkheden over. Zoals je ziet hoef je me eigenlijk niet veel te vertellen, want het is nogal een duidelijke zaak”.
Hij had het inderdaad bij het rechte eind, maar ik zou er toch niets over loslaten.
Fysiek en geestelijk had ik me al ingesteld op een pak slaag, maar dit bleef uit.
Toen hij in de gaten kreeg dat ik niets zou loslaten zei hij, “overmorgen wordt je voorgeleid tot die tijd blijf je opgesloten”. Hij stond op liep naar de ijzeren deur en klopte erop. De deur werd geopend en hij verliet de cel zonder om te kijken.
Ik werd teruggebracht naar mijn cel en een uur later kreeg ik wat oud brood en een kop thee.
Na het eten werd er een pakketje mijn cel ingegooid. Ik pakte het uit en had een gevangenisuniform in mijn handen, dat eigenlijk meer weg had van een lelijke oranje pyjama.
Gelukkig paste het wel en in de broek zat een label met daarop made in Taiwan.
De tijd gaat langzaam in een cel van twee bij twee met niets anders erin dan een oude matras en een wc-pot. Ik bracht de meeste tijd door met het bestuderen van de celmuren, die waren vol gekrast met allerlei teksten. Naast woorden en tekeningen die in het beton gekerfd waren, zat er ook bloed op de celmuren. Er was één tekst in het Engels die ik duidelijk kon lezen. Het was geschreven met bloed.

Ze kunnen me slaan,
Ze kunnen me schoppen,
Maar breken doen ze me nooit.
Op een dag zal blijken dat mijn dood nut heeft gehad

Ik probeerde me de persoon die de tekst op de muur had geschreven voor te stellen.
Hij had niet de moeite genomen om een naam onder de tekst te zetten, misschien wel omdat dat er niet tot zou doen, of misschien was hij wel gestopt met bloeden
Verder was het kijken naar de kakkerlakken een aardige afleiding. Normaal gesproken had ik het niet zo op insecten, maar ik voelde me zo slecht dat ik me er nu niet druk over kon maken.

Het proces stelde niets voor.
Ik werd in de ochtend opgehaald en met een busje naar het gerechtsgebouw gebracht.
Aangezien ik geen lid was van de Oostelijke Unie, had ik ook geen recht op een verdediging.
Ik werd in een glazen kast gezet en voelde me net een goudvis. Mijn handen en voeten waren geboeid en door een luidspreker werd het een en ander vertaald.
Echter ik zag al snel dat niet alles vertaald werd.
Na tien minuten was het voorbij en ik was veroordeeld tot 167 jaar dwangarbeid. Mijn glazen kast werd opengemaakt en twee bewakers voerden me af.
Op de weg terug naar de parkeergarage gebeurde nog iets grappigs. In een gang stopten we plotseling en een bewaker drukte op een knop aan de muur. Hierdoor werd een deur geopend en een cyborg waaraan het een en ander ontbrak stapte naar me toe. Hij had geen haar, geen ogen en geen oren. Hij wees naar zijn buik en ik zag dat er drie knoppen op zaten. Een van de knoppen was Engels en ik drukte erop.
Toen begon hij de praten, “aangezien u tot meer dan vijftig jaar gevangenisstraf bent veroordeelt bieden wij u nu de mogelijkheid aan om uw leven te beëindigen. Wanneer u nogmaals op de knop drukt, zal ik u snel en pijnloos doden. U heeft twintig seconden bedenktijd”. Ik keek naar mijn bewakers en in hun ogen zag ik dat ze hoopten dat ik het zou doen. Er was echter geen haar op mijn hoofd die het voorstel ook maar enigszins serieus in overweging nam. We stonden twintig seconden voor ons uit te kijken en toen draaide de cyborg zich om en ging terug de deur weer in. De deur sloot automatisch en we liepen verder naar de parkeergarage waar het busje al op me stond te wachten. Terug in mijn cel ging ik op de vieze matras liggen en dacht na. Ik dacht aan Tess en dat ik haar misschien nooit meer terug zou zien. Het zou over enkele dagen wel tot haar doordringen dat er een probleem was. Ze zou me immers zo langzamerhand wel terug verwachten.
Ik begon me wel lichamelijk weer iets fitter te voelen en bracht de uren door met push-ups, sit-ups en mediteren.

HOOFDSTUK 21.
De reis naar het werkkamp kan ik me niet meer herinneren. Dit komt omdat ze je tijdens het transport verdoven met een of ander gas. Ik werd onaangenaam wakker met drie andere mannen op een koude betonnen vloer.
De man naast me was er wel erg beroerd aan toe, hij had een spierwit gezicht en ging over zijn nek. Ik nam wat afstand om niets van zijn kots over me heen te krijgen.
De deuren van de cel gingen open en een bewaker met een ongeschoren kop beval ons achter hem aan te lopen. We liepen door een lange gang en in de gang moesten we over iemand heen stappen die languit op de grond lag. Omdat hij met zijn gezicht naar de grond lag kon ik niet zien of hij dood was, of gewoon bewusteloos.
Het was me al snel duidelijk dat deze plek keihard was en dat hier iedereen vocht om te overleven.
Buiten staken we een groot plein over en ik zag dat er diverse wachttorens rond het kamp stonden met daarin een of meerdere gewapende mannen.
In het midden van het plein stond een soort van kooi en ik vroeg me af waarvoor die gebruikt werd.
De man die nog steeds misselijk was liep achter me en ik was eventjes bang dat hij me over mijn rug zou kotsen.
Toen we het plein waren overgestoken stopten we voor een witte deur met twee bewakers ervoor. De wapens die de bewakers droegen waren antiek en leken op AK-47’s.
De bewaker die ons ophaalde klopte op de deur en ging naar binnen. Hij wenkte ons hem te volgen.
We kwamen in een kamer die duidelijk toebehoorde aan iemand van een hoge rang.
Aan de muur hingen foto’s van militaire voertuigen. Achter een bureau zat een kleine man met een fles drank in zijn handen.
Hij keek ons aan en zei, “mijn naam is Tuvok en ik ben de commandant van deze gevangenis. Kamp Zeven is de naam van deze hel en er zijn nog niet veel mensen die hier ooit levend weer zijn vertrokken. De regels zijn simpel, je doet wat je verteld wordt en verder niets”. Hij dronk uit zijn fles en ik zag dat het een goedkope vodka was. “Wie van jullie is degene die Steve Brenner vermoord heeft?”. Ik schrok een beetje van zijn vraag, want ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat hij op de hoogte zou zijn van de misdaden die we begaan hadden. Hij zag er meer uit als een beroepsmilitair die opgebrand was en vervolgens weggepromoveerd was naar deze uithoek van de wereld. Een alcoholist die niets meer interesseerde en zich niet eens meer bezig hield met de dagelijkse leiding van het kamp.
Ik deed een stap naar voren, maar zei niets. “Aha...jij dus”, zei hij en keek me glimlachend aan. “Nou ik heb begrepen dat die Brenner een zeer belangrijk persoon was en dat er waarschijnlijk nu wel een prijs op jouw hoofd zal staan. Maak je geen zorgen hoor we zullen je niet van kant maken voor geld, maar waarschijnlijk zal een medegevangene dat wel”.
Ik wilde iets gaan zeggen, toen plotseling de man naast me het laatste beetje van zijn maaltijd over het tapijt waarop het bureau stond deponeerde.
Toen ik me weer naar de commandant wilde omdraaien om zijn reactie te zien hoorde ik een harde knal. Ik voelde bloedspetters op mijn gezicht terecht komen en hoorde de man naast me op de grond vallen. Hij was door zijn hoofd geschoten en op slag dood. Ik keek de commandant aan die met een pistool in zijn hand begon te vloeken. “Godverdomme mijn tapijt onder kotsen, dit heb ik nog nooit meegemaakt. Voer dat stuk ongeluk maar aan de honden”.
De bewaker achter ons keek niet geschokt uit zijn ogen, dus dit was waarschijnlijk niet de eerste keer dat de commandant iemand zomaar neerknalde.
Onzinnige actie, dacht ik bij me zelf, die kotsvlekken waren er waarschijnlijk makkelijk uitgegaan, maar die bloedvlek die nu in het tapijt zat zeker niet.
“Waarvoor zat die klootzak eigenlijk hier ?”, riep de commandant. De bewaker pakte een stuk papier uit zijn achterzak en zei, “nummer 38822, diefstal tweede veroordeling”. De commandant keek mij en de andere gevangene aan en begon te lachen. “Normaal gesproken hou ik nog een toespraak over dat er met ons hier niet te spotten valt, maar die kan ik ditmaal wel overslaan. Stuur deze ezels maar naar hun cel en geef ze de regels nog een keer op papier”.
We draaiden ons om en wilden de kamer verlaten toen de commandant nog iets riep.
“Trouwens er is tweemaal per week iets leuks hier, waarschijnlijk voor jullie het enige. We houden kooigevechten waarbij de winnaar bepaalde privileges kan verdienen”. Dit was dus de reden van de kooi midden op het plein. “Natuurlijk is het geen gezellig potje matten, maar een gevecht zonder regels waarbij de verliezer vaak in een bodybag de kooi verlaat, dus als je niet kunt vechten zou ik het niet proberen”. Hij keek me aan en ik vroeg me af of hij meer wist dan hij liet weten.
Met een duw in mijn rug werkte de bewaker ons naar buiten en ik hoorde hoe de commandant de lege vodkafles op de grond gooide.

Ik kwam in de cel bij een dikke Chinees die zich vriendelijk voorstelde als Charlie en vervolgens snel weer op zijn matras ging liggen.
De bewaker gooide me een rol wc-papier toe en een blaadje waarop de regels stonden, die ik van buiten moest leren.
Ik ging op de matras liggen die in de hoek van de cel lag en las de regels enkele malen door. De meeste regels waren zoals ik verwacht had.
- spreek een bewaker altijd aan met meneer
- praat alleen wanneer je iets gevraagd wordt
- het is verboden om spullen mee te nemen in je cel
enzovoort..
Mijn nummer was 38824 en dit stond ook op het uniform dat klaar lag in mijn cel.
Het was al laat en de lichten in de cel gingen uit, op het zelfde moment zonk me eventjes de moed in de schoenen. Dit hier was geen geintje, ik was niet bang dat ik mijn mannetje niet zou kunnen staan, maar hier zou ik niet makkelijk wegkomen.
Na een uur in het donker staren en aan Tess denken viel ik in slaap.

Ik werd wakker omdat ik iets voelde, wat wist ik niet en het duurde eventjes voor het tot me doordrong waar ik was. Wat ik voelde was Charlies hand over mijn haren. Met een reflex beweging gaf ik een elleboog die belandde op zijn armen. “Rustig maar, rustig maar Charlie is okay. Ik wil alleen maar even voelen. Je moet immers betalen om bij mij in de cel te zitten. dat is normaal”, zei hij. Ik wist, hoe bizar ook, dat dit soort zaken inderdaad geen uitzondering waren in een gevangenis zoals deze. Wanneer je een paar jaar geen vrouw hebt gezien en je zit opgesloten in een kamp als dit, dan is elke nieuweling die er niet al te afstotend uitziet een prooi. Jammer genoeg voor Charlie was ik echt niet van plan om me door hem aan te laten raken. Sterker nog ik moest het hem gelijk duidelijk maken dat hij een volgende poging niet zou overleven. Ik stond op en deed een pas achteruit, mijn zwijgen gaf hem nieuwe hoop. Hij kwam naar me toe en probeerde zijn rechterhand op mijn schouder te leggen. Voordat hij me aan kon raken, pakte ik zijn hand en draaide hem om, vervolgens legde ik een klem op zijn arm. Het zou vrij eenvoudig zijn voor mij om nu zijn arm te breken. Hij ging al op zijn knieën zitten om te proberen de druk op zijn arm te verminderen.
Het is belangrijk om altijd goed na te denken over de consequenties. Wanneer ik zijn arm zou breken dan was dat voor hem, in een plek als deze, een groot probleem. Men heeft hier beide armen nodig om zichzelf te kunnen verdedigen.
Hij zou het me nooit vergeven als ik nu zijn arm brak, dan zou ik hem nog beter van kant kunnen maken. Echter als ik niets deed, dan zou hij misschien nog een keer een poging wagen. Ik haalde uit met mijn rechtervuist en brak zijn neus. Hij schreeuwde niet en keek me aan terwijl het bloed uit zijn neus stroomde. Dit was een man die gewend was aan pijn.
“Luister Charlie, je snapt dat ik veel ergere dingen dan dit met je kan doen?”, zei ik. Hij knikte en zei verder niets. “Volgende keer als je met die vette poten aan me komt kun je het niet navertellen. We begrijpen elkaar?”. Hij knikte nog een keer. Ik liet hem los en bereidde me voor op een aanval, maar die kwam niet. Hij liep naar zijn matras en pakte een doek om het bloed mee af te vegen.
Natuurlijk zou ik de rest van de avond met een oog open moeten slapen, maar ik had een gevoel dat ik met Charlie in mijn cel nog niet zo slecht af was.

HOOFDSTUK 22.
De volgende ochtend ging er om zes uur een sirene, het was tijd om op te staan.
Charlie keek me aan, maar toen ik terugstaarde draaide hij zijn ogen weg.
De celdeur werd geopend door een bewaker en we moesten ons voor de cel opstellen.
De bewaker die de telling deed, bleef een seconde bij Charlie staan om naar zijn neus te kijken. Vervolgens kneep hij erin en riep iets wat ik niet verstond. Ondanks dat dit toch verrekt veel pijn moest doen hield hij zich redelijk goed.
De bewaker keek mij eventjes aan en liep door. Eenmaal buiten moesten we in looppas naar de eetzaal. Eenmaal bij de eetzaal aangekomen werden er twee rijen gevormd en liepen we langs een tafel waar je een stuk brood mocht pakken en een beker met koude thee.
Het brood en de thee moest je lopend naar binnen werken, terwijl je in de rij weer naar de uitgang van de eetzaal marcheerde. Charlie liep achter me en zag dat ik mijn brood nog niet helemaal op had. “Snel, brood moet op zijn voordat je bij de uitgang komt, anders krijg je de knuppel”. Snel propte ik de rest in mijn mond en zag dat de bewakers er inderdaad op letten dat iedereen zijn eten op had. Het feit dat Charlie me gewaarschuwd had deed me goed, dit betekende dat hij inderdaad geen wraakgevoelens koesterde.

Eenmaal buiten werd er iets gedaan wat leek op ochtendgymnastiek en vervolgens moesten we instappen in legertrucks.
Echter voordat we instapten kregen we een halsband om. Het waren halsbanden die onmogelijk af te krijgen waren indien je niet over de juiste apparatuur beschikte.
Zou je het toch zelf gaan proberen, dan liep je een vrij grote kans om onthoofd te worden. Verder konden ze van een afstand ter ontploffing worden gebracht, mocht je niet aanwezig zijn bij een volgende telling.
Terwijl we het kamp verlieten gaf ik mijn ogen goed de kost.
Toen we door de grote poort naar buiten reden, zag ik dat boven de poort een leus stond geschreven die ik niet kon lezen. Dit alles kwam me bekend voor en na een tijdje wist ik waarom. Niet al te lang geleden had ik een documentaire gezien over concentratiekampen. Ik weet niet meer of het de eerste of de tweede wereldoorlog was, maar het concentratiekamp in die film had ook zo’n leus boven de poort. Iets in de trend van dat werken je vrij maakt of zoiets.
Er was geen begroeiing buiten het kamp, waarschijnlijk met opzet.
Plots zag ik een meter of vijftig van ons af een cyborg lopen. Hij was enorm groot en zag er slecht uit. Hij had een militair uniform vol met scheuren aan en de helft van zijn hoofdhuid was afgesleten. Ik wees naar hem en keek Charlie aan. “Die loopt rondjes rond het kamp en schiet op alles wat niet een bepaalde radiofrequentie uitzend”, zei hij.
“Vorig jaar was er een grappig incident. Er was een truck zoals deze die om een of andere reden niet het vereiste signaal uitzond. Dat ding begon te knallen en doodde vier gevangenen en twee bewakers. Ze hebben hem een maand niet gebruikt daarna. Ik geloof dat de bewakers er zelf bang voor waren geworden, maar uiteindelijk is hij toch weer aan het werk gezet. Hoe je het ook bekijkt, het blijft toch een effectief ding”.
“Een oud model”, zei ik. Charlie keek me aan en knikte.

“Hey vetzak, heeft iemand je op je neus geslagen?”, riep een man die tegenover ons zat. Charlie keek hem aan en zei niets. Ik zag meteen dat hij bang voor hem was. Eigenlijk wilde ik wat zeggen, maar besloot dat het waarschijnlijk verstandiger was om mijn mond te houden en eerst uit te vissen wie deze kerel was.

Na een uurtje stopte de truck en moesten we uitstappen. “Wie was die vent die je aansprak?”, vroeg ik aan Charlie. “Dat is Igor, hij is een kampioen kooivechter”, zei Charlie. “Een kampioen?”, vroeg ik. “Zijn er meerdere dan ?”.
Charlie keek me aan en zei, “natuurlijk, de beste vechten maar zelden tegen elkaar., anders heb je al vrij snel niemand meer over. Meestal zijn het gevechten tussen een kampioen en iemand die aangewezen wordt”.
“Wanneer wordt je aangewezen?”, vroeg ik. “Als een bewaker de pik op je heeft, dan kun je er zeker van zijn dat je wel een keer in de kooi terecht zult komen. Moet je dan tegen een kampioen dan kun je het wel vergeten”.
“Wat krijg je als je wint?”, vroeg ik.
“Bepaalde privileges, bijvoorbeeld beter eten of vrijstelling van werk. Heel soms, als een winnaar geluk heeft en een goed gevecht geleverd heeft, mag hij mee met de bewakers naar de hoeren”.
Dit begon interessant te klinken. “wanneer je een kampioen uitdaagt en wint, dan mag je naar de hoeren?”. Charlie keek me aan en knikte, “een kampioen verslaan levert je in ieder geval behoorlijk wat voordelen op”, zei hij.
“Nadeel is wel weer, dat als je goed gevochten hebt, je steeds weer opnieuw moet vechten”.
Charlie lachtte en zei, “heb je plannen om de kooi in te gaan ?”. Ik haalde mijn schouders op en zei, “misschien”.
“In dat geval raad ik je aan eerst eens te kijken naar zo’n gevecht. Ik geloof dat er morgenavond weer eentje is”, zei Charlie.
Ik keek rond en zocht Igor. Hij stond inderdaad niet in de rij voor het gereedschap. De bedoeling was dat we hier een nieuwe weg zouden aanleggen.
Hij stond gezellig te babbelen met een bewaker. Igor zag eruit als een vechter, kort haar, littekens op zijn handen en rond zijn wenkbrauwen. Zijn neus was meer dan eens platgeslagen en hij miste een paar tanden.
Zijn stijl van vechten was niet moeilijk te raden. Hij was iemand die incasseerde en uitdeelde en vertrouwde op zijn eigen kracht.
Eigenlijk het tegenovergestelde van mij. Ik had ook kort haar, maar zat niet onder de littekens. Het incasseren van een stoot was weliswaar iets wat ik kon hebben, maar tevens iets wat ik zeker probeerde te vermijden. Verder ging ik niet uit van mijn fysieke kracht, maar van techniek en inzicht.
Echter, wilde ik hier ooit wegkomen, dan was de kooi instappen met een van de kampioenen mijn beste kans. Het was weliswaar een risico, maar ik zag me geen tunnel graven met een theelepel, zoals in de oude films. Als Charlie gelijk had, dan zou ik morgenavond zien hoe zo’n gevecht in zijn werk ging.

Ik kreeg een schep in mijn handen gedrukt en werd samen met Charlie en een oude man aan het werk gezet. Na een paar uur graven kwam er iemand met water en eten langs. Het eten bestond uit vierkante blokjes en smaakte nergens naar. Volgens Charlie waren de blokjes echter zeer voedzaam en qua voedingswaarde het beste dat je krijgen kon.
De oude man heette Alexander en ik schatte hem tegen de zeventig. Ik zag dat hij het erg zwaar had en vroeg me af waarom hij in zo’n gevangenis als deze was terechtgekomen.
Later op de middag vertelde hij mij zijn verhaal. Hij zat al twintig jaar vast en was een politiek gevangene. Hij was gearresteerd tijdens een demonstratie en veroordeeld voor vijf jaar. Echter tijdens de eerste maand van zijn straf kreeg hij het aan de stok met een bewaker.
Deze zorgde ervoor dat er drugs in zijn cel gevonden werden en hiervoor kreeg hij nog eens twintig jaar erbij. Hij moest nu dus nog vijf jaar zitten en zou vrijkomen als hij vierenzeventig was. Eerlijk gezegd dacht ik niet dat hij dit werk nog vijf jaar zou kunnen doen, maar ik besloot om hier maar niets over te zeggen.

Tegen een uur of vier klonk er een fluittoon die betekende dat de werkdag voorbij was.
We werden terug gebracht met de truck en onderweg bemerkte ik dat mijn handen al volzaten met blaren.
Toen we weer aankwamen bij het kamp zag ik de cyborg weer trouw rond marcheren.
Eenmaal binnen de poort moesten we ons opstellen in een rij en werd er een telling uitgevoerd. Nadat bleek dat iedereen compleet was werden de halsbanden verwijderd. Ik vroeg aan Charlie waarom we deze halsband niet altijd droegen, het zou immers het bewaken van de gevangenen een stuk makkelijker maken.
Hij lachtte en zei, “gelukkig hebben ze er niet genoeg, dus alleen degenen die buiten de poort gaan werken krijgen er een om. Ik heb zelfs wel eens meegemaakt dat wanneer er echt veel mannen meegaan, dat degene in de laatste truck geen halsband krijgen. Er gaan in zo’n geval wel veel meer bewakers mee”.

Het avondeten, als je het zo al kon noemen, kon wat relaxter genuttigd worden dan het ontbijt.
We mochten er zelfs bij zitten ditmaal.
Vooraf een dunne soep, die eigenlijk niet meer was dan warm water met een bijsmaak, en vervolgens een soort van hete pap. Ik viste een kakkerlak uit mijn pap en besloot dat ik voor vandaag genoeg gegeten had.

Na het eten mochten we een half uurtje buiten over het plein rondlopen en ik slenterde samen met Charlie en Alexander een paar rondjes.
Telkens wanneer we de kooi passeerden zag ik mezelf al in een gevecht. Ik keek uit naar morgenavond, dan zou ik een gevecht zien en wist ik meteen of het uitdagen van een kampioen een goed plan was.

Terug in de cel kroop Charlie gelijk op de pot en na twee minuten was de stank ondragelijk.
Ik moest hier weg, hoe dan ook.

HOOFDSTUK 23.
De volgende dag leek een exacte kopie van de dag ervoor.
Charlie was met zijn poten van me af gebleven, maar ik had ook niet anders verwacht.
Zou hij me nog eens hebben aangeraakt, dan had ik hem van kant gemaakt.
In de truck zat ik weer naast Charlie en zag dat Igor aan mijn andere zijde zat.
Ik keek hem aan en vroeg, “moet je vanavond vechten?”
Hij toonde me geen blik waardig en zei, “als je nog eens tegen me spreekt zonder dat ik je toestemming geef, dan breek ik je nek”. Ik zag de mannen tegenover me gespannen kijken, maar het leek me geen goed idee om hier stennis te gaan maken. Terwijl ik mijn mond hield zag ik een grijns op zijn gezicht verschijnen. Zijn leidersrol was weer eens bevestigd.
Charlie, Alexander en ik werden weer op dezelfde plek te werkgesteld en onder het graven vertelde Alexander een paar amusante verhalen uit zijn jeugd. Hij had ooit gevochten in Afghanistan als militair voor het land dat hem nu in de bak had gegooid voor het verkondigen van zijn mening. Ik mocht hem al snel, het was een goede kerel en, ondanks zijn situatie, een rasoptimist.
Hij had ook een zoon die werkte in Afrika en getrouwd was met een vrouw uit Angola. Een foto die hij in zijn achterzak had liet een knappe jongeman zien met een pikzwarte mooie vrouw en drie kleine bruine kinderen. “Je bent dus opa”, zei ik. Hij lachte en antwoordde, “zou je niet zeggen he, ik zie er immers nog zo jong uit”.

Toen we weer terug bij de truck waren en moesten instappen struikelde Alexander en viel tegen de rug van Igor aan. Deze draaide zich om en sloeg Alexander hard in zijn gezicht. “Kijk uit oude klootzak”, riep hij. Ik moest me bedwingen om niets te zeggen of te doen, het zou een grote vergissing zijn om nu in te grijpen. Ik bukte me en raapte Alexander op van de grond. “Het gaat wel, het gaat al”, riep hij en liep snel weg van Igor.
Igor keek me aan en zei, “moet je ook wat ?”. Ik zei niets en liep achteruit. Wanneer ik me had omgedraaid in plaats van achteruit te lopen had ik vast en zeker een trap onder mijn kont gehad.

Op de binnenplaats werden er al voorbereidingen voor het gevecht getroffen. Een soort van verplaatsbare tribune werd opgesteld en ik zag dat er extra scherpschutters in de torens aanwezig waren.
Je zag dat iedereen zich op het gevecht verheugde en ik probeerde erachter te komen wie moest vechten. Met enige hulp van Charlie kwam ik erachter. Het waren Sergio en Achmed, beide hadden al een keer in de kooi gestaan en gewonnen. Het verhaal deed de ronde dat ze alletwee niet stonden te trappelen om nog eens de ring in te gaan.
Ze hadden beide hun eerdere gevecht maar met moeite gewonnen. Sergio had een oog verloren en Achmed was zijn beide voortanden kwijt.
Ik ging naar mijn cel om nog wat te mediteren en vroeg aan Charlie om me te komen halen indien er eerder werd begonnen dan gepland.

Ik had het gevoel dat ik nog maar net was gaan zitten, toen Charlie me al kwam halen.
Echter, toen ik opstond merkte ik dat mijn beide benen sliepen en zoiets gebeurt me alleen als ik langer dan anderhalf uur in dezelfde houding zit.
Ik voelde me goed en liep achter Charlie aan naar buiten. We kropen vanaf de achterkant op de tribune en namen plaats op de bovenste rij.
In de kooi stond Tuvok met een brede grijns op zijn gezicht.
In zijn rechterhand hield hij een stok waarmee hij op de tralies begon te slaan. Dit was blijkbaar zijn manier om iedereen stil te krijgen, alleen trok niet iedereen zich hier iets van aan. Ik zag aan zijn gezicht dat hij zich hierover groen en geel ergerde. Hij keek naar een bewaker en knikte met zijn hoofd. De bewaker vuurde enkele kogels af en het was gelijk muisstil. “Okay tuig, het is weer eens tijd voor plezier”, riep hij. “Vandaag stappen Sergio en Achmed in de kooi en ik wil dat er slechts een van de twee weer levend uitkomt”.
Hij draaide zich om en zei, “Let’s get ready to rumble” en liep de kooi uit.
Enkele seconden later stapte Achmend de kooi in. Hij had alleen broek aan en keek angstig uit zijn ogen. Vervolgens stapte Sergio in de kooi. Sergio had een ooglapje op zijn rechteroog en ook alleen een broek aan.
Het leek me een behoorlijk nadeel om vijftig procent van je zichtveld te moeten missen, maar Sergio keek redelijk zelfverzekerd uit zijn ene oog.
“Wedden dat Sergio wint?”, zei Charlie tegen me. Ik schudde van nee en zei, “hij wint ook”.
Beide kemphanen liepen voorzichtig rond en Achmed maakte af en toe een schijnbeweging alsof hij zou aanvallen. Qua gewicht en lichaamsbouw waren ze gelijk aan elkaar.
Na een minuut had nog steeds geen van beide een serieuze poging tot een aanval ondernomen.
Ik keek naar Tuvok en zag dat hij ongeduldig begon te worden. Hij riep, “als er nu niet snel iets gebeurt laat ik jullie beide afknallen en is de show voorbij”.
Sergio reageerde hier niet op, maar Achmed wel. Hij stormde als een gek naar voren en bezegelde hiermee zijn lot. Sergio stapte uit de aanvalslijn en duwde Achmed door in de richting van de tralies van de kooi. Met een harde klap knalde Achmed tegen de dikke ijzeren staven. Sergio benutte de seconde duizeligheid om hem van achter in een stevige houdgreep te nemen. Achmed verzette zich hevig, maar er zat geen plan of tactiek in zijn verzet. Hierdoor was hij na een halve minuut uitgeput en hoefde Sergio de klem alleen maar vast te houden. Na een minuut of twee verloor Achmed zijn bewustzijn en was het gevecht afgelopen.
Aan Tuvoks gezicht kon ik zien dat hij zwaar teleurgesteld was, dit was duidelijk niet een gevecht waarop hij had gehoopt. Dit gold tevens voor het publiek, er werd gejoeld toen Sergio van de grond opstond en richting de deur van de kooi liep. Men had natuurlijk gehoopt op een spectaculaire slagen- en/of trappenuitwisseling en veel bloed.
Ik vond het een prima gevecht. De winnaar was cool gebleven en had het gevecht met nauwelijks enige inspanning weten te winnen.
Een bewaker deed de deur voor Sergio open en ik zag dat Tuvok iets tegen hem zei, terwijl hij een lelijk gezicht trok. Tuvok stapte vervolgens in de kooi en liep richting Achmed. Hij trok zijn pistool en richtte het op Achmed’s hoofd.
“Wanneer je zo vecht in de kooi, dan verdien je het niet om hem levend te verlaten”, riep hij.
Een seconde later vuurde hij zijn pistool af. Een grote plas bloed vulde de grond en Tuvok stapte opzij om het niet op zijn laarzen te krijgen. Iedereen op de tribune was stil en Tuvok keek triomfantelijk rond. Charlie keek me aan en zei, “ik hoop dat die klootzak ooit zijn verdiende loon krijgt”.
“Vast wel”, antwoordde ik.

Terug in de cel zagen we dat er plotseling een derde matras op de grond lag.
“Shit”, zei Charlie, “hiervoor hebben we geen ruimte”.
Een uur later kwamen er twee bewakers met een nieuwe gevangene.
“Jullie krijgen er iemand bij”, riep de grootste van de twee bewakers met een lachend gezicht,
“kunnen jullie een triootje doen”. Zijn collega moest hier hartelijk om lachen, maar Charlie en ik zagen er de humor niet van in.
De deur werd geopend en de bewaker riep, “nummer 38833 naar binnen”

HOOFDSTUK 24.
Na een paar dagen begon Tess zich zorgen te maken en na een week niets van mij gehoord te hebben ging ze over tot actie.
Allereerst met Masato, deze had ook al geprobeerd om contact met me op te nemen.
Hij miste mijn aanwezigheid op de trainingen. Masato vroeg aan Tess om hem gelijk iets te laten weten, mocht ik weer terecht zijn.
Tess beloofde hem op de hoogte te houden en belde vervolgens met Henry.
“Hallo Henry, met Tess Lang”, zei ze toen Henry de telefoon op nam.
“Hoi Tess”, antwoordde Henry. Hij klonk een beetje verbaasd, maar realiseerde zich al snel wat de reden van het telefoontje was. Henry had ook al diverse malen geprobeerd om me te bereiken en had zich al voorgenomen om contact met Tess op te nemen. Hij ging vanavond weer trainen en mocht ik niet aanwezig zijn, dan zou hij wel eventjes bij haar langs rijden, om te kijken of ik daar misschien zou zitten.
“Heb jij toevallig iets van Tom gehoord de afgelopen paar dagen ?”, vroeg Tess.
“Nee, sterker nog, ik had me voorgenomen om bij jou te informeren als hij vanavond niet op de training zou verschijnen”, antwoordde Henry.
Tess vertelde hem wat ik haar had voorgelogen over de opdracht in het buitenland en zei dat ik niet het type was om zomaar een week te verdwijnen.
“Ik maak me grote zorgen. Henry, wil je me helpen?”
“Natuurlijk”, zeg maar wat je wilt doen”.
Het plan van Tess was om in mijn appartement in te breken en te kijken of ze iets kon vinden dat mijn verdwijning kon verklaren.
Die avond belden Tess en Henry bij de flatbeheerder aan en legden de situatie aan hem uit.
Het duurde de nodige tijd voordat hij akkoord ging met plan en was verbaasd dat het hem niet lukte om mijn voordeur open te krijgen. Ik had natuurlijk een apart slot op mijn deur laten zetten en uiteindelijk lukte het alleen met bruut geweld om de deur open te krijgen.
Tess moest vier formulieren ondertekenen en werd verplicht tot het betalen van alle reparatiekosten van de mogelijk veroorzaakte schade.

Eenmaal binnen begonnen Tess en Henry aan een zoektocht naar aanwijzingen.
Henry dacht in mijn computer wel wat aanwijzingen te kunnen vinden, maar had er geen idee van hoe goed dat ding wel niet beveiligd was.
Op mijn bureau lagen de aantekeningen over de website, die ik nog steeds moest maken voor Mike Johnson. Na wat speurwerk kwamen ze achter zijn telefoonnummer.
Het was een kort gesprek en ze kwamen erachter dat Mike me maar een lul vond en me dit ook graag zou laten weten.
“Die gast zou een internetpagina voor me ontwerpen, maar ik heb nog steeds niets gezien. Als ik zelf zo met mijn klanten zou omspringen, dan zat ik nu thuis”.
Tess verontschuldigde zich voor mijn gedrag en zei dat er iets ernstigs gebeurd moest zijn.
Mike Johnson kalmeerde en slaagde er zelfs in om enigszins bezorgd over te komen. Hij stelde voor om contact op te nemen met de politie en wenste haar verder veel succes met haar zoektocht. “Laat hem me wel gelijk bellen als ie weer terecht is, okay?”, waren zijn laatste woorden.
Verder vond Henry ook nog het nummer van mijn oom Ray, maar een telefoontje met hem maakte duidelijk dat ik hem al in geen maanden gesproken had. “Zeg hem maar dat het geen kwaad kan om zijn oom eens op te zoeken. Ik hoop dat hij snel weer terecht is”, was Ray’s reactie.

HOOFDSTUK 25.
“Hallo, mijn naam is Kitano. Ik hoop dat jullie het niet erg vinden dat ze me bij jullie in de cel stoppen. Het lijkt me geen cel voor drie personen”, zei de nieuwe gevangene.
“Dat is het ook niet”, snauwde Charlie.
“Ik zal proberen jullie zo weinig mogelijk tot last te zijn”, zei Kitano, terwijl hij naar Charlie keek.
Ik merkte gelijk dat er iets met deze Kitano was. Hij straalde een rust uit die me zeer aansprak. Zijn hoofd was kaalgeschoren en zat vol met rimpels. Hij was klein en slank. Ik schatte hem een jaar of veertig.
“Ben je vandaag pas aangekomen ?”, vroeg ik. Kitano knikte, “ja, nog helemaal vers”.
Hij ging op de matras zitten en keek rustig de cel rond. Toen sloot hij zijn ogen en zei helemaal niets meer. “Wat is er met hem?”, zei Charlie. “Ik denk dat Kitano graag mediteert”, antwoordde ik. Charlie zuchtte en zei. “mooi, nog zo’n wazig figuur erbij”

Er gingen enkele dagen voorbij, die allen een exacte kopie van elkaar waren. Vroeg opstaan, snel al lopend je ontbijt naar binnen werken. Ochtendgymnastiek en daarna in de vrachtwagen, met de halsband om. Na een dag hard werken aan een of andere weg weer terug naar het kamp. Vervolgens eten en wat over het plein slenteren totdat je naar binnen moest.
Ondertussen begon zich een groepje te vormen. Charlie, Alexander, Kitano en ik. Het vormen van een groepje was tevens een soort beveiliging. Iemand zonder groep werd eerder het slachtoffer van geweld, dus zorgde iedereen ervoor dat hij lid was van een groep. Hoe groter de groep hoe beter. Echter wanneer een groep te groot werd, bood hij ook geen bescherming meer, omdat zich binnen de groep weer kleinere groepjes begonnen te vormen.
De groep die zichzelf “de Russen” noemde had het voor het zeggen. Er zaten in deze groep geen buitenlanders en ze zagen er allemaal hetzelfde uit. Veel tatoeages meestal van kruizen met prikkeldraad erom heen en een kaalgeschoren hoofd.
Ik zat te wachten op het volgende kooigevecht, ditmaal zou Igor moeten vechten. Zijn tegenstander was nog onbekend. Mijn plan was om dit gevecht goed te bekijken en vervolgens Igor uit te dagen tot een gevecht.

Tijdens het werken keek ik vaak naar Kitano. Het leek wel alsof hij geen enkel probleem met zijn gevangenschap had. Hij had altijd dezelfde uitdrukking van tevredenheid op zijn gezicht.
Ik had ’s avonds vaak lange gesprekken met hem, omdat op sommige terreinen onze interesses elkaar overlapten. Kitano hield van martial arts, al beoefende hij ze zelf niet.
Ik merkte echter wel dat zijn kennis erover zeer groot was. Hij was eigenlijk continu bezig met het werken aan zijn Koan. Een Koan is een raadsel dat je krijgt van je zenmeester en dat je helemaal alleen moet oplossen.
De Koan is niet verstandelijk op te lossen, de vraag en het antwoord zijn voor rationele mensen vaak niet eens te begrijpen. Het draait eigenlijk ook niet om het antwoord, maar meer om het bezig zijn met het oplossen van de vraag.
Kitano was een monnik en was in de gevangenis beland wegens kritiek op de overheid. Hij kwam op voor de minder bedeelden en dat waren er in dit land voldoende. Hij vertelde me dat hij eens twee maanden lang met een aantal zwerfjongeren in een riool had gewoond en toen hij hier vervolgens een verhaal over had geschreven dat gepubliceerd werd in een ondergrondse krant, werd hij opgepakt en tot vier jaar veroordeeld.
Kitano’s filosofie was dat je altijd je best moest doen en zolang je dat maar deed het resultaat van je werk van secundair belang was.
Hij werkte inderdaad ook echt serieus aan de weg die we moesten aanleggen, terwijl de meeste anderen maar iets deden. Persoonlijk had ik zelf mijn twijfels of deze weg ook daadwerkelijk ergens naar toe ging. Het leek wel alsof hij er alleen was om ons bezig te houden
Kitano bemerkte dat ik op hem lette en stopte met graven.
“Tom, hou je van tatoeages ?”, vroeg hij me. Ik trok mijn wenkbrauwen op en zei, “eigenlijk wel, maar ik zie er bijna nooit een die ik echt mooi vind. Waarom vraag je dat ?”
Kitano glimlachte en zei, “ik ga een tatoeage op je rug maken”.
Hij zei dit met volle overtuiging en het klonk alsof ik er zelf weinig over te zeggen had.
“Waarvan ?”, vroeg ik. Hij lachte en zei, “dat weet ik niet, dat merken we wel als hij klaar is”.
Charlie die ons gesprek had gehoord zei, “van twee grote tieten natuurlijk, dan heb ik er ook nog wat aan”. Alexander moest hier om lachen en na een paar seconden lachte iedereen mee, zelfs Kitano.
Tatoeëren was toegestaan mits het in de eigen cel gebeurde en de spullen netjes na anderhalf uur weer werden ingeleverd. Het was net zoals het aanleggen van deze weg een soort van bezigheidstherapie.
Ik dacht aan Tess en vroeg me af hoe ze zou reageren als ik thuis zou komen met een tatoeage op mijn rug. Waarschijnlijk niet echt enthousiast, maar ze zou het accepteren.
Op de terugweg naar het kamp gebeurde er iets. Vanuit de vrachtwagen was de cyborg zichtbaar die rond het kamp patrouilleerde. Hij bewoog echter niet meer. De chauffeur van de vrachtwagen moest dit ook hebben gezien, want hij stopte. Ik hoorde ze in de cabine praten en een seconde later stapte een bewaker uit. “Hey jij daar”, riep hij en wees naar Alexander, “uitstappen”. Alexander stond op en klom uit de vrachtwagen.
“Loop eens naar dat ding toe en trap er eens tegen, ik wil zien of hij echt kapot is”, zei de bewaker. “Niet doen Alexander, hij knalt je kapot als je te ver van de vrachtwagen weg loopt”, riep Charlie. “Wanneer je niet snel loopt dan knal ik je kapot”, zei de bewaker. Vervolgens keek hij naar Charlie en zei, “jij met je grote mond, kom er ook maar uit”. Charlie keek me angstig aan en ik zei, “doe wat hij zegt, als dat ding kapot is gebeurt er toch niets”.
Charlie en Alexander werden op de cyborg, die nog steeds niet had bewogen, afgestuurd. Ik schatte de afstand ongeveer een meter of tachtig. Waarschijnlijk was je binnen een straal van een meter of dertig van de vrachtwagen wel veilig, maar daarna zou het link worden.
Het leek echter allemaal goed te gaan, ze waren nu al een behoorlijk eind van de vrachtwagen verwijderd.
Eenmaal bij de cyborg aangekomen zag ik pas hoe groot dat ding eigenlijk was. Het was zeker twee koppen groter dan Charlie.
Alexander keek onze kant op en trapte voorzichtig met zijn rechtervoet tegen het been van de cyborg, er gebeurde niets.
Vervolgens deed Charlie hetzelfde alleen harder en vervolgens nog een keer en nog een keer. Charlie begon er nu de gein van in te zien en was niet meer bang. Hij maakte voor de grap een paar kung-fu bewegingen en iedereen in de vrachtwagen moest er om lachen. Ook de bewaker zag er de humor wel van in en riep iets naar zijn collega’s.
Vevolgens maakt Charlie een sprong en probeerde vanuit de lucht een trap te maken. Het mislukte jammerlijk en Charlie viel op zijn gezicht. Hierdoor werd er nog harder gelachen.
De bewaker riep naar Alexander dat hij het wapen van de Cyborg moest pakken.
Alexander gehoorzaamde en pakte voorzichtig het wapen uit de handen van de cyborg.
“Jammer dat hij het ding niet kan gebruiken”, zei de man naast me. “Werkt alleen maar bij de cyborg, dat weet ik omdat ik die dingen ooit zelf in elkaar heb gezet”.
Ik wist dat Alexander het sowieso niet in zijn hoofd zou halen om met dat ding te gaan schieten. Hij hield het wapen omhoog en keek naar de bewaker. De bewaker riep, “hierheen brengen” en Alexander draaide zich nog eventjes om naar Charlie om iets te zeggen. Nog voordat hij een stap kon verzetten bewoog de cyborg plotseling en greep Alexander en Charlie beide met een hand vast. Charlie begon wild om zich heen te slaan en Alexander riep om hulp. Zonder er verder bij na te denken sprong ik uit de vrachtwagen en rende op de twee af. “Staan blijven, staan blijven of ik schiet”, hoorde ik de bewaker roepen.
Om een of andere reden trok ik me er niets van aan en rende gewoon door. De bewaker richtte het wapen op me toen een collega van hem zei, “laat hem maar, hij heeft de halsband toch om. Dit zou nog wel eens leuk kunnen worden”. In een mum van tijd was ik bij Charlie en Alexander aangekomen. De cyborg had Charlie neergeslagen en deze lag nu met een open wenkbrauw op de grond. Alexander begon blauw aan te lopen want de Cyborg had hem in een wurgklem, nog een paar seconden en het zou afgelopen zijn met hem.
Ik haalde hard uit naar de ribbenkast van de cyborg en hij liet Alexander los en draaide zich naar me toe. Mijn volgende stoot was gericht op zijn keel en ik sloeg een stuk vlees los. Bloed en een soort van zwarte vloeistof spoten in mijn gezicht. Hij was echter nog niet uitgeschakeld en ik incasseerde een slag op mijn rechterbovenarm. Deze cyborg was inderdaad een oud model, waarschijnlijk gebouwd voor een specifiek taak. Immers een slag op iemands bovenarm was nou niet direct iets waarmee je een tegenstander uitschakelt. Met mijn rechterhand greep ik nogmaals in zijn keel en probeerde iets eruit te trekken. Ik kon mijn vingers om een kabel vouwen en trok zo hard ik kon. Toen de kabel losliet viel ik achterover, uit zijn keel stak nu een rubberen kabel die een sissend geluid maakte. Vervolgens zag ik er een groene vloeistof uit lopen die leek op de koelvloeistof in oldtimers.
De cyborg bewoog niet meer. Alexander lag naast me nog steeds bij te komen en Charlie zat nu rechtop en voelde met zijn handen aan de open wenkbrauw.
“Dat moet gehecht worden”, zei ik en hij keek me verbaasd aan. “Shit, ik haat naalden”, zei hij. Ik moest lachen en na een paar seconden lachte hij mee. Charlie leek nu ook okay en keek vol ontzag naar de cyborg die nog steeds rechtop stond.
“Hey, killers hierheen komen”, riep de bewaker die me een minuut geleden nog wilde neerschieten. Alexander pakte het wapen van de grond en begon op de vrachtwagen af te lopen, Charlie en ik liepen achter hem aan. Charlie klopte me op de rug en zei,”bedankt kameraad”.
Eenmaal terug in de vrachtwagen bedankte Alexander me en ik zag dat Kitano pretoogjes had.
“Wat is er?”, vroeg ik aan Kitano. Hij lachte en zei, “dit is een belangrijke dag voor jou, ik denk dat je zojuist een belangrijk deel van je tattoeage hebt gemaakt”.
Ik wilde hierop wat zeggen, maar nog voor ik de kans kreeg ging hij naast Alexander zitten om te kijken of deze ook echt okay was.

HOOFDSTUK 26.
Ik was nu drie maanden in kamp zeven en had voor mezelf een strak trainingsschema opgesteld. Natuurlijk werd ik door de meeste medegevangenen voor gek verklaard wanneer ik op het plein rondjes begon te lopen na een hele dag hard werken.
In de cel mediteerde ik, meestal samen met Kitano, en ik had een aantal dikke boeken op de kop weten te tikken. Het boek waar ik nu aan bezig was beviel me zeer goed en ik vond het jammer dat ik er zo snel doorheen ging. Het was een roman van een Japanse schrijver, genaamd Eiji Yoshikawa, en ging over Japans bekendste samoerai, Miyamoto Musashi.
Musashi werd geboren in 1584 en was op jonge leeftijd al bekend. Men beweert dat hij op dertigjarige leeftijd meer dan zestig duels gewonnen had en hij heeft zijn hele leven geprobeerd zijn techniek nog verder te perfectioneren.

Vlak voor zijn dood heeft hij zijn levensfilosofie samengevat in een klein boek genaamd Go Rin No Sho (een boek van vijf ringen). Dit boek bevat de kern van zijn strategie van het zwaardvechten, maar is tevens toepasbaar op alle aspecten van het leven.

Het gedeelte dat ik nu aan het lezen was ging over zijn bekendste en tevens laatste duel, dat plaatsvond in 1612 op een eiland genaamd Ganryu. Zijn tegenstander was de bekende zwaardvechter Sasaki Kojiro. Deze had een speciale techniek ontwikkeld genaamd, “Tsubamegaeshi”, en was gebaseerd op de bewegingen die een zwaluw in de lucht maakt.
Tevens gebruikte Sasaki Kojiro een zwaard dat langer was dan gebruikelijk.
Niet veel mensen gaven Musashi ook maar een schijn van kans en het was dan ook niet verwonderlijk, dat toen Musashi er op de aangewezen tijd, acht uur in de morgen, niet aanwezig was, iedereen dacht dat hij gevlucht was.
Het was echter zo, dat Musashi niet goed zijn bed uit kwam en een van de toeschouwers moest hem wakker gaan maken. Toen hij wakker was dronk hij het water, dat hem was gebracht om zich zelf mee te wassen en ging rechtstreeks naar het strand. Hier stapte hij in de boot die hem naar het eiland zou brengen. Onderweg naar het eiland pakte Musashi een roeispaan en bewerkte deze tot dat hij een houten zwaard had gemaakt..
Toen de boot arriveerde waren de mensen geschokt over de manier waarop Musashi eruitzag. Zijn haren stonden alle kanten op en waren vastgebonden met een oude doek, in zijn handen had hij het houten zwaard. Sasaki was behoorlijk geïrriteerd over het gedrag van Musashi en viel hem aan met zijn katana, een zwaard gesmeed door de bekende smid Nagamitsu.
Het duel duurde maar enkele seconden en Kojiro werd geveld door een slag met het houten zwaard op zijn hoofd.
Na dit duel stond Musashi bekend als Kenshi, wat zwaardheilige betekent.

Kitano was nu al enkele weken bezig met de tattoeage op mijn rug. Hij kon niet gelijk beginnen, omdat de voorhanden zijnde materialen volgens hem niet goed waren. Hij wilde namelijk geen tattoeeerpistool zoals het door de meesten gebruikt werd, maar de traditionele gereedschappen. Kitano had drie weken moeten zeuren om het juiste materiaal te krijgen.
Dit bestond uit een speciale set van naalden, die bevestigd worden aan een bamboe stuk. De naald wordt in de inkt gedoopt en vervolgens wordt de naald snel en ritmisch in je huid gedrukt, waarbij er een bepaald geluid te horen is dat voor velen niet prettig in de oren klinkt.
Deze methode komt uit Japan en wordt daar ook wel “Tebori” genoemd.
Ik had Kitano moeten beloven niet op mijn rug te kijken tot de tattoeage helemaal af was.
Het zag er naar uit dat hij mijn hele rug ging volmaken en ik was zeer benieuwd naar het resultaat. Mijn vragen over de tattoeage werden nooit beantwoord en het kwam er dus in feite op neer dat ik gewoon moest wachten tot het klaar was.
Kitano hield het voor gezien en ruimde het materiaal op. Hij hield de klok altijd goed in de gaten, want het te laat inleveren van de spullen zou kunnen betekenen dat je ze de volgende keer niet meer kreeg.
Toen Kitano de cel had verlaten besloot ik in mijn cel te blijven. Ik was moe en wilde nog een keer de snee in mijn scheenbeen bekijken. Die middag had ik tijdens het graven niet goed opgelet en was er op een of andere manier in geslaagd om mezelf in het scheenbeen te steken.
Ik dacht eerst dat het gehecht moest worden, maar dat bleek gelukkig niet nodig te zijn. Bovendien kreeg ik van de bewaker die bij ons stond te horen dat ik niet moest zeuren en doorgraven.
De wond zag er goed uit en ik verwachtte er verder geen problemen mee te krijgen.
Ik wilde net Musashi onder mijn matras uit halen om er nog snel iets in te lezen voordat het te donker zou worden, toen ik plotseling een hard geluid hoorde. Toen ik opkeek zag ik dat het een ketting was, die door een lid van de Russen tegen de tralies werd geslagen. Hij was niet alleen, achter hem stond Igor.
“Ik heb gehoord dat je een vrij belangrijk persoon van kant hebt gemaakt”, zei de kettingzwaaiende skinhead. Op zijn borst was een zwart kruis getattoeeerd en eronder stond iets geschreven wat ik niet kon lezen. Deze gasten hadden de domme gewoonte om op hun huid de namen van hun slachtoffers te tattoeeren.
“Er staat nu een behoorlijk bedrag op je hoofd en wij komen dat eventjes innen”, zei hij. Ik hoorde Igor achter hem lachen en hij zei, “troost je, ik zou je sowieso binnenkort van kant maken, je irriteert me mateloos”.
Ik stond op en maakte de indruk dat ik om mijn leven zou gaan smeken. De skinhead met de ketting in de deuropening zorgde er eigenlijk voor dat Igor niet snel bij me zou kunnen komen. Onverwachts rende ik snel vooruit en zag dat mijn tegenstander hier niet op gerekend had. Hij was nog bezig met het opzwaaien van de ketting toen ik mijn rechterhand onder zijn kin plaatste en met mijn linkerhand ervoor zorgde dat de ketting niet meer mijn richting op zou kunnen komen. Doordat zijn balans niet goed was kon ik hem makkelijk achterover laten vallen. Ik voelde hoe zijn hoofd tegen dat van Igor knalde en beide vielen verder achterover. Met een doffe knal klapte Igor’s hoofd tegen de muur. Ik zag hoe zijn ogen wegdraaiden en hij opzij viel. Die was knockout, de rest was kinderspel.
De kettingzwaaiende klootzak probeerde nog omhoog te komen, maar ik liet me met mijn knie op zijn buik vallen en toen zijn hoofd door de impact omhoogkwam sloeg ik hard tegen zijn rechterslaap. Ik pakte zijn hoofd stevig vast tussen mijn handen en gaf vervolgens een flinke ruk naar rechts, die zijn nek deed breken.
Net toen ik hetzelfde wilde toen bij Igor zag ik dat er drie bewakers mijn kant op renden. Ik ging snel achteruit en draaide me om met mijn handen op de rug. Terwijl een bewaker me tegen de muur duwde, deed een andere mij handboeien om.
Bewaker nummer drie controleerde de twee bloedende lichamen op de grond. “Dood”, riep hij en vervolgens, “Igor leeft nog, alleen zijn kop ligt open”.
“Shit”, riep de bewaker die me de handboeien had omgedaan, “hij zou eigenlijk overmorgen moeten vechten”. Vervolgens draaide hij zich om en mepte me met de achterkant van zijn machinegeweer tegen mijn hoofd. Het licht ging uit.

Ik werd weer wakker op de vloer van Tuvok’s bureau.
Tuvok zat zijn zijn bureaustoel naar me te kijken en moest lachen toen hij zag dat ik moeite had om me te orienteren.
“Het was natuurlijk een kwestie van tijd”, zei hij. “Je wordt binnenkort van kant gemaakt, dat staat wel vast. Maakt me ook niet zoveel uit eigenlijk, maar wat me wel stoort is dat Igor overmorgen niet kan vechten door jouw toedoen”.
“Sorry dat ik mezelf heb verdedigd, was ook stom van me”, zei ik. Tuvok moest lachen, “ja, eigenlijk kan ik je dat ook niet kwalijk nemen, maar ik erger me toch aan je. Ik denk dat zaken hier rustiger worden als ik je van kant laat maken. Denk je zelf ook niet?”
“Misschien wel”, zei ik, “maar dat zou om twee redenen niet zo leuk zijn”. Tuvok keek me verwachtingsvol aan en zei uiteindelijk, “en die zijn?”.
“Ten eerste is de tattoeage op mijn rug is nog niet af en het zou toch zonde zijn als al dat werk voor niets was en ten tweede heb je me nooit zien vechten”, zei ik.
Tuvok keek me aan en zei, “kun je dat dan?”. “Nou ik heb toch net twee man uitgeschakeld of niet dan?”, antwoordde ik.
“Dat is waar”, zei Tuvok, “maar ben je ook een kooivechter, ik bedoel een kampioen. Je bent niet groot, niet zwaar en hoewel je er getraind uitziet zie ik verder niet echt een vechter in je”.
Ik keek hem aan en zei, “overmorgen zou Igor vechten, laat mij in zijn plaats gaan. Wanneer Igor dan helemaal beter is, kun je hem tegen mij laten uitkomen. Ik beloof je een goed gevecht neer te zetten”. Aan zijn gezicht zag ik meteen dat dit voorstel hem wel beviel.
“Okay”, antwoordde hij, “overmorgen vecht je tegen de geplande tegenstander van Igor en wanneer Igor weer helemaal okay is, dan laat ik hem jou van kant maken in de kooi. Ik hoop alleen dat je dan nog steeds in leven bent, want nu eenmaal bekend is dat er een prijs op je hoofd staat ben ik al blij als je overmorgen haalt”.
Ik zag hem nadenken en na een paar seconden zei hij, “Je gaat in isoleer, dan weet ik in ieder geval dat je overmorgen nog leeft. Ik zorg er verder voor dat je genoeg eten en drinken krijgt, dus het is niet zo dat je er als een wrak uitkomt morgen. Akkoord?”. Ik knikte en zei, “jij bent de baas”.
Tuvok liet me door twee bewakers naar de isoleercel brengen en onderweg zag ik twee van de Russen een gebaar maken dat betekende dat mijn nek binnenkort doorgesneden zou worden.

In de isoleercel was het donker en ik ging in het midden van de cel op de grond zitten. Ik nam me voor de tijd mediterend door te brengen. Aanvankelijk lukte het niet echt want in mijn hoofd zag ik Tess en Masato. Na een tijdje alleen nog maar Tess, ik miste haar. Ik dwong mezelf om ergens anders aan te denken en na een kwartier dacht ik helemaal nergens meer aan.

HOOFDSTUK 27.
De deur van de isoleercel ging open en buiten stond Tuvok met twee bewakers.
“Het is zover, ik hoop dat je wat moois laat zien”, zei hij.
Terwijl ik naar buiten liep merkte ik dat mijn benen stijf waren geworden van het vele mediteren. De tijd was dan ook erg snel voorbij gegaan en voor mijn gevoel had ik niet meer dan een paar uur in de isoleercel doorgebracht. De enige tijd die ik me echt bewust kon herinneren was tijdens het nuttigen van de maaltijden.
Terwijl we naar de kooi liepen keek ik naar de opgezette tribune die al helemaal vol zat met enthousiaste gevangenen. Ik kon het me ergens wel voorstellen, het was immers het enige “vermaak” dat hier geboden werd.
Toen de meeste gevangenen me zagen klonk er een luid gejoel. Ik was in ieder geval niet populair bij de Russen. Ik keek op de tribune en zag Charlie en Alexander zitten, Kitano zat er niet bij. In de kooi stond een gespierde vent van mijn eigen leeftijd. Tuvok fluisterde iets in mijn oor, “de kansen dat je hier levend uitkomt vandaag staan 10-90 tegen je”. Ik keek hem aan en vroeg,”op wie heb jij gegokt dan vandaag ?”. Hij lachte en zei, “op jou, maar ik heb niet veel geld ingezet”. Ik liep mijn hoek van de kooi in en zei, “jammer als je alles had ingezet, dan was je na vandaag een rijk mens”.
Tuvok kondigde de vechters aan, ik luisterde niet naar de aankondiging van mijn tegenstander. Ik wilde het allemaal niet weten. Mijn aankondiging was wel grappig, ik had schijnbaar een bijnaam gekregen tijdens mijn tijd in de isoleercel, want ik werd aangekondigd als “White Dragon”. Na de aankondiging liep Tuvok de kooi uit en ik hoorde hoe de menigte op de tribune stil werd. Mijn tegenstander kwam direct op me af en telegrafeerde zijn rechtse hoek nog voor dat hij uberhaupt werd ingezet. Het was zo makkelijk, ik kwam recht in met een voorwaartse slag. Ik raakte hem op zijn neus, niet voluit, maar genoeg om hem een seconde in onbalans te brengen. Die seconde benutte ik om zijn slagarm te pakken en een techniek uit te voeren waarbij ik onder deze arm doorging.
De techniek die ik gebruikte heette “Shiho-Nage”. Ik draaide niet helemaal door richting mijn tegenstander, zoals op de training wel gedaan wordt, zodat “uke” makkelijk weg kan rollen.
Toen ik de worp inzette lag zijn arm gestrekt over mijn schouder. Doordat hij geen andere uitweg zag brak zijn arm en belandde hij schreeuwend op de grond. Ergens had ik het met hem te doen, maar ik wist dat nu stoppen me alleen maar de ergernis van Tuvok op de hals zou halen. Met een trap naar zijn hoofd zorgde ik ervoor dat de pijn ophield. Terwijl hij bewusteloos op de grond lag brak ik zijn nek. Het gevecht was in tien seconden afgelopen en idereen was stil.
Ik keek naar de tribune en riep, “Ik wil Igor, Ik ben de beste en ga het bewijzen ook. Geef me die klootzak en ik smeer hem over deze vloer uit.”
Het was een groot toneelstuk, maar ik had besloten om er een mooie show van te maken.
Ik wilde het gevecht tot het gevecht van het jaar promoten en zodoende bij een zege op Igor een belangrijke prijs krijgen. Een trip naar de stad was waar ik op hoopte, niet om samen met een paar bewakers naar een bordeel te gaan, maar om de kans te krijgen om te ontsnappen. “Igor maakt je van kant”, riep iemand van de tribune. “Laat hem maar komen, ik ben er klaar voor”, riep ik terug en liep naar de uitgang van de kooi. Tuvok blokkeerde de uitgang en zei, “ik ben onder de indruk, het had wel wat langer mogen duren, maar ik heb tenminste aan je verdiend. Nu maar hopen dat je lang genoeg in leven blijft om tegen Igor te kunnen vechten”.
Ik keek hem aan en zei, “ik maak een deal met je, ik blijf in leven om te vechten en jij zorgt ervoor dat als ik win van Igor dat ik weer eens kan neuken met een lekker wijf”. Hij lachte en zei, “Deal”.


Terug in mijn cel zag ik Kitano klaarzitten met zijn tattoeerspullen.
“Waarom ben je niet komen kijken?”, vroeg ik. “Ik wist al hoe het zou aflopen, dus dan heeft het weinig zin om te kijken, dan besteed ik mijn tijd liever nuttiger. Kom liggen, ik maak vanavond je tattoeage af. Ik heb besloten om nog wat ruimte over te laten, omdat ik over sommige zaken nog moet nadenken. Dit zou echter wel eens een jaar kunnen duren en ik denk niet dat jij dan nog steeds hier rond loopt”.
Ik zei niets en ging liggen, terwijl Kitano aan mijn rug werkte dacht ik aan Tess en aan thuis.
Na een uur stond Kitano op en zei, “het is voorlopig klaar”.
“Mag ik nu eindelijk kijken?”, vroeg ik. Hij knikte en liep de cel uit. Ik liep naar de hoofdbewaker van mijn blok. Hij was wel okay, tenminste tot die conclusie was ik de afgelopen tijd gekomen. “Mag ik u storen?”, vroeg ik. Hij keek me aan en knikte. “Zou ik gebruik mogen maken van een spiegel. U heeft er vast wel eentje in het kantoor neem ik aan”.
“Okay dan, wel maar eventjes”, antwoordde hij, “loop maar achter me aan”.
We gingen zijn kantoortje binnen en ik zag boven een wastafel een vergeelde spiegel hangen.
Hij wees naar de spiegel en ging zelf achter een bureau zitten.
Ik liep naar de spiegel en draaide mezelf om. In de spiegel zag ik een witte draak die er vreselijk uitzag. Hij was verwikkeld in een gevecht met demonen, vuur en bloed vlogen alle kanten op. Achter de rug van de draak werd de afbeelding vriendelijker en de kleuren minder agressief. Ik zag dat de draak enkele kleine draken beschermde, door er één van zijn vleugels boven te houden.
Er was inderdaad nog redelijk wat ruimte op het onderste gedeelte van mijn rug, maar zoals Kitano reeds had gezegd, daar moest hij nog over nadenken.
Hij was niet iemand die dingen deed zonder reden. De tattoeage op mijn rug was dus ook iets waar hij lang over had nagedacht.
Ik was in zijn ogen de witte draak die voortdurend in gevecht was met anderen. Een lelijk gedrocht, dat vocht met nog lelijkere demonen.
Waren de kleine draken onder de vleugel Charlie en Alexander ?
Een ding was me wel duidelijk, ik wist nu waar de bijnaam “White Dragon” vandaan kwam.


HOOFDSTUK 28.
De grond leek die dag extra hard en ik had moeite om mijn schep diep in de grond te krijgen.
Alex en Charlie hadden het zwaar en Kitano slaagde er weer in om een gezichtsuitdrukking te hebben die leek te zeggen dat hij het reuze naar zijn zin had.
Ik probeerde Alex en Charlie een beetje op te vrolijken door het vertellen van enkele moppen die ik me nog kon herinneren.
Charlie luisterde niet eens en Alex kon met moeite een glimlach op zijn gezicht toveren.
Ik merkte dat ik, naast de blikken van de Russen, nu ook de aandacht had van de meeste andere gevangenen. De Russen waren in me geïnteresseerd omdat ze wisten dat er een beloning op mijn hoofd stond. Voor alle andere gevangenen was ik sinds enkele dagen een succesvolle gladiator die zijn leven waagde in de kooi. Het had zijn voordelen, zo was ik ’s morgens eerder aan de beurt bij het ophalen van het ontbijt en kreeg ik ook iets extra’s toegestopt.
De bewaker die bij ons stond liet ons weten dat we door moesten werken en liep weg. Achteraf had dit voor mij een signaal moeten zijn, maar omdat het wel vaker gebeurde lette ik er niet extra op. Vluchten was immers geen optie vanwege de halsband die we allemaal om hadden.
Het zweet liep over mijn voorhoofd en ik pakte een doek uit mijn broekzak die ik gebruikte om het zweet af te vegen. Ik had de doek over mijn ogen toen ik achter me een schreeuw hoorde van Charlie. Snel draaide ik me om en zag dat Charlie op de grond lag en Alex met een beer van een vent over de grond rolde. Dit was niet alles, op een meter afstand van me stond Igor en zwaaide een lange stok richting mijn hoofd.
Ik was nog net op tijd om opzij te stappen en kon de stok met mijn linkerhand vastpakken.
Door een draaiende beweging te maken en de kracht van de zwaai wist ik Igor mee te nemen en hem met een inkomende beweging de stok te ontfutselen. Igor rolde van me weg en zag dat ik de stok had om zijn aanval mee af te slaan. Hij nam het zekere voor het onzekere en rende weg. In zijn vlucht hoorde ik hem roepen, “je bent nog niet van me af klootzak”.
Snel draaide ik me weer richting Alex en zag dat deze heftig bloedend op de grond lag. De tweede aanvaller lag bewegingsloos naast hem, met zijn gezicht naar de grond. Charlie keek me met een bleek gezicht aan, “ik was te laat”, riep hij.
Ik knielde naast Alex op de grond en zag dat er een zelfgemaakt mes in zijn buik stak.
Hij keek me met een van pijn vertrokken gezicht aan en zei, “nu staat het gelijk”. “Jij hebt mijn leven een keer gered en ik nu dat van jou”. “Ja”, antwoordde ik, “hou vol Alex”.
Met mijn rechterhand op de wond probeerde ik het hevige bloeden te stoppen, maar er was geen beginnen aan. “Charlie, haal een bewaker”, riep ik en zag hoe Charlie zich meteen uit de voeten maakte. Ik voelde dat iemand naast me stond en zag dat het Kitano was. Hij keek me aan en ging aan de andere kant van Alexander op de grond zitten.
“Alexander, je gaat het niet halen mijn beste”, zei hij. Ik was verbaasd over zijn woorden, maar wist dat hij gelijk had. Alexander bloedde zeer hevig en zelfs als er een bewaker met een verbanddoos zou komen, dan nog zou het niets uitmaken. Bovendien had ik niet de illusie dat het verder ook maar iemand interesseerde wat er met Alexander zou gebeuren.
Kitano legde een hand op Alexanders voorhoofd en ik zag dat Alex hier rustig van werd. “Is er nog iets dat ik voor je moet doen?”, vroeg Kitano. “Mijn zoon, mocht je hem ooit spreken dan vertel hem dat ik van hem hou en dat hij af en toe aan me moet denken”, zei Alexander.
Kitano glimlachte en zei, “dat hoef ik hem niet te vertellen Alexander, dat weet hij al”. Er kwam een soort van gelukzalige uitdrukking op Alexanders gezicht en hij keek Kitano en mij om beurten aan. Zijn ademhaling werd zwakker en onregelmatiger en een moment later hield hij op. Kitano sloot Alexanders ogen en stond op. “Zonder hem was je er nu niet meer geweest Tom, vergeet dat niet”, hij draaide zich om en liep weg. Ik voelde iets van binnen dat ik nog nooit eerder gevoeld had en wist niet wat ik moest doen. Wegrennen was wat ik wilde, maar waarheen. Bovendien zou wegrennen in de verkeerde richting me mijn kop kosten. Ik stond op en draaide me om naar de grote kerel die naast ons op de grond lag. Blijkbaar had Charlie hem met een klap van een schep uitgeschakeld. Er zat een diepe snee in zijn achterhoofd en overal zat bloed. Met mijn voet draaide ik hem om en was verbaasd een kreunend geluid te horen. Hij was niet dood, maar daar zou ik snel genoeg verandering in brengen. Ik herkende hem niet. Zijn ogen gingen open en hij keek me aan. De hak van mijn schoen belandde keihard in zijn strottehoofd.

Een paar minuten later kwam Charlie aangerend met op enige afstand twee bewakers.
De bewakers bekeken de situatie en mompelden wat tegen elkaar.
Nadat de dure halsbanden waren verwijderd moesten Charlie, Kitano en ik een diepe kuil graven waarin de lichamen van Alexander en de Rus werden gegooid. Graag had ik Alexander een fatsoenlijk graf gegeven, maar dat zat er hier niet in.
Er werd verder niet eens geïnformeerd naar wat er precies gebeurd was en een paar uur later zaten we weer in de vrachtwagen op weg terug naar het kamp, alsof er niets was gebeurd.

HOOFDSTUK 29.
Tuvok keek me met met verwondering aan.
“Dus jij wilt vechten met Igor en wel zo snel mogelijk?”, herhaalde hij. Ik knikte, “dat zei ik ja”. Hij stond op uit zijn bureaustoel en liep richting raam. “Waarom?”, vroeg hij. “Twee redenen”, antwoordde ik. “Hij was betrokken bij een aanslag op mij, waarbij iemand die ik mocht gedood werd en ik heb gewoon een hekel aan zijn kop”.
Tuvok moest lachen, “ja, hij heeft inderdaad geen sympathieke kop, maar ik heb wel al flink wat geld met hem verdiend. Hij is al lang hier en heeft al de nodige gevechten in de kooi achter de rug. Eerlijk gezegd denk ik ook niet dat je van hem kunt winnen”. Ik nam aan dat Tuvok dit laatste alleen maar zei om me te prikkelen, maar ik bleef rustig.
“Het gevecht gaat door ?”, vroeg ik. Tuvok knikte, “als ik het niet organiseer dan zul je hem waarschijnlijk toch proberen te pakken en op die manier heb ik er zelf helemaal niets aan. Ik organiseer het gevecht twee dagen na vandaag als jij me belooft geen gekke dingen te doen tot die tijd”. Dit was wat ik wilde, alleen baalde ik er van om twee dagen te moeten wachten.
“Ik blijf rustig, misschien is het een goed idee om Igor zo snel mogelijk op de hoogte te stellen. Waarschijnlijk zal hij ook blij zijn met het gevecht”, zei ik.
Tuvok gebaarde de bewaker dat hij me terug moest brengen naar de cel.

Die dag hoefden Charlie, Kitano en ik niet te werken. Waarschijnlijk een keuze van de bewakers omdat ze geen zin hadden in nog een incident buiten het kamp.
Terug in mijn cel zag ik Charlie lezen in één van mijn boeken en Kitano was aan het mediteren. Charlie nam het zichzelf nog steeds kwalijk dat hij te laat was geweest met de slag op het hoofd van de Rus. “Was ik niet zo sloom en bang geweest, dan had Alexander nu nog misschien geleefd”, had hij Kitano en mij al meerdere malen laten weten.
Ik probeerde hem te overtuigen dat hij er niets aan kon doen en belandde uiteindelijk in een welles nietes discussie die weinig zin had.
Kitano zei alleen maar, “Alexander neemt het je niet kwalijk”, en maakte er verder geen woorden aan vuil. Twee dagen wachten op een gevecht op leven en dood was geen lolletje. Het maakt niet uit hoe cool je bent, je bent er toch de hele tijd mee bezig.
Ik lag al enkele uren op mijn matras te suffen, toen Charlie opgewonden de cel in kwam gelopen. “Hoeren, er zijn hoeren in het kamp!!!”, riep hij. Hij was zo opgewonden als een klein kind en het leek wel alsof hij de dood van Alexander eventjes helemaal vergeten was.
“Echt waar, ze zijn net met een vrachtwagen aangekomen, vijf stuks. De mooiste ging gelijk naar Tuvoks bureau en de andere vier gingen naar de slaapverblijven van de bewakers”.
Plots hoorde ik Kitano hard lachen, hij zat geknield op de grond en wreef met zijn handen over zijn hoofd. “Wat heb jij daaraan Charlie, of denk je soms dat ze je zometeen komen halen om ook een nummertje te maken?. Arme Charlie, je leven wordt geleid door je driften en dan zit je op een plek als deze. Het moet echt zwaar voor je zijn hier”.
Charlie keek Kitano boos aan, “natuurijk is het zwaar hier, wat dacht jij dan?. Een behoorlijk stomme opmerking als ik het zeggen mag”. Kitano schudde zijn hoofd en glimlachte.
Charlie ging op zijn matras liggen en mompelde iets in het Chinees.

Twee uur later stond er één van de bewakers in de deuropening met een brede grijns op zijn gezicht.
Charlie keek hem aan en zei, “en was het lekker?”.
De bewaker lachte en zei, “natuurlijk, wil je ook ?”. Ik keek Charlie aan en was benieuwd of hij erin zou trappen. “Tuurlijk wil ik ook”, riep hij. “Kom maar op dan”, zei de bewaker en gebaarde dat hij achter hem aan moest lopen. Ik was met stomheid geslagen, ik was er zeker van geweest dat het een grap was.
Ze waren nu al een half uur weg en het zag er dus naar uit dat Charlie inderdaad de dag van zijn leven zou hebben vandaag. Ik gunde het hem van harte en vroeg me af wat ik geantwoord zou hebben, wanneer mij de mogelijkheid geboden was. Ik dacht nog dagelijks aan Tess, maar miste ook wel de seks. Waarschijnlijk zou ik met de bewaker meegegaan zijn en er achteraf spijt van hebben gehad.
Kitano leek mijn gedachten te kunnen lezen en vroeg of ik graag mee was gegaan. Ik antwoordde niet en haalde mijn schouders op.

Het was nu al bijna drie uur geleden dat Charlie met de bewaker was meegegaan en ik vroeg me af waarom het zo lang zou moeten duren. Ik begon me zorgen te maken.
Kitano was me voor en zei, “Charlie zit in de nesten denk ik” en ik was bang dat ik hem gelijk moest geven.
Ik wist dat het waarschijnlijk zinloos was, maar hoopte een beetje dat mijn reputatie als veelbelovende kooivechter een verschil zou maken. Ik liep naar de bewaker die aan het einde van de gang stond. Toen hij me aan zag komen lopen stopte hij met het schoonmaken van zijn nagels en ging rechtop staan om groter te lijken. Het was nog een jonge gast, zeker niet veel ouder dan twintig. “Wat moet je?”, vroeg hij nog voordat ik mijn mond nog maar had opengemaakt.
“Onze celgenoot Charlie, je weet wel die dikke Chinees, is nog steeds niet terug. Hij is een uur of drie, vier geleden met een collega van je meegegaan. Weet je misschien of er iets mis is?”.
“Daar weet ik allemaal niets van”, antwoordde hij. “Ga terug naar je cel, als ik zometeen wordt afgelost zal ik eens informeren”.
Wanneer ik een nobody was geweest en dat was eigenlijk iedereen hier tenzij je vocht in de kooi, dan had ik waarschijnlijk alleen een kolf van een machinegeweer in mijn gezicht gekregen in plaats van een antwoord.
Ik liep terug naar mijn cel en bracht Kitano op de hoogte.

Een klein uur later stond de jonge bewaker in onze celdeur. “Komen jullie beiden maar mee”, zei hij, “jullie vriend kan wel wat hulp gebruiken”.
Kitano en ik stonden snel op en liepen achter hem aan.
Bij het slaapverblijf van de bewakers aangekomen moesten we enkele minuten buiten wachten, totdat hij terugkwam en zei, “kamer vijf neem maar mee wat er van hem over is”.
Ik keek naar Kitano en hij naar mij toe. We liepen naar binnen en zagen dat alle kamers in het gebouw, waar zelden een gevangene kwam, grote nummers op de deur hadden.
Er kwam uit verschillende kamers geluid en gelach. Duidelijk waren de vrouwenstemmen te horen en ik merkte dat het horen van een vrouwenstem alleen al een uitwerking op me had, die ik niet verwacht had. Kitano liep voorop en stopte bij de deur waarop een grote vijf stond.
Toen hij de deur wilde openen merkten we dat de deur op een kier stond en langzaam naar binnen openzwaaide.
Hij liep voor me de kamer in en stond plotseling stil. Op bed lag een met bloed besmeurde Charlie. Hij was helemaal naakt en met handboeien waren zijn handen aan de bovenkant van het bed vastgeketend. De matras was doordrenkt met bloed en ik zag zijn buik zachtjes op en neer gaan. Hij leefde nog !!.
De reden van al dit bloed waren Charlies afgesneden testikels die beide naast het bed op de grond lagen. Ik had mezelf op veel voorbereid, maar zoiets smerigs als dit had ik niet verwacht, terwijl ik kookte van woede liep Kitano naar Charlie toe en ging naast hem op bed zitten en legde zijn hand op zijn buik.
Hij fluisterde iets in Charlies oor en ik zag dat Charlie iets terug wilde zeggen, maar er niet meer toe in staat was. Enkele minuten later was het afgelopen en ik zag Charlies buik niet meer op en neer gaan. Kitano bedekte Charlies gezicht en keek me aan.
In mijn gedachten was ik bezig iedereen in dit gebouw van kant te maken en ik wist dat ik snel rustig moest worden. Woede is een killer, het laat je onbezonnen dingen doen en maakt je gedachten troebel.
Kitano wist precies wat ik dacht en zei,”zet het van je af Tom. Je kunt er niets aan doen en het heeft ook geen zin om je er verder druk om te maken. Gebeurd is gebeurd, jij moet nog verder”.
Er verscheen een dronken bewaker in de deur die ons van alles toeschreeuwde. Ik verstond er niet veel van, maar genoeg om te begrijpen dat we geacht werden deze “rotzooi” zo snel mogelijk op te ruimen. Ik beheerste me, keek hem niet aan, en pakte samen met Kitano een aantal lakens waarin we Charlie wikkelden. Terwijl we zijn dode lichaam over de gang naar buiten droegen zag ik één van de hoeren op de gang. Ze had bloed op haar gezicht en glimlachte naar me. Ik keek haar niet aan en dwong mezelf er verder ook niet meer over na te denken. Terwijl ik langs haar liep rook ik haar parfum, het deed me niets meer.

We begroeven Charlie net buiten het kamp en tien minuten voordat de overige gevangenen na een dag hard zwoegen terug kwamen, zag ik de vrachtwagen met de hoeren het kamp verlaten. Het was natuurlijk niet bevordelijk voor de rust in het kamp om de dames op een later tijdstip terug te brengen. Nog nooit had ik zo’n hekel aan deze plek gehad als nu.
Ik moest hier weg.

HOOFDSTUK 30.
Ray drukte zijn rechter wijsvinger op de voordeur en het slot ging open.
Hij liet zijn koelkast een bestelling plaatsen en wachtte tot het eten zou arriveren.
Tijdens het wachten controleerde hij zijn berichten en keek naar het nieuws.
Tom was nu al zo lang weg, dat hij vreesde zijn neef nooit meer levend terug te zien. Niet dat dit het ergste was dat hij zich voor kon stellen, maar het bleef familie en ze hadden een behoorlijke periode samengewoond.
De deurbel ging en op de monitor naast de voordeur zag Ray een lange blonde kerel staan die hij nog nooit eerder gezien had.
Meestal waren de bezorgers van Arabische afkomst en waren nogal casual gekleed. Deze man droeg een driedelig pak en stond er nogal stijfjes bij.
De pizzadoos in zijn rechterhand liet Ray besluiten de voordeur toch maar open te doen, want dat was immers wat hij besteld had, een pizza funghi.
Ray had de deur nog niet helemaal open of de man aan de andere kant van de deur liet de pizza op de grond vallen en trapte de deur verder open. Ray vloog achteruit de kamer in en belandde met zijn hoofd tegen de tafel. Hij was even duizelig en zag hoe de reus iemand naar binnensleepte en in het midden van de kamer neerlegde. Het was de pizzabezorger die Ray wel kende en hij miste een deel van zijn gezicht. Het leek wel alsof er stukken uit waren gebeten.

De reus sloot de deur achter zich en liep richting Ray. Toen hij vlak voor hem stond pakte hij Ray onder zijn armen op en zette hem op de bank. Ray keek hem alleen maar aan en kon geen word uitbrengen. “Hoi, enkele vragen die u eerst dient te beantwoorden”, sprak de reus.
“Bent u de familie van Tom Brown?”.
Ray antwoordde niet en de Reus pakte zijn hand en begon er in te knijpen. Hij kneep zo hard dat Ray het uitgilde van de pijn. Vervolgens herhaalde hij zijn vraag, “Bent u de familie van Tom Brown?”. Ditmaal antwoordde Ray wel, “ja..ja...ik ben zijn Oom”.
“Heeft u de laatste paar weken nog contact met hem gehad ?”, was zijn volgende vraag.
“Nee...we weten niet waar hij is, hij is vermist”, antwoordde Ray. Hij keek de reus die nu naast hem op de bank zat aan. Rays ogen waren gericht op een merkwaardig litteken boven zijn linkeroog. “Die man daar; is hij dood?”, vroeg Ray aan de indringer. “Hij is inderdaad niet meer onder de levenden”, antwoordde de Reus, “maar dat zult u zometeen ook niet meer zijn. Ik zal me eventjes voorstellen, mijn naam is Josh en ik was de persoonlijke bodyguard van de heer Brennner. Dit alles zal u wel niet zoveel interesseren, maar dat komt nu. Mijn baas is namelijk vermoord door Tom Brown. Mijn opdracht is nu om de moordenaar van mijn baas te liquideren op een voor hem zo pijnlijk mogelijke wijze. Helaas is het op dit moment niet mogelijk voor mij om uw neef te vermoorden omdat hij in een gevangenkamp zit hier ver vandaan”. Ray stak zijn hand op, om aan te geven dat hij iets wilde zeggen. “U moet zich vergissen, Tom is geen moordenaar, hij ontwerpt internetsites”.
“Helaas heeft u hierin geen gelijk, maar deze discussie wens ik verder ook niet aan te gaan”, antwoordde de cyborg. “U gaat vanavond sterven en dat kan op twee manieren, snel en pijnloos of langzaam en pijnlijk, de keuze is aan u. Mocht u kiezen voor de snelle dood, dan moet u iets voor me doen. Ik wil dat u een brief voor me schrijft”.
“Je bent gek, ik doe helemaal niets voor jou !!”, riep Ray. De cyborg greep met één hand de weinige haren op Rays hoofd en met de andere hand sloeg hij hard op Rays gezicht. Vervolgens ging hij met twee vingers in Rays mond en brak een van de voorste kiezen af.
Ray gilde het uit en bloed liep uit zijn neus en mond.
“Dit is nog niets, op deze manier kan ik nog uren doorgaan”, zei de cyborg. “Wilt u misschien toch de brief schrijven ?”.
Ray knikte en wees naar zijn bureau, “daar ligt pen en papier, ik zal het even pakken”
De cyborg liet hem los en Ray liep richting het bureau. Op het bureau lag een ouderwetse schrijfblok en in de bovenste la lag een pen. De pen was echter niet het enige dat Ray pakte, naast de pen lag namelijk een schaar. Ray stopte de schaar snel achter zijn riem en hoopte dat hij zichzelf niet zou castereren als hij zometeen ging zitten.
Hij wilde zich net omdraaien toen hij plots de hand van de reus op zijn schouder voelde. “Ga maar aan het bureau zitten, dat schrijft makkelijker”
Ray plantte zichzelf in zijn bureaustoel en zette de pen op het papier.
“Goed, schrijf nu op wat ik zeg”, sprak de cyborg.
“Hallo Tom, ik hoop dat het goed met je gaat. Ik schrijf deze brief onder dwang, naast me staat iemand die een rekening met je te vereffenen heeft. Wanneer je deze brief leest ben ik dood. Ik zal zijn gestorven op een langzame en pijnlijke manier”. Ray keek de cyborg aan en deze schudde zijn hoofd. “Maakt u zich geen zorgen, dit is alleen om in de brief te zetten, u werkt goed mee en ik zal er voor zorgen dat u er verder niets van merkt. Schrijf nu verder!”.
Ray richtte zijn aandacht weer op de brief en wachtte tot de reus verder zou gaan met dicteren. De cyborg dacht een seconde na en zei, “na mijn dood zullen er nog meer volgen. Allemaal vrienden of bekenden van je. Er is niets wat je er aan kunt doen of veranderen. Zelfs als je morgen vermoord wordt, of je polsen doorsnijdt. Deze mensen zullen sterven !!”. Ray merkte dat zijn handen begonnen te trillen en hij voelde de punt van de schaar nu in zijn huid prikken. “De enige manier om het doden van deze mensen te voorkomen, is door hierheen te komen, maar dat zou voor jou wel eens een probleem kunnen zijn”.
De cyborg dacht enkele seconden na, “na mij duurt het een week voordat iemand anders vermoord wordt, dus haast je...”. Ray wist dat hij niet meer lang had en maakte zich klaar om een alles of niets poging te waagen met de schaar als wapen. “Dateer de brief en zet er je handtekening onder”, sprak de cyborg. Ray deed wat hem gezegd werd en zag dat er een grote zweetdruppel van zijn voorhoofd op de brief viel. Hierdoor liep de nog niet helemaal droge inkt van zijn handtekening een beetje uit. De cyborg zag het ook en zei, “geeft niet, het voegt iets extra’s toe”. De brief werd door de cyborg opgepakt en netjes opgevouwen. Ray wilde opstaan, maar kreeg onmiddelijk te horen dat hij moest blijven zitten.
De cyborg pakte uit zijn binnenzak een envelope en deed de brief erin. “Zo, nu nog een bureau vinden waar je nog brieven kunt posten”, sprak de cyborg.
Sinds enkele jaren werd er nog maar zo weinig gebruik gemaakt van verzonden briefwerk, dat de overheid had besloten om het postsysteem af te schaffen. Er waren echter nog steeds mensen die graag brieven schreven en dus waren er kleine bedrijfjes waar je geschreven brieven kon inleveren. Het kostte natuurlijk wel twintig maal zoveel om een brief te versturen als voorheen, maar het was dus nog steeds mogelijk.
“U heeft goed meegewerkt, ik zal het pijnloos houden”, zei de cyborg en liep op Ray toe. Ray stond snel op en graaide in zijn broek om de schaar eruit te halen. Hierbij stak hij zichzelf behoorlijk en zijn gezicht verschoot van de pijn.
Met de schaar in de hand liep hij achteruit en de cyborg zei, “daar zult u niet veel aan hebben”. Toen de cyborg vlak voor hem stond stak Ray met de schaar richting buik. Zijn aanval werd makkelijk afgeweerd en door een karate slag in zijn nek verloor hij zijn bewustzijn.
Ray werd vier dagen later gevonden met twee uitgestoken ogen en vier afgesneden vingers, het leek alsof hij uren gemarteld was.

HOOFDSTUK 30.
Ray drukte zijn rechter wijsvinger op de voordeur en het slot ging open.
Hij liet zijn koelkast een bestelling plaatsen en wachtte tot het eten zou arriveren.
Tijdens het wachten controleerde hij zijn berichten en keek naar het nieuws.
Tom was nu al zo lang weg, dat hij vreesde zijn neef nooit meer levend terug te zien. Niet dat dit het ergste was dat hij zich voor kon stellen, maar het bleef familie en ze hadden een behoorlijke periode samengewoond.
De deurbel ging en op de monitor naast de voordeur zag Ray een lange blonde kerel staan die hij nog nooit eerder gezien had.
Meestal waren de bezorgers van Arabische afkomst en waren nogal casual gekleed. Deze man droeg een driedelig pak en stond er nogal stijfjes bij.
De pizzadoos in zijn rechterhand liet Ray besluiten de voordeur toch maar open te doen, want dat was immers wat hij besteld had, een pizza funghi.
Ray had de deur nog niet helemaal open of de man aan de andere kant van de deur liet de pizza op de grond vallen en trapte de deur verder open. Ray vloog achteruit de kamer in en belandde met zijn hoofd tegen de tafel. Hij was even duizelig en zag hoe de reus iemand naar binnensleepte en in het midden van de kamer neerlegde. Het was de pizzabezorger die Ray wel kende en hij miste een deel van zijn gezicht. Het leek wel alsof er stukken uit waren gebeten.

De reus sloot de deur achter zich en liep richting Ray. Toen hij vlak voor hem stond pakte hij Ray onder zijn armen op en zette hem op de bank. Ray keek hem alleen maar aan en kon geen word uitbrengen. “Hoi, enkele vragen die u eerst dient te beantwoorden”, sprak de reus.
“Bent u de familie van Tom Brown?”.
Ray antwoordde niet en de Reus pakte zijn hand en begon er in te knijpen. Hij kneep zo hard dat Ray het uitgilde van de pijn. Vervolgens herhaalde hij zijn vraag, “Bent u de familie van Tom Brown?”. Ditmaal antwoordde Ray wel, “ja..ja...ik ben zijn Oom”.
“Heeft u de laatste paar weken nog contact met hem gehad ?”, was zijn volgende vraag.
“Nee...we weten niet waar hij is, hij is vermist”, antwoordde Ray. Hij keek de reus die nu naast hem op de bank zat aan. Rays ogen waren gericht op een merkwaardig litteken boven zijn linkeroog. “Die man daar; is hij dood?”, vroeg Ray aan de indringer. “Hij is inderdaad niet meer onder de levenden”, antwoordde de Reus, “maar dat zult u zometeen ook niet meer zijn. Ik zal me eventjes voorstellen, mijn naam is Josh en ik was de persoonlijke bodyguard van de heer Brennner. Dit alles zal u wel niet zoveel interesseren, maar dat komt nu. Mijn baas is namelijk vermoord door Tom Brown. Mijn opdracht is nu om de moordenaar van mijn baas te liquideren op een voor hem zo pijnlijk mogelijke wijze. Helaas is het op dit moment niet mogelijk voor mij om uw neef te vermoorden omdat hij in een gevangenkamp zit hier ver vandaan”. Ray stak zijn hand op, om aan te geven dat hij iets wilde zeggen. “U moet zich vergissen, Tom is geen moordenaar, hij ontwerpt internetsites”.
“Helaas heeft u hierin geen gelijk, maar deze discussie wens ik verder ook niet aan te gaan”, antwoordde de cyborg. “U gaat vanavond sterven en dat kan op twee manieren, snel en pijnloos of langzaam en pijnlijk, de keuze is aan u. Mocht u kiezen voor  de snelle dood, dan moet u iets voor me doen. Ik wil dat u een brief voor me schrijft”.
“Je bent gek, ik doe helemaal niets voor jou !!”, riep Ray. De cyborg greep met één hand de weinige haren op Rays hoofd en met de andere hand sloeg hij hard op Rays gezicht. Vervolgens ging hij met twee vingers in Rays mond en brak een van de voorste kiezen af.
Ray gilde het uit en bloed liep uit zijn neus en mond.
“Dit is nog niets, op deze manier kan ik nog uren doorgaan”, zei de cyborg. “Wilt u misschien toch de brief schrijven ?”.
Ray knikte en wees naar zijn bureau, “daar ligt pen en papier, ik zal het even pakken”
De cyborg liet hem los en Ray liep richting het bureau. Op het bureau lag een ouderwetse schrijfblok en in de bovenste la lag een pen. De pen was echter niet het enige dat Ray pakte, naast de pen lag namelijk een schaar. Ray stopte de schaar snel achter zijn riem en hoopte dat hij zichzelf niet zou castereren als hij zometeen ging zitten.
Hij wilde zich net omdraaien toen hij plots de hand van de reus op zijn schouder voelde. “Ga maar aan het bureau zitten, dat schrijft makkelijker”
Ray plantte zichzelf in zijn bureaustoel en zette de pen op het papier.
“Goed, schrijf nu op wat ik zeg”, sprak de cyborg.
“Hallo Tom, ik hoop dat het goed met je gaat. Ik schrijf deze brief onder dwang, naast me staat iemand die een rekening met je te vereffenen heeft. Wanneer je deze brief leest ben ik dood. Ik zal zijn gestorven op een langzame en pijnlijke manier”. Ray keek de cyborg aan en deze schudde zijn hoofd. “Maakt u zich geen zorgen, dit is alleen om in de brief te zetten, u werkt goed mee en ik zal er voor zorgen dat u er verder niets van merkt. Schrijf nu verder!”.
Ray richtte zijn aandacht weer op de brief en wachtte tot de reus verder zou gaan met dicteren. De cyborg dacht een seconde na en zei, “na mijn dood zullen er nog meer volgen. Allemaal vrienden of bekenden van je. Er is niets wat je er aan kunt doen of veranderen. Zelfs als je morgen vermoord wordt, of je polsen doorsnijdt. Deze mensen zullen sterven !!”. Ray merkte dat zijn handen begonnen te trillen en hij voelde de punt van de schaar nu in zijn huid prikken. “De enige manier om het doden van deze mensen te voorkomen, is door hierheen te komen, maar dat zou voor jou wel eens een probleem kunnen zijn”.
De cyborg dacht enkele seconden na, “na mij duurt het een week voordat iemand anders vermoord wordt, dus haast je...”. Ray wist dat hij niet meer lang had en maakte zich klaar om een alles of niets poging te waagen met de schaar als wapen. “Dateer de brief en zet er je handtekening onder”, sprak de cyborg. Ray deed wat hem gezegd werd en zag dat er een grote zweetdruppel van zijn voorhoofd op de brief viel. Hierdoor liep de nog niet helemaal droge inkt van zijn handtekening een beetje uit. De cyborg zag het ook en zei, “geeft niet, het voegt iets extra’s toe”. De brief werd door de cyborg opgepakt en netjes opgevouwen. Ray wilde opstaan, maar kreeg onmiddelijk te horen dat hij moest blijven zitten.
De cyborg pakte uit zijn binnenzak een envelope en deed de brief erin. “Zo, nu nog een bureau vinden waar je nog brieven kunt posten”, sprak de cyborg.
Sinds enkele jaren werd er nog maar zo weinig gebruik gemaakt van verzonden briefwerk, dat de overheid had besloten om het postsysteem af te schaffen. Er waren echter nog steeds mensen die graag brieven schreven en dus waren er kleine bedrijfjes waar je geschreven brieven kon inleveren. Het kostte natuurlijk wel twintig maal zoveel om een brief te versturen als voorheen, maar het was dus nog steeds mogelijk.
“U heeft goed meegewerkt, ik zal het pijnloos houden”, zei de cyborg en liep op Ray toe. Ray stond snel op en graaide in zijn broek om de schaar eruit te halen. Hierbij stak hij zichzelf behoorlijk en zijn gezicht verschoot van de pijn.
Met de schaar in de hand liep hij achteruit en de cyborg zei, “daar zult u niet veel aan hebben”. Toen de cyborg vlak voor hem stond stak Ray met de schaar richting buik. Zijn aanval werd makkelijk afgeweerd en door een karate slag in zijn nek verloor hij zijn bewustzijn.
Ray werd vier dagen later gevonden met twee uitgestoken ogen en vier afgesneden vingers, het leek alsof hij uren gemarteld was.


HOOFDSTUK 31.
Kitano werkte vandaag samen met twee nieuwe gevangenen. De grootste van de twee was een echte bullebak en zou ongetwijfeld binnen de korste keren in de kooi staan. Waarschijnlijk was hij voorheen een bodyguard van een of andere gangsterbaas geweest. De kleinere leek meer op een politieke gevangene. Kitano amuseerde zichzelf door te luisteren naar de gesprekken tussen de twee, die voornamelijk gingen over hoe te overleven in een kamp zoals dit. Ik zat zelf opgesloten in mijn cel met een bewaker voor de deur. Vanavond was het gevecht tussen Igor en mij en Tuvok wilde zeker weten dat me niets zou overkomen.
Ik vond het prima het gaf me de mogelijkheid om te mediteren en me zodoende voor te bereiden op het gevecht.

“Hey, jij bent toch het vriendje van die klootzak waar ik vanavond tegen moet vechten”, hoorde Kitano plotseling roepen. Kitano keek op en zag Igor met drie Russen op enkele meters afstand van hem werken. Tussen hen stond een bewaker uit zijn neus te peuteren. Normaal gesproken zou roepen tijdens het werk goed zijn voor een paar slagen met een knuppel, maar omdat het Igor was werd er niets over gezegd. Dat was een van de voordelen die je had als kooivechter. Je kreeg minder snel problemen, je kreeg meer eten en er werd door iedereen tegen je op gekeken.
Kitano ging verder met werken alsof hij niets gehoord had. “Hey, ik praat tegen je”, riep Igor nog een keer.
“Hey, godverdomme...kijk me aan als ik tegen je praat. Ben je soms doof? Jij en die klootzak zitten zeker regelmatig in elkaars kont en zijn nu zo verstopt dat je zelfs niets meer kunt horen”. De drie Russen die achter Igor stonden schaterden van het lachen. De twee nieuwelingen keken elkaar eens aan en namen alvast een paar passen afstand van Kitano, om zo duidelijk aan te geven dat ze niets met hem te maken hadden.
Igor ging op deze manier nog een uur door, totdat de bewaker er helemaal gek van werd en besloot om Kitano en de twee nieuwelingen honderd meter verderop te laten werken.
“Pas op dat je niet verder van de vrachtwagens afloopt, want dat zou je wel eens je kop kunnen kosten. We zitten hier op de grens van de veilige zone”, zei de bewaker nog voordat hij zich terug trok.
Toen de bewaker weg was sprak de bullebak Kitano aan. “Wie was die vent die je zo zat uit te schelden?”. Kitano keek hem aan en zei, “een niemand”.
“Je kan beter van je afbijten, want anders red je het hier niet lang”, zei de kleinere. Kitano zei niets maar je kon duidelijk zien dat hij lol had aan deze opmerking.
“Dat je er tegen kan om zolang aan een stuk beledigd te worden”, zei de ander weer, “ik was allang ontploft en had hem aangevlogen”.
Kitano stopte met graven en keek de twee nieuwelingen aan. “Ik zal jullie eens een verhaal vertellen”, zei hij.

Er leefde eens een groot krijger. Hij was al behoorlijk op leeftijd, maar toch was er nog steeds niemand in geslaagd hem te verslaan. Zijn reputatie groeide en groeide en veel jonge krijgers meldden zich bij hem om onder hem te studeren.
Op een dag arriveerde er een jonge krijger. Hij was sterk en had nog nooit een gevecht verloren. Hij had zich voorgenomen om de oude krijger te verslaan en zo een reputatie voor zichzelf op te bouwen. Naast zijn kracht had hij de gave om snel de zwakke punten van een tegenstander te vinden en hiervan gebruik te maken. Wanneer een zijn tegenstander een beweging maakte had hij meteen door waar zwakte lag.
Ondanks dat veel leerlingen de oude krijger waarschuwden niet het gevecht met deze jongeling aan te gaan, accepteerde de oude krijger de uitdaging zonder er verder over na te denken.
Op de dag van het duel begon de jonge krijger de oude krijger uit te schelden en te vernederen, om zodoende snel een actie van de oude krijger uit te lokken. De oude krijger bleef echter doodstil staan met zijn zwaard in de hand. Na uren van schreewen, spugen en zand gooien naar de oude krijger, was hij er nog niet in geslaagd een beweging van de oude krijger uit te lokken. Uiteindelijk raakte de jonge krijger uitgeput en wist hij dat hij verloren had. Beschaamd trok hij zich terug.
Enigzins teleurgesteld dat het niet tot een echt gevecht gekomen was, verzamelden de leerlingen van de oude krijger zich om hem heen. “Meester hoe kon u zich al die verwensingen en vernederlingen laten welgevallen?”, sprak één van de leerlingen.
De meester borg zijn zwaard op en zei, “als iemand je een cadeau wil geven, maar het komt nooit bij jou aan. Wie is dan de eigenaar van het cadeau?”.

De nieuwelingen keken elkaar aan en haalden de schouders op. Kitano lachte en ging weer verder met graven.


HOOFDSTUK 32.
Er werd door een bewaker op mijn schouder getikt en ik draaide me langzaam om. “Het is zover”, zei hij en wenkte dat ik hem moest volgen.
Bij het verlaten van de cel keek ik Kitano, die rustig in een boek zat te lezen, aan. Hij keek niet eens op en liet zich niet uit zijn concentratie halen. Ik volgde de bewaker door de gang en hoorde toen we bijna buiten waren het rumoer van de gevangenen die rond de kooi stonden en op de tribune zaten. Ik was nog maar net buiten of kreeg een grote groene fluim recht in mijn gezicht. Ik keek opzij en zag hoe een grote getattoeeerde Rus me lachend aankeek. “Je zult zometeen sterven als een hond”, riep hij me toe. Het deed me echter helemaal niets. Ik ging zometeen een gevecht aan dat ik moest winnen. Zou ik verliezen, dan zou mijn kadaver hier buiten de muren van het kamp gedumpt worden en dit was niet een plek waar ik de eeuwigheid wilde doorbrengen. Ik zag in de kooi Tuvok en Igor staan. Beiden hadden een grote grijns op hun gezicht. Tuvok omdat hij genoot van dit soort zaken en Igor omdat hij dacht mij op die manier te kunnen intimideren. Ik nam niet de moeite om een cool gezicht op te zetten, maar benutte deze laatste minuten nog eventjes om mijn spieren iets losser te maken.
Eenmaal in de kooi begon Tuvok aan een toespraak van tien minuten, waarvan ik geen woord mee kreeg. Hij verliet de kooi en wenste Igor en mij geluk toe. Igor trok zijn trui uit en probeerde me te intimideren met een gespierd lichaam en zijn vele littekens. Ik volgde zijn voorbeeld, echter niet om dezelfde reden. Een ontbloot bovenlichaam pak je minder makkelijk vast dan een trui. Hij begon om me heen te lopen en zei, “hier heb ik lang op gewacht. Die rotkop van jouw ruk ik eraf en trap hem persoonlijk hier over de muur”.
“Igor, ik zie nogal veel kruisen op je lichaam, ben je gelovig? Ik denk namelijk dat je over enkele minuten je schepper zult ontmoeten en die wil vast wel weten wat je zoal met je leven gedaan hebt. Al eens over nagedacht?”, zei ik. Hij keek me verward aan en zei, “Lul niet man!!”. Vervolgens stelde hij me een vraag, “weet je wat ik met die celgenoot van jou ga doen?”. Ik kon niet geloven dat hij deze truc bij mij uitprobeerde. Het is waarschijnlijk de meest toegepaste techniek om een verrassingsaanval te maken. Door het stellen van een vraag zijn je hersens een seconde bezig met het interpreteren van de vraag. Deze tijd gebruikt de aanvaller om onverwachts toe te slaan. De fractie van een seconde kan vaak het verschil uitmaken. Bij mij werkte het nu anders, ik wist dat hij na de vraag zou aanvallen dus eigenlijk was het meer een waarschuwing. Hij dook naar mijn benen en wilde het gevecht dus zo snel mogelijk naar de grond brengen. Ik stapte achteruit en gaf een low-kick naar zijn gezicht. Hij kon de trap blokkeren met zijn handen, maar lag nu wel op de grond terwijl ik nog steeds stond. Een serie trappen van mij was wat volgde waarvan hij de eerste twee nog redelijk kon opvangen, maar de derde raakte hem vol op de borst. Hij viel achterover en had duidelijk moeite met ademhalen. Nu was het tijd om het af te maken en ik liep snel naar voren om hem in een wurgklem te nemen. Ik stond op het punt om hem om de hals te grijpen toen ik plots een harde knal tegen mijn hoofd voelde. Een kort ogenblik was ik duizelig en liep een paar passen achteruit. Ik zag op de grond een mes liggen en voelde aan mijn achterhoofd. Er was wel wat bloed, maar niet veel. Het mes had me geraakt met het handvat in plaats van met het lemmet. Igor was er sneller bij dan ik en zwaaide wild met het mes om me op afstand te houden. Ik keek snel eventjes naar de ingang van de kooi waar Tuvok stond en vroeg me af of hij zou ingrijpen, het zag er echter niet naar uit. Waarschijnlijk had zijn zijn geld op Igor gezet en vond dus het voordeel van een mes in dit geval geen reden om in te grijpen.
“Ik snij je oren eraf en hang ze om mijn nek aan een ketting”, riep Igor. Hij kwam naar me toe en ik merkte dat ik langzaam naar een hoek van de kooi gedreven werd. Igor was een ervaren mesvechter dat was me al meteen duidelijk. Ik zou er vanuit moeten gaan dat ik geraakt zou gaan worden.  Igor probeerde me in mijn nek te steken, maar ik kon nog net een ontwijkende beweging maken. Helaas niet ontwijkend genoeg want het mes haalde de zijkant van mijn rechteronderarm open. Ik plantte mijn knie tegen zijn ribben en hoorde hoe de lucht uit zijn longen verdween. Hij liet het mes vallen en ik gaf hem een klap met mijn handpalm tegen zijn onderkin. Igor viel achterover en ik benutte de tijd om het mes achter me op te rapen. Toen ik weer naar Igor keek zag ik iets op de grond liggen en zag dat het een stuk van zijn tong was. Hij bloedde flink uit zijn mond en was door het dolle heen. Van een doordachte aanval van zijn kant was geen sprake meer en hij kwam krijsend op me afgestormd. Het enige wat ik nog hoefde te doen was het mes recht voor me houden. Hij liep er als het ware vanzelf in. Toen het mes zijn buik binnendrong keek hij me met verbaasde ogen aan. “Deze is voor Charlie en Alexander”, sprak ik en deed een stap achteruit, waarbij ik het mes met een draaiende beweging uit zijn buik trok. Hij viel op zijn knieën en greep met beide handen naar het gat in zijn buik. Op de tribune was het muisstil geworden en ik keek opzij naar Tuvok. Zijn gelaatsuitdrukking was die van een sporter die alweer een partij verliezend heeft afgesloten.
Ik liep naar Igor en greep hem bij een oor. “Wacht nog effe voor je kapot omvalt, ik heb nog een oor nodig voor mijn verzameling”, zei ik.
Hij was al zo ver heen dat ik niet denk dat hij me verstond, maar ik deed het ook niet zozeer voor hem, danwel voor de toeschouwers op de tribune. Met het mes sneed ik zijn rechter oor af en toen het oor losliet viel Igor achterover. Ik keek enkele seconden naar het oor gooide het omhoog alsof het een bos sleutels was, ving het op en stak het in mijn zak. Vervolgens liep ik fluitend naar de uitgang van de kooi.
Terwijl ik op de tribune een groot rumoer hoorde keek Tuvok me met open ogen aan. “Volgende keer kun je je geld beter op mij zetten”, zei ik tegen hem. “Mag ik vragen voor naald en garen”, en wees daarbij naar mijn rechterarm. Hij knikte en brulde iets tegen een bewaker. Op de terugweg naar mijn cel passeerde ik de Rus die me in het gezicht had gespuwd. Hij deed een pas achteruit en zei niets.

Terug in de cel ging ik op mijn matras zitten en keek naar Kitano die nog steeds verzonken was in zijn boek. Hij keek niet op, maar zei, “ik hoop dat je nu tevreden bent”. 
Een paar minuten later stond er een bewaker in de deur met naald en garen. Kitano hechtte mijn arm weer dicht.


HOOFDATUK 33.
Het was nu een week geleden dat ik Igor in de kooi had gedood en ik was tot nu toe door niemand lastig gevallen. Iedereen ging een stapje opzij als ik door moest en de bewakers waren redelijk aardig tegen me.
Mij werd gevraagd of ik naar Tuvoks kantoor wilde komen. Een paar weken geleden werd me nog helemaal niets gevraagd. Ik klopte op Tuvoks deur en ging naar binnen. Dit was de eerste keer sinds het kooigevecht dat ik hem sprak en hij bood me zelfs een glas vodka aan. Ik accepteerde natuurlijk maar al te graag. Ik miste de alcohol, meer dan ik eigenlijk zou moeten. Ik had zelfs al enkele malen een brouwsel van enkele medegevangenen geprobeerd dat ze stiekem maakten. Het smaakte afschuwelijk en je had het gevoel dat je maag wegbrandde, maar iedereen dronk het graag.
Op Tuvoks bureau lag een envelopje en hij schoof hem naar mij toe.
“Je hebt een brief gekregen van je oom”, sprak Tuvok. Ik keek hem aan en hij zei, “natuurlijk heb ik hem eerst gelezen, zo zijn de regels hier nu eenmaal”. Ik pakte de enveloppe van tafel en nam de brief eruit en begon hem te lezen.

Hallo Tom, ik hoop dat het goed met je gaat.
Ik schrijf deze brief onder dwang, naast me staat iemand die een rekening met je te vereffenen heeft. Wanneer je deze brief leest ben ik dood. Ik zal zijn gestorven op een langzame en pijnlijke manier.
Na mijn dood zullen er nog meer volgen, allemaal vrienden of bekenden van je.
Er is niets wat je er aan kunt doen of veranderen. Zelfs als je morgen vermoord wordt, of je polsen doorsnijdt. Deze mensen zullen sterven!!. De enige manier om de dood van deze mensen te voorkomen, is door hierheen te komen. Helaas zou dit voor jouw wel eens een probleem kunnen zijn.
Na mij duurt het een week voordat iemand anders vermoord wordt, dus haast je...

Meer tekst was er niet en onderaan de brief stond een datum en de handtekening van Ray.
Ik had Rays handschrift al herkend, maar de handtekening haalde de laatste twijfels weg. De handtekening was enigszins doorgelopen het leek wel of er een traan op het papier was gevallen. Ik pakte het glas vodka van tafel en sloeg het in één teug achterover. De alcohol brandde in mijn keel en ik voelde hoe het door mijn slokdarm omlaag liep.
“De brief is vandaag bezorgd. Ik weet niet of het klopt wat in de brief staat, maar als het waar is dan spijt me dat voor je. Het is trouwens een dure grap om een brief hier te laten bezorgen dus als het inderdaad een grap is, dan van iemand met geld”, zei Tuvok.
Ik keek Tuvok aan, maar zei niets. De brief was, als de datum onderaan klopte, nu zes dagen oud. Er zou dus, als het allemaal klopte, morgen weer iemand vermoord worden die ik kende.
Er ging een raar gevoel door me heen en ik zag in mijn gedachten het levenloos gezicht van Tess in een grote plas bloed. Mijn hersens maakten overuren, wie was het?, hoe hadden ze me gevonden?, zou de organisatie iets doen?.
Ik dacht aan Ray, de man die me als jonge nietsnut had opgevangen en voor me gezorgd. Nooit had ik echt gevoelens voor hem gehad en de meeste tijd dat ik bij hem woonde was de sfeer tussen ons gespannen, maar hij was familie en nu was hij dood. Tenminste als het allemaal klopte.
“Kunt u controleren of dit verhaal waar is?”, vroeg ik aan Tuvok. Hij keek me vol medelijden aan, maar schudde resoluut van nee. “Dat doen we niet Tom, je hebt hier geen rechten en zelfs bij zoiets als dit hoef je niet op onze hulp te rekenen”, zei Tuvok. “Als het waar is, dan wordt morgen misschien zelfs mijn vriendin vermoord!!!”, schreeuwde ik. Hij haalde zijn schouders op en zei, “je hebt er zelf voor gekozen iemand te vermoorden, daarmee vervallen al je rechten en zal hier ook niemand medelijden met je hebben”. Ik wilde nog wat zeggen, maar realiseerde me dat het toch geen nut zou hebben.
Ik moest hier weg en hopen dat ik op tijd was om Tess nog te redden. Misschien was het wel allemaal gelogen, maar daar kon ik niet van uitgaan. Ik was er redelijk zeker van dat Ray de brief had geschreven en deze zou zoiets nooit doen, als hij inderdaad niet gedwongen was.

“Okay, ik begrijp het”, zei ik. “Ik moet gewoon proberen er hier het beste van te maken”
Tuvok knikte instemmend, “zo is het maar net”, zei hij. “Weet je ook hoe?”.
Ik keek hem vragend aan, maar wist natuurlijk allang wat hij zou gaan zeggen. “Je hebt een gave, je kunt goed vechten en daar kun je hier gebruik van maken. Met de dood van Igor heb ik een belangrijke kooivechter verloren, die klootzak was verdomd goed en leverde mooie bloedige gevechten. Denk je dat jij mijn nieuwe Igor kunt worden?”, vroeg Tuvok.
“Ik denk van wel, ik heb hem immers verslagen”, antwoordde ik, “maar dan wil ik er wel wat voor terughebben”.
Tuvok keek me nieuwsgierig aan, “wat wil je dan?”.
“Ik mis de seks en wil met de volgende bewakers die op weekendverlof gaan mee”, antwoordde ik. Tuvok lachte, “je denkt natuurlijk dan te kunnen ontsnappen, maar laat me die droom gelijk de nek omdraaien. Stel dat je mee mag, dan krijg je toch een halsband om, dus ontsnappen is er niet bij. Tenminste niet met een kop op je schouders”.
“Ik vraag het om de seks, niet om te kunnen ontsnappen”, loog ik. Tuvok dacht een paar seconden na. “Ik organiseer een nieuw gevecht voor morgen, er komt morgen namelijk een vriend van me op bezoek en die wil ik wel wat entertainment aanbieden. Mocht je dat gevecht op een spectaculaire manier winnen, dan mag je dit weekend mee. Er zijn vier bewakers die weekendverlof hebben, maar ik zal ze er zeker op attenderen scherp op je te letten”.
Ik schoof mijn lege vodkaglas naar hem toe en zei, “geen zorgen”. Tuvok schonk me nog een glas in.

Die nacht had ik een vreselijke droom, waarin iedereen die ik kende werd vermoord door een gigantische witte demon. Ik kon niets anders doen dan toekijken.


HOOFDSTUK 34.
Masato en Henry dronken samen een kop koffie na de training en spraken over de verdwijning van Tom. Het nieuws van Rays dood had hen nog niet bereikt en het was maar de vraag of ze er ooit achter zouden komen. In Rays adressenbestand stond alleen Tom als naaste familielid geregistreerd en de politie was op de hoogte van diens verdwijning.
“Ik heb echt geen flauw idee, waar hij zou kunnen zitten”, zei Henry. Masato nam een laatste slok koffie en zei, “het lijkt wel alsof hij een geheime agenda had. Misschien is Tom niet de man die wij denken dat hij is. Ik bedoel als zelfs zijn vriendin door hem op een verkeerd spoor is gezet, wie weet..”.
Henry knikte, “ik kan me niet voorstellen dat hij dood is, dat geloof ik gewoon niet”. Masato zette zijn lege kop op tafel en zei, “ik ben geen helderziende, maar kan er verder geen zinnig woord meer over zeggen. We moeten er maar het beste van hopen”.
Henry dronk zijn kop ook leeg en stond op. “Morgen wapentraining?”, vroeg hij aan Masato.
“Jo, ik zag dat je daar de laatste keer nogal wat problemen mee had. Je moet er niet meer van maken dan het is, gewoon een houten stok niet meer en niet minder”. Henry lachte en liep richting uitgang. Masato sloot de deuren van de dojo achter hem en zag aan de overkant van de straat een lange blonde man staan. Nadat Masato hem door de glazen deur enkele seconden had aangekeken liep de man weg. Masato ging naar boven en opende het schrift waarin hij aantekeningen maakte over de training en de diverse studenten.
Niet dat het echt nodig was, want hij wist precies wat de sterke en zwakke punten van elke leerling waren. Hij dacht eventjes aan Tom en vroeg zich af of hij hem ooit nog zou zien. Tom was zonder twijfel de meest talentvolle leerling die hij ooit had gehad. Misschien was talentvol niet het juiste woord, maar hij had sinds zijn aankomst in de Europese Unie nog nooit een leerling gezien, die budo met dezelfde intensiteit beleefde dan Tom. Hij zag Tom als zijn opvolger, maar vroeg zich sinds de verdwijning af hoe het met Tom’s leven buiten de dojo gesteld was.
De zeven principes van de samoerai waren nog steeds de waarden waar Masato zich aan hield en waarvan hij ook verwachtte dat een mogelijke opvolger deze ook zou respecteren:
Gi; altijd de juiste beslissing nemen met de juiste houding, gebaseerd op de waarheid.
Yu; dapperheid.
Jin; universele liefde en compassie ten opzichte van anderen
Rei; beleefdheid
Makato; oprechtheid
Melyo; eer en glorie
Chugo; loyaliteit

Hij wilde zijn schrift net dichtslaan toen hij beneden het lawaai van vallend glas hoorde.
Bij de meeste mensen zou zoiets leiden tot een schrikreactie, maar Masato stond rustig op en liep naar de trap. Toen hij naar beneden keek zag hij een grote gedaante de trap op lopen. Het duurde eventjes voordat hij de man herkende. Het was de grote blonde man die eerder aan de overkant van de straat stond. “Welkom”, zei Masato en ging enkele passen achteruit zodat de man makkelijk naar boven lopen kon. Masato draaide zich om en liep voor hem uit de woonkamer in. “Misschien heeft u het niet gezien, maar er zit ook een ouderwetse deurbel naast de deur”. Masato keek naar het litteken dat de man boven zijn linkeroog had. Masato voelde de afwezigheid van een ziel en wist meteen dat dit iets met de verdwijning van Tom te maken had. Josh leek enigszins in de war omdat Masato niet reageerde zoals hij had verwacht. De geprogrammeerde reacties op het met geweld binnendringen van een woning waren agressie en angst, echter iemand die volkomen rustig bleef en beleefd, was “not found” in het brein van de cyborg. Na een paar seconden zei de cyborg, “ik had de bel gezien, maar dacht dat u me wellicht niet binnen zou laten. U verwachtte me?”. “Niet echt”, antwoordde Masato. “U weet wel waarom ik hier ben?”, vroeg de cyborg. Masato pakte zich nog een tweede kop koffie en vroeg aan Josh of hij er ook één wilde. De cyborg schudde van nee en ging tegenover Masato aan tafel zitten. “Ik vermoed dat uw komst iets te maken heeft met de verdwijning van één van mijn leerlingen. U lijkt me niet iemand die erop uit is om me te beroven”. De cyborg knikte instemmend, “U heeft helemaal gelijk”. “Weet u waar mijn leerling op dit moment is?”, vroeg Masato. De cyborg gaf Masato de exacte locatie van het kamp. “Helaas heeft u niet meer veel aan deze informatie, want vandaag zult u gaan sterven”.
Masato nam nog een slok koffie en zette de kop weer rustig terug op tafel..
“Weet u zeker dat u geen koffie wilt?”. De cyborgs schudde nog een keer van nee.
“Ik zal u vertellen waarom uw leerling in de gevangenis zit”, zei de cyborg en vertelde vervolgens het hele verhaal van a tot z.
Hij eindigde met, “Uw dierbare leerling is dus een werkelijkheid niet meer dan een ordinaire huurmoordenaar, die helaas er in geslaagd is zijn opdracht uit te voeren”.
Masato schudde zijn hoofd en zei, “jammer”.
“Zoveel capaciteiten en dan zo je leven vergooien”.
De cyborg zei, “nu gaat u een brief voor me schrijven en ik zal deze vervolgens opsturen naar het kamp waar Tom Brown zit”. Masato nam nog een slok koffie, “wat zou in die brief staan?”. “Ongeveer hetzelfde als wat ik zijn oom heb laten schrijven”, antwoordde de cyborg, “namelijk dat ik u zo meteen op een pijnlijke en langzame manier zal doden en dat het een week duurt voor iemand  anders uit zijn bekenden kring aan de beurt is”. Masato keek de cyborg enige tijd aan en zei, “ik zou best een brief willen schrijven aan Tom, maar ik bepaal zelf wat ik erin schrijf. Ik wil hem graag laten weten dat ik de sleutels van mijn dojo terug wil”. De cyborg krabde zich achter een oor, niet omdat hij jeuk had, het was slechts één van de vele geprogrammeerde acties om meer menselijk te lijken. “Uitgesloten, u schrijft wat ik zeg”.
“Dan kan ik helaas niet aan uw verzoek voldoen”, zei Masato, “wat me interesseert is waarom u dit doet, ik bedoel uw baas is dood wat u ook doet, niets zal hem terugbrengen”. De cyborg dacht eventjes na over het juiste antwoord en zei, “ik doe dit omdat ik geprogrammeerd ben dit te doen, bovendien geloof ik dat ik het leuk vind om te doen”. Masato trok zijn wenkbrauwen op. “geloof?, leuk?, dat zou betekenen dat u gevoel heeft en met alle respect, van een cyborg met wraakgevoelens heb ik nog nooit gehoord”. “Ik ben ook niet zomaar een stuk blik omringd met vlees”, antwoordde de cyborg, “mijn baas heeft me zo aangepast dat ik tot de meest geavanceerde cyborgs behoor die deze wereld ooit heeft gezien”.
Masato knikte en zei, “hoe het ook zij, ik kan niet aan uw wens voldoen, en ik moet u vragen om weg te gaan”. De cyborg stapte naar hem toe en legde zijn hand op Masato’s schouder. “U begrijpt de situatie niet helemaal lijkt me, wanneer u niet doet wat ik zeg, zult u een zeer pijnlijke dood sterven”. Masato keek hem aan en zei, “iedereen sterft, het is alleen de kunst om te leven als het tijd is om te leven en te sterven als het tijd is om te sterven”.
De cyborg probeerde Masato met zijn arm achteruit te duwen, om hem zo zijn kracht te laten voelen. Echter, hoe hij ook duwde hij kreeg Masato niet achteruit geduwd.
Masato maakte gebruik van zijn ki-energie en door zijn ademhaling volledig te controleren en laag te houden was het alsof hij in het beton verankerd zat.
De cyborg zocht naar een verklaring, maar kon in zijn geheugen niets vinden wat deze situatie kon verklaren.
Toen alle kracht van de cyborg gericht was op het omduwen van Masato, draaide deze naar links en door het gat waar de cyborg in viel, werd hij tegen de muur gekatapulteerd. Hij stond echter meteen weer op. Vanuit zijn blonde haren liep er een straal bloed via zijn voorhoofd en neus naar beneden. Masato zei, “ga alsjeblieft weg” en wees naar de trap. De cyborg reageerde hier niet op en viel nog een keer aan. Hij probeerde de armen van Masato vast te grijpen maar deze draaide op het laatste moment weg en liet zich pas vastpakken toen de cyborg totaal in onbalans stond met zijn lichaam voorover. Masato koos voor een shiho-nage en had de cyborg al weer snel op de grond. Er volgden nog twee aanvallen die door Masato werden geneutraliseerd door eenvoudig op het juiste moment weg te stappen.
De cyborg zag er ondertussen uit alsof hij was overreden door een vrachtwagen. Zijn gezicht en jas zaten onder het bloed. Echter bij een volgende aanval beging Masato een fout. De cyborg viel aan met een schuine slag naar Masato’s hoofd. Masato kwam recht op hem in met de bedoeling om door middel van een directe slag naar zijn hoofd de cyborg voor een seconde uit onbalans te halen en vervolgens een irimi nage in te zetten, waarbij de cyborg dus weer zou worden geworpen. Echter de stoot was niet goed geplaatst en ketste af op de harde schedel van de cyborg. Hierdoor zag de cyborg gelegenheid om zijn armen om Masato heen te slaan. Masato wilde zijn lichaam slap maken om zodoende te kunnen ontsnappen aan de klem van de cyborg, maar was te laat. De cyborg zette namelijk zijn tanden vast in de hals van Masato trok er met een harde ruk een stuk vlees uit. Het bloed spoot uit Masato’s nek, zijn halsslagader was geraakt. De cyborg liet Masato los en deze viel op de grond, terwijl hij zijn hand hard in zijn hals drukte.
De cyborg wist dat het afgelopen was en deed een stap achteruit. Masato lag al snel in een plas bloed en begon naar de dichtstbijzijnde hoek van de kamer te kruipen. De cyborg draaide zich om en liep rustig naar de keuken, waar hij een handdoek zocht om zichzelf enigszins schoon te maken. Hij waste zijn gezicht en trok zijn bebloede jas uit. Toen hij weer in de woonkamer terugkwam zag hij Masato roerloos tegen de muur liggen. Boven hem stond iets met bloed op de muur geschreven. De cyborg had eventjes nodig om het te ontcijferen, want het was geschreven in het Japans. “Tom, geef mijn sleutels terug”, was wat er stond. De cyborg dacht erover na wat dit zou kunnen betekenen, maar gaf het na enkele ogenblikken op. Hij liep naar Masato en trok een pluk grijs haar uit zijn hoofd. Vervolgens dompelde hij een gedeelte van de pluk in het bloed op de grond. Masato had geweigerd om een brief te schrijven, maar een enveloppe met deze haren zou hetzelfde effect hebben.
De cyborg fatsoeneerde zijn kleding en liep de trap af. Morgen zou hij eerst een nieuwe jas gaan kopen en vervolgens uitzoeken wie het volgende slachtoffer zou worden.


HOOFDSTUK 35.
Voor het gevecht had ik met Kitano twee uur gemediteerd. Mocht ik vandaag overleven, dan zou ik met de verlofgroep meegaan naar de grote stad. De bewakers zaten hier natuurlijk niet op te wachten. Hun interesse ging uit naar het bordeelbezoek en zoveel mogelijk zuipen. Het passen op een gevangene was het laatste waar ze zin in hadden.
Kitano ging niet mee naar buiten toen ik werd opgehaald. Ik had geen idee wie mijn tegenstander zou zijn, maar waarschijnlijk zou het een kampioen zijn. Na de dood van Igor zou het natuurlijk niet passen om vervolgens tegen een nobody te vechten.
De tribune zat helemaal vol en Tuvok stond al in het midden van de kooi met een brede grijns op zijn gezicht.  Hij liep naar me toe en zei, “ik reken op een mooi en lang gevecht, denk daaraan. Als je het binnen tien seconden beëindigt, dan kun je dat bezoekje aan de stad verder wel vergeten”. Ik knikte en zei, “maak je geen zorgen, ik maak er een mooie show van”. Plotseling kwam er een luid gejuich van de tribune en ik keek naar de ingang van de kooi. Er stond een jonge Rus, met een gespierd lichaam en een tatoeage van een spin op zijn kale hoofd. Tuvok tikte me aan en zei, “onderschat hem niet, hij is gisteren pas aangekomen en is een zeer verdienstelijk worstelaar. Hij verdiende er zelfs zijn brood mee”.
Het was een waardevolle tip, wanneer hij echt een worstelaar was, dan hoefde ik dus niet te rekenen op hoge trappen of een aftastende tegenstander. Hij zou proberen me zo snel mogelijk naar de grond te krijgen.
Tuvok begon weer aan zijn gebruikelijke verhaal, waar ik niet naar luisterde. Ik concentreerde me op mijn ademhaling en bleef rustig. Toen Tuvok de kooi verliet kwam mijn tegenstander gelijk naar me toe. Ik bleef stil staan met mijn handen langs mijn lichaam. Hij keek me aan en ging over tot de aanval. Het leek wel of hij mij wilde omhelzen, maar zijn plan was natuurlijk om mijn armen in te klemmen en vervolgens zo snel mogelijk naar de grond te gaan. Net voordat hij bijna voor me was dook ik echter omlaag en gooide me tegen zijn scheenbenen. Hij duikelde voorover en rolde door. Aan zijn rol kon ik zien dat hij behendig was. Zijn volgende poging om me vast te grijpen lukte ook niet. Het was voor hem natuurlijk jammer dat ik met een ontbloot bovenlichaam vocht. Hij werd iets minder fanatiek en begon om me heen te draaien. Ik deed een schijnaanval om te kijken hoe zijn reactie zou zijn. Mijn rechter been zette ik naar voren en deed alsof ik een hoge trap met mijn linkerbeen wilde geven. Hij deed zijn armen omhoog om de trap te blokkeren en liep vooruit. Waarschijnlijk wilde hij de trap blokkeren en vervolgens gelijk doorgaan naar de grond. Toen de verwachte trap echter uitbleef kon hij zijn evenwicht niet behouden en viel voorover. Hij zat voor een seconde geknield op de grond en die tijd benutte ik om hem een lage trap in zijn middenrif te geven. Deze was behoorlijk effectief, want zijn gezicht vertrok van de pijn en hij viel opzij op de grond. Ik was er zeker van dat hij een gebroken rib had. Hij krabbelde omhoog en toen ik op hem afkwam verdedigde hij zichzelf met een schuine slag richting mijn nek. Ik wist op dat moment dat hij het al had opgegeven. Ik kwam recht op de slag in en gaf hem een stoot op zijn neus. Ik hoorde hoe het bot in zijn neus brak en toen hij achterover dreigde te vallen, kon ik nog net zijn linkerhand vastpakken en een shiho-nage uitvoeren. Toen ik de worp maakte draaide ik niet helemaal door, zoals je op een training wel doet en waardoor je uke de gelegenheid heeft om rustig weg te rollen, maar haalde zijn arm na een halve draai hard omlaag. Ik voelde hoe zijn arm meegaf om het moment dat het bot brak. De arme drommel lag op de grond met een gebroken rib, neus en arm. Het gevecht was voorbij, maar ik moest zeker weten dat Tuvok tevreden zou zijn. Ik moest weg uit dit kamp zien te komen en zo snel mogelijk terug naar huis om Tess te redden. Mijn tegenstander krabbelde omhoog en ik liet het toe. Het was triest om te zien hoe het bloed uit zijn neus liep, hij met zijn ene de andere arm vasthield en voorovergebogen stond om de pijn van de gebroken rib te kunnen verdragen.
Deze man was niet meer in staat om te vechten en stond eigenlijk erop te wachten dat ik het karwei zou afmaken.
Ik keek naar de ingang van de kooi en zag Tuvok. Hij gebaarde dat ik weer opnieuw moest aanvallen. Op dat moment wilde ik eigenlijk niets liever dan Tuvoks nek breken in plaats van die van mijn tegenstander. Ik had geen alternatief, ik liep naar mijn tegenstander en gaf hem de gelegenheid om een laatste aanval te maken. Hij hief met moeite zijn nog functionerende arm omhoog en sloeg richting mijn hoofd. In de slag zat geen enkele overtuiging en hij wist dat dit de inleiding van was van het einde. Ik maakte een tenkan beweging en nam de slaghand van mijn tegenstander mee zodat hij recht voor me uitkwam. Vervolgens gaf ik met mijn vrije hand een stoot naar zijn strottenhoofd. Hij maakte een akelig geluid greep naar zijn keel en viel op zijn knieën. Ik greep zijn hoofd en imiteerde een actie die ik wel eens gezien had bij het showworstelen. De actie pakte heel anders uit dan ik verwacht had, maar het publiek was diep onder de indruk. Ondanks dat ik niet populair was hoorde ik enkele gevangenen klappen. Mijn tegenstander lag op grond met zijn ogen wijd open.
Ik keek naar Tuvok en zag die stomme grijns weer op zijn smoel, hij was dus tevreden.
Snel liep ik naar de uitgang van de kooi en toen ik Tuvok passeerde sloeg hij met een hand op mijn rug en zei, “zo doe je dat jongen, ik wist wel dat je een mooie show kon neerzetten”. Ik zei niets en keek hem niet aan maar liep gelijk door naar mijn cel. Kitano keek op toen ik binnenkwam en zei niets. Ik wild op mijn matras gaan liggen, maar voelde plotseling mijn maag opspelen. Net op tijd was ik bij de wc-pot en ging over mijn nek.


HOOFDSTUK 36.
Die morgen moest ik me om negen uur melden bij Tuvok. Ik zou die dag met vijf bewakers op weekendverlof gaan. We zouden ’s middags vertrekken en dan tegen de avond aankomen in een stad die geen naam maar een nummer bleek te hebben. Vervolgens werd me uitgelegd dat ik een halsband zou dragen en ik me niet meer dan tweehonderd meter van de bewakers mocht verwijderen, tenminste als ik gehecht was aan de positie die mijn kop nu had ten opzichte van mijn lichaam. Er kwamen vragen in me op die ik niet stelde, omdat ik er toch geen antwoord op zou krijgen. Bijvoorbeeld, wat moest ik doen als de groep bewakers zich opsplitste in tweeën. Hoe kon ik weten welke bewaker de controle had over mijn halsband?
Ik herkende één van de bewakers, het was de dronken bewaker die Kitano en mij stond toe te schreeuwen toen we de hevig bloedende Charlie hadden gevonden. Ik was blij dat hij één van de vijf was die meeging. Tijdens het verlof moest ik uit zien te vinden wie de controle had over de halsband, zodat ik deze kon dé-activeren. Ideaal zou zijn als het deze bewaker zou zijn, dat waren dan twee vliegen in één klap.
Tuvok waarschuwde me nog een keer om me te gedragen tijdens het verlof en hij wees me nog eens op de grote plannen die hij voor me had als kooivechter. Ik deed alsof ik aandachtig luisterde, maar in mijn gedachten was ik al op weg naar huis. Ik zou ontsnappen of ik zou sterven, maar in dit kamp zou ik nooit meer een voet zetten. Toen Tuvok klaar was met zijn verhaal schudde ik zijn hand en bedankte hem voor dit verlof en vertelde vol enthousiasme hoe blij ik was weer eens lekker te kunnen zuipen en neuken. Hij glimlachte en klopte me op de schouder, “zo mag ik het horen jongen, geniet er maar lekker van”.

Ik had nog enkele uren voor ons vertrek en ging terug naar mijn cel. Kitano zat op de grond te lezen en keek op toen ik de cel inliep. “En, je mag mee op verlof om de beest uit te hangen?”, vroeg hij. Ik knikte en ging naast hem zitten. Het stemde me treurig om deze man nooit meer terug te zien. Ondanks dat we niet zo heel veel meer met elkaar spraken genoot ik van zijn aanwezigheid en zag hem als een leraar. Kitano beschikte over een innerlijke rust waar iedereen jaloers op zou zijn. De omstandigheden in het kamp hadden nauwelijks invloed op hem. Hij was altijd rustig en je kreeg het idee dat hij gewoon zat te wachten op iets waar hij erg naar uitkeek. Wat er in de tussentijd allemaal gebeurde was verder niet van invloed op zijn gemoedsrust. Hij las in zijn boek en ik zat zwijgend voor me uit te kijken. Kitano klapte plots zijn boek dicht en zei, “waarom ben je zo treurig Tom?. Is het omdat, je straks weggaat en nooit meer hier terug komt?”. Hij moest er zelfs een beetje om lachen en zei, “je gaat me toch niet vertellen dat je het hier leuk bent gaan vinden?”. Ik schudde van nee en merkte dat het me enigszins moeite kostte om te zeggen wat de ware reden was. Vervolgens bedacht ik dat Kitano waarschijnlijk sowieso al wist wat me dwars zat, dat wist hij immers bijna altijd. “Ik vind het jammer je nooit meer te spreken en je hier te moeten achter laten”. Kitano glimlachte en zei, “dank je vriend, maar over mij hoef je je geen zorgen te maken. Sterker nog, ik denk dat ik niet eens weg zou willen op het moment. Hier heb ik alles wat ik nodig heb; een beetje lichaamsbeweging, eten en tijd om te mediteren en te lezen”. Ik keek hem aan en hij mij en we barstten samen in lachen uit. Dit was de eerste keer dat ik Kitano echt zag lachen en de tranen rolden over zijn gezicht.
“Ik hoop dat wat je ook van plan bent gaat lukken en als je het haalt, dan wordt het misschien eens tijd om over je leven na te denken, vind je niet?”, zei Kitano.
Hij legde zijn hand op mijn schouder en kneep erin, “het gaat je goed jongen”.

We stonden op het midden van het plein. De vijf bewakers met allemaal een rugzak en een pistool in hun gordel, Tuvok en ik.
De bus stopte en er stapte een grote blonde soldaat uit met een modern machinegeweer. Na hem kwam een burger, met een rugzak in zijn handen. De soldaat zei niets en ging in de houding staan toen hij Tuvok zag. De burger wreef door zijn haren en keek ons aan. “Aha, de verlofgangers zeker”, zei hij.
Tuvok stapte naar voren en zei, “mooi zeg, het laatste van het laatste?”. Het duurde eventjes voordat ik in de gaten had dat hij de blonde soldaat bedoelde. Nu ik hem voor de tweede keer aankeek zag ik dat het geen mens was maar een cyborg. Hij herinnerde me aan de cyborg die bij Steve Brenner was in het restaurant, sterker nog hij leek er precies op. “Ja, laatste serie model C7. Er moet nog wel wat werk verricht worden aan zijn brein, maar dat is klaar als de bus weer terugkomt. Wil hier immers niet langer blijven dan absoluut noodzakelijk”. Tuvok lachte en zei, “waarom niet, het is toch prachtig hier. Waarom moet er nog wat aangepast worden, hij zou het werk makkelijk kunnen verrichten is me verteld”. De wetenschapper, want dat verwachtte ik dat hij zou zijn, zette zijn rugzak op de grond en zei, “hij kan teveel en het zou kunnen dat hij na een rondje of duizend om het kamp te hebben gepatrouilleerd besluit dat het ook anders kan”. Tuvok fronste zijn wenkbrauwen en zei, “ja dat moeten we niet hebben”.
Het ding was dus de vervanger van de cyborg die Alexander en Charlie bijna van kant had gemaakt. Achteraf dacht ik dat Charlie een stuk beter was afgeweest als de cyborg hem had vermoord, maar ik wilde er verder niet meer aan denken en stapte achter de eerste bewaker aan de bus in.

Toen de bus wegreed zag ik dat Tuvok me aankeek en zijn duim opstak. Ik lachte en gaf hem een opgestoken duim terug. Toen we de poort van het kamp uitreden keek ik nog één keer over mijn schouder om nog een laatste keer het kamp te zien. Plots zag ik Kitano aan het hek staan met een brede grijns op zijn gezicht. Hij boog voorover zoals je in de dojo doet om iemand te groeten. Ik kon niet terugbuigen dus stak ik mijn hand op en voelde me als een schooljongen die naar zijn moeder zwaaide terwijl hij voor de eerste keer op schoolreis gaat.


HOOFDSTUK 37.
De rit duurde een uur of zeven en we werden flink door elkaar geschud in de bus.
De bewakers doodden de tijd met een kaartspel dat niet erg veel meer op de kous leek te hebben, dan wie het hoogste aantal punten in de hand had na het delen.
Het begon vriendelijk en zonder geld, maar na een uurtje werd  het iedereen te saai en stelde de dikste van de groep voor om de spanning een beetje te verhogen door om geld te spelen. De stemming veranderde al snel toen de inzet steeds hoger werd.

Onderweg bestudeerde ik alle vijf de bewakers één voor één en probeerde uit te vissen wie het voor het zeggen had. Het duurde meer dan drie uur voor ik van ieder de naam wist.
Jozef was een lange dunne vent die niet veel zei en nogal vaak in zijn neus zat te peuteren. Het maakte hem niet uit of iemand anders het zag en ik betrapte hem er zelfs een keer op dat hij de inhoud van zijn neus bestudeerde en vervolgens in zijn mond stak.
Naast hem zat Ching, die meer van het gezellige type was. Hij lachte veel en vertelde veel grappen. Hij was een kilo of twintig te zwaar en deed me een beetje aan Charlie denken.
Ching was degene die had voorgesteld om het kaartspelletje was leuker te maken door om geld te spelen en “toevallig” was hij ook net degene die de meeste potjes won. Hij wist zich echter zo te gedragen dat het niemand echt irriteerde.
Tegenover Ching zat de kerel die ik verantwoordelijk achtte voor Charlie’s dood. Hij werd Drago genoemd en was de enige die me af te toe in de gaten hield. Waarschijnlijk voelde hij al iets van mijn afkeer jegens hem en ik moest ervoor zorgen dat ik niet teveel liet merken wat ik van plan was.
De andere twee bewakers heetten Tjol en Kareem en waren beide nog jong.
Ze lieten zich makkelijk door de andere, voornamelijk Drago en Jozef, intimideren.
Kareem en Tjol hadden beide dezelfde rang op de mouw. Het was vrij duidelijk dat Drago het voor het zeggen had en dat Ching een goede tweede was.

Het was pikdonker toen we de stad inreden en ik zag dat er, ondanks het late tijdstip, nog veel mensen op straat rondhingen.
We stopten voor een oud gebouw dat de uitstraling van een bunker had. 
Drago gebaarde dat ik uit de vrachtwagen moest springen en net voordat ik me af wilde zetten trapte hij me hard onder mijn kont waardoor ik voorover viel. Ik raakte de grond echter niet hard en rolde met een sierlijke Aikidorol door. Toen ik weer rechtop ging staan klapte Jozef in zijn handen en zei iets wat ik niet kon verstaan, maar door Ching enorm komisch werd gevonden.
Eenmaal binnen in het gebouw, dat dus het hotel bleek te zijn, werden er een paar woorden met de eigenaar gewisseld en kreeg Drago een vijftal kaarten in zijn handen gedrukt. Deze kaarten waren de sleutels tot de hotelkamers. Hij keek me lachend aan terwijl hij ze uitdeelde, “Je dacht toch niet dat je een kamer voor jezelf kreeg of wel?”
Ik haalde mijn schouders op en keek hem verder niet aan. Drago wisselde een paar woorden met Ching, waarna deze voor me ging staan en zei, “Jij slaapt bij mij op de kamer vannacht, okay?” Ik knikte en zei verder niets.
Plotseling schreeuwde Jozef het uit, “en nu genoeg geluld, we gaan zuipen!!”, waarop iedereen in lachen uitbarstte.


HOOFDSTUK 38
De bar waar we heen gingen lag schuin tegenover het hotel. Ik liep naast Ching en deze fluisterde me toe, “vanavond zuipen, morgen neuken, okay?”. “Lijkt me een strak plan”, antwoordde ik. Hij lachte en zei, “is het ook”.
De bar was oud en bestond uit twee gedeeltes. We gingen in het achterste gedeelte zitten en Kareem werd erop uit gestuurd om alcohol te halen.
Hij kwam terug met een paar kannen bier, althans daar leek het nog het meest op, en zes flessen vodka.

We zaten aan een lange tafel en het eerste half uur werd er niet gesproken. De alcohol werd in een zo snel mogelijk tempo naar binnen gewerkt en pas nadat iedereen al behoorlijk aangeschoten begon te raken werd er gesproken. Ik had besloten die avond nog niets te proberen, maar te wachten tot morgen of overmorgen. Na een halve fles vodka begon ik al behoorlijk de effecten van de alcohol te merken. Tjol kon er het slechtst tegen want na het eerste half uur van doordrinken keek hij me aan alsof hij elk moment over zijn nek kon gaan. Ik was blij dat ik niet naast hem zat. Ching amuseerde zich het beste en vermaakte de groep door het imiteren van Tuvok. Iedereen, inclusief mezelf, lag dubbel en Ching deed er nog een schepje bovenop. Jozef ging nog wat extra drank halen en ik moest naar het toilet. Ik vroeg om toestemming en kreeg van Drago te horen dat ik het toilet niet mocht gebruiken, omdat het voor mensen was en niet voor beesten.  “Ga jij maar buiten pissen op straat, het liefst zo ver mogelijk weg”, zei hij. Ik liep naar buiten toen ik Ching nog hoorde roepen, “Tom, denk aan je halsband”. Dit bevestigde wat ik al had gedacht, Ching mocht me wel. Terwijl ik naar buiten liep hoorde ik Drago iets tegen Ching schreeuwen en ik had wel zo’n vermoeden waar hij zich druk over maakte.
Buiten was er een heldere sterrenhemel en ik liep naar de zijkant van de bar, waar een donker steegje was. Het stonk er naar urine en braaksel, maar dat waren luchtjes waar ik de afgelopen weken zo langzamerhand wel aan gewend was geraakt.
Terwijl ik mijn gulp weer dichtknoopte keek ik naar de sterren en dacht aan thuis. Ik vroeg me af wat Tess nu aan het doen zou zijn en hoopte dat ik haar kon redden.
Voor Ray was mijn hulp te laat geweest en misschien was er al iemand anders uit mijn kennissenkring vermoord. Die gedachte zette ik zo snel mogelijk weer uit mijn hoofd, omdat ik er toch niets aan veranderen kon.
Net toen ik wilde teruglopen hoorde ik vanuit het steegje een grommend geluid.
Ik wist dat mijn reflexen door de alcohol al een stuk minder zouden zijn, dus concentreerde ik me volledig op de richting van het geluid. Uit de duisternis verscheen plotseling een gespierde vent van een jaar of dertig met aan een riem een “Kodaza”. Ik had er nog nooit eentje gezien in het echt, maar dit ras vechthond, dat hier in deze gebieden gefokt werd, sloeg werkelijk alles. Deze honden waren ongeslagen in de arena’s en beschikten over een bijtkracht die je verder bij zoogdieren niet snel zou tegen komen. In de Europese Unie waren ze na enkele fataal afgelopen incidenten al snel verboden, maar hier maakte zich men daar niet zo druk om. Het beest keek me wild aan en zag eruit alsof hij elk moment op me af kon stormen. Zijn eigenaar hield hem strak aan de lijn en riep iets tegen me. Ik verstond er natuurlijk geen woord van, maar had ook niet de indruk dat het vriendelijk bedoeld was.
Waarschijnlijk wilde hij geld, maar dat had ik al lang niet meer gezien. Ik haalde mijn schouders op en maakte middels een gebaar duidelijk dat ik geen rode cent had. Dit was echter niet goed genoeg voor hem en hij liet de riem van de hond een beetje vieren. Het beest liep een meter naar voren en het speeksel vloog uit zijn bek terwijl hij gromde en blafte. Ik maakte me klaar voor een aanval van het beest en wist dat ik een serieus probleem had. Wanneer een hond van dit ras beet heeft, dan laat hij echt niet meer los. Sterker nog, hij weet niet eens dat hij los kan laten. Ik had eens in het nieuws gezien hoe iemand met zo’n hond aan zijn arm in een beek sprong en het beest vervolgens vijf minuten onder water had weten te houden. Nadien moesten ze op het ziekenhuis grof gereedschap gebruiken om de kaken van het monster open te krijgen. Net toen ik dacht dat hij de hond losliet hoorde ik naast me een harde knal. Het was Ching die zijn wapen had afgevuurd op de kop van het beest. De kogel was door een oog naar binnen gegaan en na een paar stuiptrekkingen lag het monster dood op de grond in een grote plas bloed. De eigenaar keek razend onze kant op en begon tegen Ching te schreeuwen. Deze bleef echter kalm en zei. “als je niet binnen drie seconden weg bent is de volgende kogel voor jou!!”. De man zag in dat hij beter niet kon afwachten of Ching daadwerkelijk meende wat hij zei en liep langzaam weer achteruit de donkere steeg in.
Ik draaide me om naar Ching en zei, “bedankt, ik sta bij je in het krijt”.
Hij lachte en zei, “vergeet het maar. Tuvok zou trouwens niet blij met me zijn als we je niet levend terugbrengen. Goede vechters zijn dun gezaaid”. Hij draaide zich om en terwijl hij terug naar het café liep zei hij nog, “wees maar blij dat ik Drago niet ben, die had je niet geholpen”. Terug in het café merkte ik pas weer hoe het lokaal naar alcohol en zweet rook.
Er werden wedstrijdjes in armworstelen georganiseerd en ik moest meedoen. Wijselijk liet ik me door Drago in de derde ronde verslaan en was blij toen ik weer aan tafel bij Ching kon aanschuiven. Het zuipfestijn eindigde in een knokpartij tussen Jozef en Kareem, die bijna komisch was om te zien. Kareem wilde niet vechten, maar het was duidelijk dat hij wel moest wilde hij geen gezichtsverlies leiden. Waar de ruzie over ging is me nooit duidelijk geworden, maar nadat Kareem een bloedneus en Jozef een flinke kras in zijn gezicht had was het voor iedereen genoeg en maakten we ons op om terug te gaan naar het hotel.
Voordat ik met Ching de kamer in ging maakte Drago nog enkele opmerkingen die bij de anderen een luid gelach veroorzaakten.
In de kamer stond één bed en eigenlijk niet veel meer. Ching liep naar een wandkast en trok deze open. Hij haalde er twee dekens uit en gooide ze op de grond, “Jij ligt hier en denk erom dat je geen gekke dingen doet vanavond”.
Ik knikte en zei verder niets. Ik lag nog geen minuut of ik moest rechtop gaan zitten omdat de hele kamer rondtolde. De alcohol zou me nog wel een tijd dwarszitten en ik moest terugdenken aan de tijd dat ik een tiener was en een vaste routine had na het uitgaan.
Eerst naar bed, dertig seconden later opstaan en vervolgens met een kotsbak in je handen op het toilet gaan zitten.
De rugzak van Ching lag in een hoek van de kamer en ik vroeg me af of de bediening van mijn halsband erin zou zitten. Waarschijnlijk niet, het zou immers niet zo slim zijn om me juist bij de persoon die dit apparaat in zijn tas heeft op de kamer te leggen. Ik kwam tot de conclusie dat dus waarschijnlijk Jozef of Drago degene waren die het apparaat in hun bezit zouden hebben. Kareem en Tjol zou geen voor de hand liggende keus zijn, omdat ze beide redelijk makkelijk te beïnvloeden waren. Waarschijnlijk waren het jongens van het platteland wiens oudere broer de boerderij had overgenomen en dus zelf een baan moesten zien te vinden. Bewaker of soldaat waren dan de voor de hand liggende keuzes, tenminste in dit gedeelte van de wereld.
Ching begon hard te snurken en ik probeerde nog eens of ik mijn ogen kon sluiten zonder dat ik het gevoel had in een diep gat te vallen.
Het lukte en de volgende morgen werd ik wakker door een schop in mijn zij van Drago.
“Kom kloothommel, tijd om te neuken”, was het enige wat hij zei en liep weer naar buiten.
Het was natuurlijk niet de prettigste manier om wakker te worden, maar toch was ik blij dat ze me niet hadden laten liggen.
Met de halsband om, had ik toch nergens heen kunnen gaan en na gisteravond zou ik rustig nog een paar uur doorgeslapen hebben als Drago me niet gewekt had.
Ik moest er echter voor zorgen dat ik mijn tijd zo goed mogelijk benutte en mijn ogen zoveel mogelijk de kost gaf. Details kunnen het verschil uitmaken tussen leven of dood.


HOOFDSTUK 39.
In het bordeel werden we ontvangen door een oudere dame, wiens gezicht bedekt was met op z’n minst vijf lagen make-up.
Drago nam haar onder een arm en liep met haar naar een achterkamertje. “Hij probeert weer wat te regelen voor zichzelf”, zei Ching en draaide met zijn ogen. Ik keek rond en rook de lucht van vers gebakken eieren. Het water liep me in de mond en ik vroeg aan Ching of het mogelijk was om hier wat te eten te krijgen. “Natuurlijk”, antwoordde hij, “we blijven hier immers de hele dag”.
Drago kwam terug met een tevreden blik op zijn gezicht. Hij gaf iedereen een sleutelkaart met een kamernummer erop. “De dames staan de hele dag tot onze beschikking, dus doe rustig aan”, zei hij. Jozef keek naar het nummer van zijn kaart en zei, “die heb ik vorige keer ook gehad, zijn er geen andere?. Deze heeft geen geluid, ik wil een andere”. Ik snapte zijn opmerking niet, maar het werd me al snel duidelijk na de discussie die volgde. De hoeren bleken cyborgs te zijn en alleen Drago had een echte voor zichzelf geregeld. Drago dacht er niet over om te delen met de anderen en uiteindelijk werd Kareem gedwongen om te ruilen met Jozef. Over mij werd niet gesproken en ik ging er dus vanuit dat ik veruit het slechtste model tot mijn beschikking had gekregen. Het maakte mij niets uit, ik kwam hier niet voor de seks. Ik moest naar huis en vandaag zou ik zorgen dat ik mijn halsband kon verwijderen zonder mijn hoofd te verliezen.
De verhitte discussie tussen de bewakers had ik gebruikt om de kamernummers in mijn hoofd te prenten. Drago zat in kamer achttien op de tweede verdieping. De anderen zaten allemaal op de eerste verdieping. Ching had kamer zestien, Jozef veertien, Kareem elf en Tjol tien.
Mijn kamernummer was acht, maar ik had geen haast om naar boven te gaan.
Toen iedereen de trap op was bestelde ik iets te eten en kreeg de beste maaltijd voorgeschoteld die ik sinds weken had gehad. Ik at mijn bord helemaal leeg en vroeg om een tweede portie. Het was nog vroeg en ik zou pas in actie komen tegen de avond. Ik voerde een kort gesprek met de dame die ons had ontvangen, maar na tien minuten gaf ze aan nog veel werk te hebben liggen en wenste me een prettig verblijf. Ik besloot naar mijn kamer te gaan, beneden blijven zou verdacht zijn.
De trap had dertien treden die alle dertien kraakten, aan de muren hingen schilderijen van naakte vrouwen en wilde paarden. Het verband tussen die twee was me niet duidelijk, maar waarschijnlijk was er ook geen verband.
Terwijl ik de trap opliep gaf ik mijn ogen goed de kost en controleerde of ik nog steeds alle kamernummers uit mijn hoofd wist.
Mijn kamer was de eerste kamer op de eerste verdieping. De kamers één tot en met zeven waren beneden. Ik wachtte een moment alvorens aan te kloppen en luisterde of ik geluiden uit de andere kamers kon opvangen. De kamers waren goed geïsoleerd, want ik hoorde niets.
Nog voordat ik kon aankloppen ging de deur al open en ik werd aangekeken door een blonde vrouw van een jaar of dertig. Ze lachte en zei “da’s toevallig, ik wilde net gaan kijken waar je bleef”. Ze stapte opzij en gebaarde dat ik door kon lopen. Ik rook haar parfum en kwam in een mooie kamer die iets te roze was.
Ik draaide me naar haar om en bestudeerde haar gezicht. Het was inderdaad een cyborg en ik had nog geen seconde nodig om het te zien. Een oud model, zo oud had ik ze al een paar jaar niet meer gezien. Haar gezicht zag er wel aardig uit, maar haar ogen waren zonder leven en leken op die van een pop..
Ze droeg een lange witte jurk, die haar volledige lichaam bedekte en om haar hals zat een zwarte doek gebonden, met goudkleurige versieringen erop. Haar blonde haar kwam tot aan  haar schouders. 
Ze liep naar het bed en draaide zich naar me toe. “Heb je nog speciale wensen?”, vroeg ze. Ik wist niet wat ik moest antwoorden en zei, “nee”. Ze wees op de verlichting en zei, “het is misschien lekkerder voor je als we het in het donker doen, ik ben immers niet voor niets de goedkoopste hier”. Ik had al zo’n vermoeden wat ze bedoelde en schudde mijn hoofd, “nee, het licht blijft aan”. Ze knikte en draaide zich van me af ze begon haar jurk van achteren los te knopen en vroeg of ik het wilde doen. “Ik kijk liever toe”, was mijn antwoord. De jurk gleed omlaag en ze had er geen kleren onder aan. Ze had een mooi figuur, onder op haar rug zat een groot litteken. Bij oudere modellen besteedde men nog niet zoveel tijd aan het perfectioneren van de huid. Het litteken zag er echter zo ruw uit dat ik vermoed dat ze al diverse malen was opengemaakt.
Haar billen hadden de perfecte vorm en ik voelde dat het me niet koud liet. Ondanks dat het een machine was, raakte ik toch licht opgewonden.
Ik moest aan Tess denken en vroeg me af wat zij van de hele situatie zou denken.
“Hoe heet je?”, vroeg ik. “Hoe wil je dat ik heet?” was haar antwoord. Ik dacht na en ergerde me een beetje over haar antwoord. Voor me zag ik een dikke vent achter een computer die allerlei mogelijke responsies programmeerde op deze vraag. “Wat is je serienummer?”.
“8763309-M1-888-00233-K33” was haar antwoord. “Nou dan is dat je naam, K33”
“Draai je om K33!”, zei ik. Ze draaide zich langzaam om en ik schrok van wat ik zag. Haar lichaam was bedekt met littekens en beschadigingen. “Doe je halsdoek ook af”, zei ik.
“Het is niet mooi om te zien”, zei ze en ik haalde mijn schouders op.
Ze deed de halsdoek af en gooide hem op de grond naast haar jurk. In haar hals zat een groot gat en ik kon enkele kabels zien. Er kwam ook een soort van vocht uit het gat en ik vermoedde dat het te maken had met de ontstoken huid.
Haar borsten waren beide zwaar beschadigd. In de linkerborst kon ik een stuk van de siliconen vulling zien en op de rechterborst ontbrak haar tepel en op die plek zat nu dik littekenweefsel.
In haar buik zaten zeker een stuk of twaalf littekens. Vermoedelijk had een of ander gestoord individu haar met een mes bewerkt.
Haar vagina was ook ernstig beschadigd en ik had wel een vermoeden wat er was gebeurd.
“Je functioneert wel nog?”, vroeg ik. Ze knikte en zei, “alles werkt prima het ziet er alleen niet uit. Vandaar dat ik voorstelde om het licht uit te doen”. Ik ging op het bed liggen en zuchtte diep. “Geeft niet, ik wil toch geen seks daarvoor ben ik niet hier”. Ze trok haar wenkbrauwen omhoog en zei, “waarvoor dan wel?”.
Ik gaf haar geen antwoord en keek enkele seconden naar het plafond.
“Kun je masseren?”, vroeg ik.
“Ben geen specialist, maar ik heb wel het één en ander geleerd van het toekijken”.
“Okay, masseer mijn rug maar”, antwoordde ik.

HOOFDSTUK 40.
In kamer achttien, op de tweede verdieping, ging het er heel anders aan toe. Drago had zijn armen om haar hals terwijl hij bij haar naar binnendrong. Het meisje keek hem angstig aan, want ze had al snel in de gaten dat ze hier te maken had met een sadist.
Na de eerste klap in haar gezicht had ze nog geprobeerd om hem over te halen er een tweede dame bij te halen, een cyborg zou immers hetzelfde reageren op zijn klappen, maar Drago zei alleen maar dat ze haar bek moest houden.
Ze was niet dom en zag dat Drago irriteren het laatste was dat ze zou moeten doen.
Terwijl hij hard stootte, klemden zijn handen zich steeds strakker om haar hals en ze hoopte dat hij snel klaar zou komen, zodat de spanning zijn lichaam zou verlaten.
Het duurde te lang en in paniek begon ze met haar armen te zwaaien, waarbij ze hem éénmaal op zijn mond sloeg. Terwijl Drago klaarkwam liep viel er een druppel bloed van zijn lip op haar gezicht. Hij liet haar los en ze kon weer lucht krijgen, dit duurde echter maar eventjes, want Drago gaf haar een harde stoot in haar buik.

“Je hebt geluk, dat ik me kan beheersen vandaag, maar sla me nog eens en ik ram je voortanden eruit”. Ze knikte en verontschuldigde zich. Ze zou moeten proberen zo snel mogelijk van deze kamer af te komen, weg bij deze gek.

Op de eerste verdieping, in kamer zestien, was Ching bezig met het uitproberen van diverse standjes, die voor de soepele cyborg geen enkel probleem waren
Ching had gepland vandaag maar drie dingen te doen, en die waren: seks, alcohol en eten.

In kamer veertien had Jozef de tijd van zijn leven, al baalde hij er wel van dat Drago een “echte” had en hij het moest doen met een combinatie van vlees, bloed en microchips.
Naast het bed lag zijn rugzak, met daarin de bediening van de halsband. Jozef stelde zich voor dat hij de band nu zou laten exploderen en moest lachen om het idee. Ze zouden dan  waarschijnlijk ook nog een rekening voor het schoonmaken van de kamer ontvangen, want hersens van de muur af plukken is niet een karweitje waar iemand op zit te wachten.
Bovendien was er nog altijd Tuvok, die behoorlijk in zijn nopjes leek met zijn nieuwe vechter.

Kareem en Tjol hadden eveneens de tijd van hun leven. Het maakte hun niets uit dat de dames niet echt waren. Sterker nog, ze konden zich nu eens helemaal laten gaan en daar zouden ze als het voor het echie was, toch wat meer moeite mee hebben.

Rond de middag verliet iedereen zijn kamer en kwamen we elkaar weer tegen op de begane grond. Iedereen was in begeleiding van de hem toegewezen dame en ik amuseerde me over de trotse blik van Kareem en Tjol.
K33, zoals ik haar nu noemde liep aan mijn zijde en ik merkte dat ze van iets schrok.
Ze was geschrokken van Drago die, met een arrogante blik in zijn ogen, onze richting op liep. “Hey kloothommel, hoe was ze?”, riep hij hard onze kant op. Ik keek haar aan en zag dat ze bang was. Een cyborg die bang is, raar eigenlijk. Waarom zouden de makers van zo’n machine iets als angst programmeren, misschien om de cyborg meer menselijk te maken. “Je hebt in ieder geval genoeg gaten om gebruik van de maken, niet waar?”, Drago lachte. Ik maakte uit haar reactie en de woorden van Drago op, dat hij degene was die haar met een mes had bewerkt. Het verbaasde me niets, sterker nog het bevestigde alleen maar wat ik al wist. Drago was een gemene klootzak, die zijn sadistische neigingen ditmaal op een cyborg had uitgeleefd.
Vanavond zou hij de eerste zijn die ik van kant maakte. Ik gunde hem nu nog zijn minuten van glorie. “Inderdaad gaten genoeg, wil je ruilen?”
Hij lachte en schudde van nee, “vergeet het maar klootzak”.
De vrouw die achter Drago liep keek me aan met een blik die om hulp vroeg. “Alles goed?”, vroeg ik aan haar en zag dat ze iets wilde zeggen. Drago draaide zich snel naar haar om ze maakte een pas naar achteren. “Natuurlijk is alles goed”, zei Drago, “trouwens wat heb jij daar mee te maken?”.
Ik negeerde hem en zei tegen haar “want als het niet zo is, dan moet je het nu zeggen”. Drago ging tussen ons instaan, “Hou je gore kop!!, alles is goed met haar, we eten eventjes iets en daarna gaan we weer naar boven”.
Het was niet verstandig om nu met Drago op de vuist te gaan, bovendien zou het mijn plannen behoorlijk in de war kunnen schoppen. Ik draaide me om en liep weg.
K33 zei tegen me, “hij mishandelt haar straks, ik weet het zeker”. Ik keek haar aan en antwoordde, “dan had ze haar mond moeten opendoen”.
“Maak me maar wat te eten, ik heb honger”, ze zei niets meer en liep naar de keuken.

Tijdens het eten zat ik naast Ching, we hadden een amusant gesprek over van alles en nog wat. Ik dacht aan vanavond en over hoe het misschien noodzakelijk zou zijn om hem van kant te maken. De gedachte maakte me droevig, Ching was een prima kerel en verdiende beter.


HOOFDSTUK 41.
K33 kleedde zich weer aan en ging op de rand van het bed zitten.
“En nu?”, vroeg ze. “Nu ga ik er vandoor en ik wil dat je tot morgenvroeg op je kamer blijft”
Ze keek me verward aan, “vandoor?”. “Het is bijna acht uur, waar wil je nog heen gaan dan? Je hebt trouwens ook voor mij betaald, wil je dan niet ook gebruik van me maken?”. “Ik heb niet voor jou betaald, zij hebben voor jou betaald”. Ik stond op en trok mijn kleren aan.
“Hoe zou je het vinden als Drago vanavond de pijp uit gaat?”, vroeg ik. “Waarom vraag je dat?, antwoordde ze. Ik haalde mijn schouders op. “Ik zou het fijn vinden, niet eens alleen voor mij, maar voor alle andere meiden die in de toekomst nog met hem te maken kunnen krijgen”. Een cyborg met gevoel, dacht ik bij mezelf. “Nou vanavond gaat je wens in vervulling. Ik ga zo meteen een verdieping omhoog en maak hem van kant”. “Ze zullen je halsband laten ontploffen als je dat doet”, zei K33. “Niet als ik de bediening in handen heb. Ik kan er op vertrouwen dat je me niet verraad?”. “Ja”, was haar antwoord en ik geloofde haar. Niet omdat ik het kon zien aan haar ogen, maar omdat ik wist dat deze oudere modellen cyborgs niet makkelijk konden liegen.

Toen ik helemaal aangekleed was liep ik naar de deur. Voordat ik die open deed keek ik nog één keer naar haar om en zei “Ik hoop dat het goed met je gaat”. Toen ik de deur achter me gesloten had, voelde ik me een idioot.

Er was niemand in de gang en ik kon ook beneden niemand ontdekken. Iedereen had goed gegeten en lag nu waarschijnlijk op z’n kamer te wachten tot het eten gezakt was en er weer ruimte was voor alcohol en seks.

Zonder al teveel geluid te maken liep ik richting trap en ging een verdieping omhoog. Drago zat in kamer achttien. Ik bemerkte ineens dat mijn geest door drie gevoelens werd bezig gehouden; angst, spanning en plezier.
Angst, omdat ik wist dat als ik er niet in zou slagen om hier vanavond weg te komen, Tess ten dode was opgeschreven, als ze dat tenminste al niet was.
Spanning, omdat ik wist dat ik ging vechten voor mijn leven.
Plezier, omdat ik er echt naar uitkeek om dat stuk ongedierte van een Drago van kant te maken.
Ik stopte voor de deur van kamer achttien en drukte mijn oor er tegenaan. Ik hoorde een krakend bed; perfect!
Terwijl mijn hand voelde of de deur op slot was of niet, bleef ik aandachtig luisteren. De deur was open, mazzel dus.
Heel langzaam duwde ik de deur open en keek direct in de angstige ogen van de vrouw die ik eerder beneden had gezien. Ze had een prop in haar mond en bloedde uit haar neus.
Snel bracht ik mijn wijsvinger naar mijn mond, om te gebaren dat ze vooral stil moest blijven. Het enige wat ik van Drago zag waren zijn op en neer gaande billen en rug.
Langzaam liep ik richting bed en pakte, van een tafeltje dat naast de deur stond, een glas met water. Toen ik nog maar een halve meter van het bed verwijderd was, sloeg ik het glas kapot tegen de rand van het bed. Drago stopte met stoten en draaide zijn hoofd om. Op dat moment duwde ik het kapotte glas recht in zijn gezicht, waarbij een uitstekende punt glas zijn oog binnendrong. Hij schreeuwde, maar ik wist dat de kamers goed geïsoleerd waren, bovendien zou men hier niet echt vreemd opkijken van wat geschreeuw. Ik liet de resten van het glas die ik nog in mijn hand had vallen en greep zijn linkerarm. Met een harde ruk trok ik hem van het bed.
Op de grond probeerde hij zich los te rukken uit mijn greep. Ik maakte echter snel een einde aan zijn verzet, door een harde trap in zijn nek.
Hij zou wel een tijdje bewusteloos zijn nu, dus ik draaide me om en keek naar het bed. Nu zag ik pas dat ook haar handen vastgebonden zaten aan de hoeken van het bed.
“Je houdt je rustig he?”, ze knikte en ik haalde de prop uit haar mond. Haar lichaam zat onder de krassen en blauwe plekken. Waarschijnlijk had Drago nog liever veel extremere zaken met haar willen doen, maar hij wist natuurlijk dat hij er niet mee weg zou komen. Het vernielen van een cyborg zou in het ergste geval alleen maar wat geld kosten, maar hier hadden we het niet over een machine. “Gaat het een beetje?”, ze knikte weer en zei, “dankjewel voor je hulp”. Ik wilde net zeggen dat ik niet voor haar hier was, maar dacht dat het geen kwaad zou kunnen als zij zou denken van wel. “Ik maakte me zorgen en wilde eventjes komen kijken of je wel okay was, maar goed dat ik op tijd was. Volgens mij is die gast goed ziek en ik weet niet wat hij nog meer met je zou willen doen”. Ze knikte weer en zei, “goed ziek is hij inderdaad”. Ik keek rond in de kamer en zag Drago’s rugzak in een hoek van de kamer liggen. Snel pakte ik hem en strooide de inhoud uit over het bed. “Je bent zijn gevangene, toch?”, vroeg ze.
“Luister...hoe heet je eigenlijk?” “Mira”, antwoordde ze.
“Okay, Mira luister ik heb je geholpen, maar zit daardoor nu in de problemen. Als hij weer bij bewustzijn is, dan ben ik mijn kop kwijt”, ik wees op mijn halsband. Terwijl ik sprak doorzocht ik de spullen op het bed en zag dat de bediening van mijn halsband er niet tussen zat. Het enige dat ik vond waren vieze kleren, eten en pornoboekjes.
“Ik ben nogal gehecht aan mijn hoofd en ben dus van plan om het te behouden. Met andere woorden, ik ga er voor zorgen dat die klootzak daar niet meer bijkomt”. Mira keek me met open mond aan, “je bedoelt dat je hem gaat vermoorden?”.
“Ja, dat bedoel ik. Ik snap dat je daar niet bij betrokken wilt worden dus ik wil je het volgende voorstellen. Ik bind je straks vast aan het bed en het zal pas morgenvroeg zijn alvorens iemand er achter komt wat er hier gebeurd is. Jij kunt dan gewoon de waarheid vertellen en omdat je vastgebonden zit, zal verder niemand jou iets kwalijk nemen. Als ze mij gaan zoeken heb ik al een behoorlijke voorsprong. Wat denk je ervan?”. Ze dacht eventjes na en zei, “je hebt waarschijnlijk mijn leven gered en ik kan je zeker niet van je plan afhouden, zelfs als ik dat al zou willen”. Ik glimlachte en zei, “goed gezien”.
“Waar is zijn pistool?”, Mira wees naar zijn gordel die op de grond lag. Ik pakte het wapen en zag dat het een ander type was dan de pistolen die door de meeste bewakers gedragen werden. Het was de eerste keer dat ik het wapen zag, omdat de holster aan zijn gordel helemaal dicht was. Het wapen leek qua uiterlijk op een Tsjechisch model, maar ik had het type nog nooit eerder gezien.
“Ik wil graag wat informatie van je”, zei ik tegen Mira en ging naast haar op bed zitten.
In de tien minuten die daarop volgden vertelde ze me alles wat ik moest weten om de kans op een geslaagde ontsnappingspoging te verhogen.

Drago begon bij te komen en ik wist dat ik niet te lang moest wachten.
“Kijk eens naar rechts”, zei ik tegen Mira. Ze deed wat ik vroeg en kreeg de kans niet meer om te vragen waarom. Ik gaf een rechtse hoek tegen de zijkant van haar kaak.
Misschien niet echt vriendelijk, maar op die manier hoefde ze niet toe te kijken hoe ik Drago van kant zou maken en het zou haar verhaal zelfs nog wat geloofwaardiger maken, want een blauwe kaak zou niet lang op zich laten wachten.
Drago greep naar zijn oog en raakte in paniek toen hij de glasresten voelde die uit zijn oogkas staken. Hij bloedde hevig, zijn hele gezicht zat er onder. Ik knielde naast hem en zei, “ziet er niet goed voor je uit, klootzak”. Hij zei niets, maar sloeg met zijn linkerhand naar mijn hoofd. Ik blokte de stoot makkelijk en lachte. “Kun je je Charlie nog herinneren?. Veel plezier hadden jullie toen, weet je dat nog?” Hij sloeg wild om zich heen, maar ik zat nu buiten zijn bereik. “Eigenlijk zit je nu zo’n beetje in dezelfde situatie, alleen speel jij nu de rol van Charlie. Net zo hulpeloos en net zo onder het bloed, maar dat vond je toen ook amusant, dus zul je er nu ook wel geen problemen mee hebben. Luister vriend, ik zou nog wel een tijdje met je willen spelen, maar ik heb belangrijkere zaken aan mijn hoofd. Ik moet weten wie de bediening van mijn halsband in z’n rugzak heeft. Drago stopte met het wild om zich heen slaan, waarschijnlijk omdat hij zich realiseerde dat het geen enkel nut had. “Val kapot, klootzak. Je denkt toch niet dat ik jou wat ga vertellen?”. “Nou, laten we het zo stellen.
Als je me helpt dan maak ik je niet van kant, maar bind je hier vast aan het bed naast je vriendin. Krijg ik geen hulp, dan pak ik nu een mes en snij je gezicht eraf, zodat je er de rest van je miezerige leven uitziet als een freak”. Drago zei niets en ik zag dat hij nadacht. “Ow ja, het is natuurlijk wel zo dat als je me de verkeerde naam geeft, ik weer terug kom naar deze kamer en vervolgens je pik eraf snij en hem in je mond duw. Zeg het maar, wat wordt het?”.
“Jozef, heeft het”, zei hij zacht. Het idee om te stikken in zijn eigen geslachtsdeel sprak hem kennelijk toch niet echt aan.
Ik stond op, trok hem naar het bed en ging zelf op het bed zitten. Vervolgens pakte ik zijn hoofd vast, zei, “deze is voor Charlie” en brak zijn nek.

Het bloed op mijn handen veegde ik af aan de matras op het bed. Ik bond Mira stevig vast aan het bed en zorgde ervoor dat ze een beetje makkelijk zat.
Ik keek nog eens goed in de kamer rond en vond wat kleren in mijn maat. Misschien van een klant die niet kon betalen, want ze zagen er nog erg goed uit.
Ik stopte het pistool in mijn binnenzak en keek nog één keer om alvorens de kamer te verlaten.

Er was nog steeds niemand in de gang en ik liep rustig de trap af, terug naar de tweede verdieping.


HOOFDSTUK 42.
Ik passeerde de kamers van Tjol en Kareem, maar kon niets horen. Kamer veertien was de kamer van Jozef en ik drukte mijn oor weer tegen de deur. Ik hoorde niets en besloot om aan te kloppen. Na tweemaal kloppen hoorde ik Jozef roepen, “wat is er?, ik ben bezig verdomme”. “Drago, wil je spreken, nu meteen!”, antwoordde ik. Het duurde een paar seconden, maar de deur ging open. Jozef stond voor me in een oude onderbroek en een T-shirt met zijn eigen naam erop gedrukt. “Waarom stuurt hij jou dan?, en wat heb je voor kleren aan?”. Ik deed alsof ik door mijn haren wilde wrijven, maar gaf hem een rechte stoot op zijn neus. Terwijl hij achteruit de kamer in viel, stapte ik naar binnen en sloot de deur achter me. “Verdomme, ik sla je helemaal kapot”, riep Jozef en voelde aan zijn gebroken neus. In bed lag een mooi model cyborg, dat met grote ogen alles gadesloeg. Ik negeerde haar en liep op Jozef af. Deze haalde uit met een schuine slag richting mijn hoofd. Ik blokte de slag en kwam in met een rechte stoot. Opnieuw raakte ik hem hard op zijn neus. Jozef liep enkele passen achteruit en hield zijn neus vast alsof deze elk moment van zijn gezicht kon vallen. Ik pakte het pistool uit de binnenkant van mijn jas en richtte het op hem. “Die is van Drago, wat heb je met hem gedaan?”. Ik glimlachte en zei, “hij werkte niet echt mee, dus heb ik zijn nek gebroken. Ik denk dat jij wel iets slimmer zult zijn, of niet?”.
Jozef zei niets en knikte. “Jij hebt de bediening van mijn halsband, waar is dat ding?” Jozef wees naar zijn rugzak die onder het bed lag. Terwijl ik naar de cyborg in bed keek zei ik, “Jij daar, breng me de rugzak”. Ze stond snel op en deed wat ik vroeg. Ze had een mooi lichaam en geen beschadigingen. Toen ik de rugzak in mijn handen had liet ik haar voor me knielen en met een harde trap richting haar nek schakelde ik de machine uit. Ik kende het model niet en kon me niet permitteren risico’s te nemen. Terwijl ik het pistool op Jozef gericht hield, liep ik naar het bed en strooide de inhoud van de rugzak over het bed uit, net zoals ik het eerder in Drago’s kamer gedaan had. Drago had de waarheid gesproken, tussen de kleren lag een zwart doosje met daarop het symbool van een halsband. Ik opende de doos en zag vier verschillende knoppen, met boven elke knop een opschrift in een taal die ik niet kende.
“Welke knop moet ik hebben om die halsband af te kunnen doen?”, vroeg ik aan Jozef. “Voordat je antwoord geeft, denk goed na, want ik ga het natuurlijk eerst navragen aan iemand anders. Mocht ik erachter komen dat je gelogen hebt, dan breek ik je nek net zoals die van dat nepwijf daar op de grond”. “Je bedoelt dat je me in leven laat?”, vroeg Jozef. “Tuurlijk”, loog ik, “je hebt me toch nooit iets gedaan”. Ik zag dat hij twijfelde, maar wat was zijn alternatief?. “Wanneer je de groene knop tien seconden ingedrukt houdt, dan is de halsband gedeactiveerd en kan hij ook niet meer op afstand geactiveerd worden”.
Ik besloot het risico te nemen, “okay draai je om, ik sla je dan knock-out en heb voldoende tijd om Ching dezelfde vraag te stellen. Als ik van hem een ander antwoord krijg, word je nooit meer wakker”. Hij draaide zich om en zei, “sla niet mijn kop helemaal kapot he”. “Maak je maar geen zorgen”, zei ik, “je zult er achteraf geen last van hebben”.
Ik sloeg hem met het handvat van het pistool op zijn achterhoofd en wurgde hem vervolgens. Na gecontroleerd te hebben of hij inderdaad dood was, drukte ik tien seconden op de groene knop en hoorde mijn halsband piepend geluid maken. Ik sloot mijn ogen en dacht aan Tess. Niets gebeurde er, ook Jozef had de waarheid gesproken. De halsband was nu makkelijk te openen en het was een prettig gevoel om het gewicht niet meer om mijn nek te voelen.
Ik doorzocht de kamer nog eens op bruikbare spullen, maar kon niets vinden.
Het was tijd om te gaan, ik had de avond en de nacht om ongemerkt weg te komen. Morgenvroeg zouden de lichamen van Drago en Jozef ontdekt worden en zou Mira haar verhaal vertellen. De eigenaresse van het bordeel zou het waarschijnlijk allemaal niet zo heel veel uitmaken, maar ze zou er wel van balen dat een mooie cyborg naar de knoppen was.
Ik sloot de deur zachtjes achter me en liep de trap af. Beneden was niemand en ik kon ongezien het pand verlaten.


HOOFDTUK 43.
Henry had een rotdag achter de rug. Het begon al vanmorgen toen twee leerlingen elkaar in de haren vlogen. Henry probeerde de vechtersbazen uit elkaar te haren en liep zelf tegen een vuist aan. Dat zou een mooi blauw oog worden, wat weer betekende dat hij geen klas zou kunnen inlopen zonder uitgelachen te worden.
Maar ja, het hoorde er nu eenmaal bij.  Tijdens de lunch kwam hij er achter dat hij zijn boterhammen vergeten was en dus veroordeeld was tot junkfood dat in de kantine van de school geproduceerd werd.
Op het einde van zijn laatste uur, vroeg een meisje of ze hem na de les eventjes kon spreken. Henry kende de meid wel, ze had een naam, dat wil zeggen er waren behoorlijk wat jongens op school die al seks met haar hadden gehad. Ze was zestien en droeg die dag een kort rokje en lange zwarte laarzen.
“Kijk meneer, ik moet een voldoende hebben voor maatschappijleer en dat zit er volgens mij niet in”. Henry fronste zijn wenkbrauwen, “Shirley, heb je dit jaar wel eens het boek open gehad?”. Ze glimlachte en ging op het tafeltje voor zijn bureau zitten. “Je zou eens kunnen proberen om wat te leren, dan zou je waarschijnlijk ook een voldoende halen. Dom ben je niet, alleen lui”. Shirley keek naar beneden en Henry wist dat ze een goede actrice was. Ze deed alsof ze enorme spijt had van haar prestaties in de afgelopen maanden. “Ik ben bang dat het nu te laat is meneer. Ik sta een drie gemiddeld en die krijg ik nooit meer opgehaald”. Henry haalde zijn schouders op, “dat is niet echt mijn probleem, toch?. Misschien als je belooft vanaf nu goed te leren en in de komende drie maanden alleen nog maar voldoendes haalt, dat ik wel wat voor je kan regelen. Zal dat wel eerst eventjes op moeten nemen met je klasseleraar. Shirley zei niets, maar Henry bemerkte dat ze haar langzaam benen uit elkaar deed, zodat hij kon zien dat ze niets onder haar rokje droeg.
Henry kreeg het warm en voelde zich ongemakkelijk, wat zou Tom in zo’n situatie hebben gedaan?. Hij schrok van deze gedachte, waarom dacht hij aan Tom in de verleden tijd.
Na de dood van Masato was Henry gestopt met zijn budostudie. Hij had het er al vaker moeilijk mee gehad, maar zonder Masato en de steun van Tom kon hij het niet meer opbrengen. “Misschien is er een andere manier, weet u niets?”. Hij keek Shirley aan en voelde een erectie opkomen. “Nee Shirley, zo werkt dat niet. Ik ben geen klasgenoot die je makkelijk om je vinger kunt winden”. Ze deed een alles of niets poging en trok haar rokje helemaal omhoog. Haar vagina lag nu helemaal bloot en Henry voelde dat hij een rode kop kreeg. Hij zag dat ze helemaal glad geschoren was en een piercing in haar clitoris had. “Je wilt me gaan vertellen dat je hier niet van houdt!!!, je bent toch geen flikker.” Henry stond op en pakte zijn tas, hij moest er niet aan denken dat op dit moment een collega zijn leslokaal zou inlopen. “Nee Shirley ik ben geen flikker, maar wel getrouwd en heb mijn principes. Je weet hoe ik erover denk nu, dus; haal voldoendes en we kunnen praten over je cijfer. Tot morgen.”
Henry verliet snel het leslokaal en hoorde hoe Shirley hem nog enkele verwensingen toeschreeuwde. Hij liep langs de lerarenkamer en botste bijna tegen de conciërge aan. “Alles goed Henry, je ziet er een beetje verhit uit”. Henry wreef een hand door zijn gezicht en zei, “ja, voel me ook een beetje warm, misschien dat ik een griepje of zo onder de leden heb”.
Henry liep snel verder en schrok toen de metaaldetector afging bij het verlaten van het schoolgebouw. De beveiligingsbeambte wenkte dat hij door kon lopen en Henry zwaaide terug. Op de parkeerplaats zag hij dat er een deuk in de achterkant van zijn wagen zat. Op de plek van de beschadiging zat een sticker geplakt. “Bedrijfsongeval RVD. Claimnummer 78865-8”. De Ratten VerwijderingsDienst, hij had de wagen vanmorgen wel gezien. In de kelders van de school heerste een grote rattenplaag en ze waren regelmatig aanwezig. Hij zou het uitdeuken van zijn wagen niet meer vergoed krijgen. Sinds enkele maanden was het uitdeuken van auto’s niet meer verzekerd.
Alle moderne auto’s waren van een goedkoper soort metaal gemaakt, dat bijna niets kostte en dus zou uitdeuken duurder zijn dan gewoon vervangen.

Hij stapte in zijn auto en reed naar huis. Onderweg dacht hij aan Shirley en fantaseerde erover hoe het zou zijn als hij op haar voorstel was ingegaan. De gedachte hield hem de hele autorit bezig. Thuis aangekomen ging zijn garage automatisch open. Hij moest nog steeds uitzoeken hoe hij de actieradius van zijn garagedeur kon verkleinen. De deur ging namelijk al open als hij nog een kilometer ver weg was en dat was nogal overdreven.

Josh had het huis van Henry al een half uur in de gaten gehouden en voelde het signaal dat de deur uitzond nog voordat hij daadwerkelijk open ging. Hij benutte de mogelijkheid om snel naar binnen te lopen en zich te verstoppen in de garage.
De cyborg had zich de afgelopen week schuilgehouden in een goedkoop hotel en zou vandaag zijn volgende vier slachtoffers gaan maken. Na dit gezin, zou er alleen nog maar de vriendin van zijn doelwit over zijn om te vermoorden. Mocht zijn doelwit niet komen opdagen, dan zou hij ervan uit gaan, dat het Tom Brown niet gelukt was om te ontsnappen uit  kamp nummer zeven. Hij zou dan terugkeren naar zijn thuisbasis en wachten op een nieuwe opdracht.

Henry reed de garage in en ergerde zich aan de troep, die achter in de garage lag.
Meerdere malen per week maakte hij er een opmerking over, maar Nancy scheen zich er niets van aan te trekken.
Het merendeel van de rotzooi was afgedankt speelgoed van zijn oudste zoon Peter. De bedoeling was dat Mickie hiermee zou gaan spelen, maar Henry wist wel dat als Mickie de leeftijd had om ermee te kunnen spelen, toch alles weer nieuw gekocht zou worden.
De kinderen waren zo druk dat Henry altijd blij was als ze naar bed gingen. Vooral Peter zou nu toch langzamerhand wat rustiger moeten worden. Hij zat nu al twee jaar op de basisschool en zijn lerares klaagde elke keer weer over zijn drukke gedrag. Zijn broertje was net zo erg en totaal niet voor rede vatbaar met zijn bijna vier jaar.

Henry sloot de garagedeur en liep via de tussendeur de keuken binnen.
“Hoi”, zei zijn vrouw Nancy, “hoe was het op school?”. “Prima, leuke dag gehad”, antwoordde Henry en veranderde snel van onderwerp door te vragen wat ze zouden eten zo meteen.
“Peter, wat weten we vandaag?”, riep Nancy en gaf Henry een knipoog.
“Pannenkoeken”, riep Peter en kwam vol enthousiasme de keuken in rennen. “Hey pappa, we eten pannenkoeken, lekker he?”. Henry moest lachen en zei, “kan nauwelijks wachten”. Persoonlijk hield hij er niet van, maar er waren überhaupt niet veel gerechten waar hij echt warm voor liep.
Hij was nu al weken niet meer uitgeweest en miste Tom. “Zullen we zondag eens gaan stappen?”, vroeg hij aan Nancy, “je moeder wil vast wel een avondje oppassen”.
Nancy wilde net antwoord geven toen ze een schreeuw hoorde uit de woonkamer. Iedereen rende in de richting van de schreeuw en zag dat Mickie voor de zoveelste keer van de bank was gevallen. “Met zijn hoofd tegen het tafeltje”, riep Peter. Mickie huilde, maar er was verder niets te zien. “Hou er maar iets kouds tegenaan”, zei Henry.
Nancy liep met Mickie op haar arm terug naar de keuken, terwijl Henry en Peter plaats namen op de bank.
Henry wilde net vragen hoe Peters schooldag was geweest, toen er ijzingwekkend gekrijs uit de keuken kwam.

Josh was door de tussendeur de keuken in gelopen en zag dat een vrouw, met een klein kind op de arm, bij het aanrecht stond.
Nancy schrok en drukte Mickie stevig tegen zich aan. Mickie schrok van het gekrijs van Nancy en zette het op een huilen. De cyborg liep richting Nancy en sloeg haar in het gezicht, waarop zij achterover viel. In haar val zorgde ze ervoor dat Mickie niet met de harde keukenvloer in aanraking kwam.
Henry rende naar de keuken en zag een grote blonde vent over zijn vrouw en jongste zoon gebogen staan. Hij hoefde niet na te denken, pakte een stoel en gooide deze met volle vaart tegen de cyborg aan. Hoewel de stoel in stukken op de grond belandde, leek het effect minimaal. De cyborg bloedde lichtjes aan zijn rechteroor, maar verder leek hij er geen last van te hebben. Henry rende naar voren en vloog de cyborg aan, nog steeds denkend dat hij te maken had met een mens in plaat van een machine. De cyborg sloeg hem met een vuist in de achterkant van zijn nek en Henry zakte omlaag. Hij liet echter niet los en omklemde de benen van de cyborg. “Nancy, pak de kinderen en ga naar buiten!!!, WEG, WEG!!”, schreeuwde hij.
Nancy pakte Mickie bij een arm en rende de woonkamer in. Peter stond met een wit vertrokken gezicht van angst bij de kamerdeur. Nancy pakte hem met haar vrije hand en trok beide kinderen achter zich aan de hal in.
Josh begon met harde slagen op Henry in te slaan, maar Henry’s greep op de benen van de cyborg werd alleen maar steviger. Het maakte Henry niet uit wat er met hem gebeuren zou, zolang zijn vrouw en kinderen maar veilig het huis uit konden vluchten.
Nancy was de voordeur uit en rende met beide kinderen de straat op. Ze bleef een moment staan en wist niet wat te doen. Ze draaide zich om naar Peter en zei, “Luister, pak je broertje en ga naar tante Mary, je weet waar dat is he?”. Peter was nog steeds half in shock, maar knikte met zijn hoofd en wees met een vinger richting het einde van de straat. “Ja, goed zo. Doe wat ik zeg okay?”. Peter zei, “ja mamma”, en maakte aanstalten om nog meer te zeggen. Nancy hield echter een vinger voor zijn mond. “Nu niets vragen, er is geen tijd. Doe wat ik zeg en pas op je broertje. Mama houdt van jullie”, en ze gaf beide kinderen een kus op hun voorhoofd. Nancy stond op en rende terug naar het huis. Bij de deur draaide ze zich pas om en zag dat Peter de nog steeds krijsende Mickie voor zich uit trok richting het huis van hun favoriete tante.

Binnen, terwijl de cyborg nog steeds op hem inbeukte,  schoten er beelden door Henry’s hoofd van zijn vrouw en kinderen. Hij zag het bloed nu niet meer van zijn gezicht af druppelen, maar er begon zich langzaam een straaltje te vormen dat vanaf zijn voorhoofd op de grond droop. Hij wist dat het zo meteen afgelopen zou zijn, want iets anders doen dan stevig vasthouden kon hij niet.
De cyborg keek naar het aanrecht en zag er een groot broodmes liggen. Hij wilde nu van deze lastpost af en had geen zin om nog lang op hem in te beuken. Er was immers ook nog een vrouw en twee kinderen die geëlimineerd moesten worden en als hij niet snel in beweging kwam zou hij ze misschien niet meer kunnen vinden. Hij pakte het broodmes en wilde het net in de zijkant van Henry’s hals steken, toen hij plotseling een scherpe steek in zijn rug voelde. Zijn sensoren registreerden de pijn, maar hij was geprogrammeerd om pijn zoveel mogelijk te negeren. Helemaal negeren kon hij het niet, maar op een schaal van één tot vijf zat hij op één.
De cyborg draaide zich om en zag Nancy achter hem staan. Hij greep naar de pijnlijke plek op zijn rug en voelde het handvat van een schroevendraaier er uitsteken. Hij trok de schroevendraaier langzaam uit zijn rug en toen Nancy naast bloed, ook een groene vloeistof uit de wond zag komen begreep ze dat ze hier niet met een mens te maken hadden. “Henry, het is een cyborg!!”, schreeuwde ze. Met de schroevendraaier in zijn hand draaide de cyborg zich helemaal naar Nancy om en nog voordat ze van positie kon veranderen stak hij de schroevendraaier in haar rechterborst. Nancy keek hem met grote ogen aan en zakte door de knieën. Henry stond op zijn voeten en zag zijn vrouw op de keukenvloer vallen. Het was alsof hij een nachtmerrie had en niet wakker kon worden. De Cyborg draaide zich weer om naar hem en wilde hem bij zijn schouders pakken.  Henry verplaatste zich echter instinctief, greep de rechterhand van de cyborg en boog deze na het draaien van het polsgewricht naar zijn aanvaller toe. Nikyo, dacht Henry bij zichzelf en was er verbaasd over dat hij deze techniek zonder na te denken had uitgevoerd. De klem maakte het onmogelijk voor de cyborg om te blijven staan en hij werd gedwongen omlaag te gaan. Met een low kick trapte Henry in de buik van de cyborg. Het mes dat de cyborg eerder had gepakt om Henry in zijn hals te steken, lag op de grond en Henry probeerde het te pakken. Henry was te laat, een cyborg is geen mens en heeft dus ook niet echt veel tijd nodig om te herstellen van een paar rake klappen. Net voordat hij het mes kon pakken sloeg de cyborg het weg, pakte Henry vast rond zijn nek en middel en nam hem enkele seconden in een wurggreep die Henry het bewustzijn liet verliezen.

De cyborg rende naar buiten en keek of hij een spoor van de kinderen kon vinden. Ze waren echter weg. Een paar oude vrouwen liepen over het trottoir en keken de grote blonde man, met zijn bloedende rug, met open mond aan. De cyborg wist dat hij moest opschieten.

Henry voelde hoe een hand over zijn gezicht wreef. “Schat, wat is er toch gebeurd”, zei Nancy met zachte en zwakke stem. Henry deed zijn ogen open en zag zijn vrouw in een grote plas bloed op de grond liggen. Hij had haar gezicht nog nooit zo wit gezien. Toen hij haar hand wilde vast pakken schoot er een hevige pijnsteek in zijn rug. “Waar zijn de kinderen, waar zijn Mickie en Peter?”, vroeg hij. “Ze zijn veilig, ze.......”, dit was het laatste want Nancy zei. Henry barste in huilen uit en kroop tegen zijn vrouw aan.
Hij hoorde de voordeur dichtslaan en keek zonder angst naar de lange blonde machine die op hem af kwam lopen. De cyborg zag meteen dat de vrouw dood was en wilde eigenlijk Henry een brief laten schrijven, zoals hij dat Tom’s oom had laten doen, maar er was geen tijd meer.
De vrouwen buiten zouden ongetwijfeld actie hebben ondernomen. Hij liep naar Henry toe, draaide hem op zijn buik, zette een voet in zijn nek en trok zijn hoofd met alle macht naar achteren. Henry verzette zich niet en was niet bang, de pijn verdween uit Henry’s rug.

Op het einde van de straat was Peters tante er nog steeds niet in geslaagd om een zinnig antwoord op de vraag, “Waar is mamma?”, te krijgen. Peter kon geen woord uitbrengen en kleine Mickie huilde al vijf minuten lang.
Peters oom kwam gelijk met de politie aan om de levenloze lichamen van Nancy en Henry te vinden. Van een mogelijke dader was geen spoor meer te vinden.

Terug op zijn hotelkamer kleedde de cyborg zich uit en stapte onder de douche. Bloed liep nog steeds uit de wond op zijn rug, via zijn billen en benen omlaag. Hij was een vechtmodel, dus bezat alle informatie over hoe hij zichzelf het beste kon oplappen. Na zijn gevecht met Masato, dat bepaald niet gelopen was zoals gedacht, had hij ook al het een en ander aan reparatiewerkzaamheden moeten uitvoeren. Hij zou de komende zeven dagen vooral in zijn hotelkamer blijven en zichzelf zoveel mogelijk uitschakelen, zodat het helingsproces sneller zou verlopen. Daarna zou hij afrekenen met zijn volgende slachtoffer.


HOOFDSTUK 44.
Tuvok gooide een volle vodkafles tegen de muur van zijn bureau. “Godverdomme, twee man dood en mijn beste vechter weg!”.Ching zei niets en vond het een goed idee om zoveel mogelijk naar de grond te kijken. De morgen na de moord op Jozef en Drago was al bijna afgelopen, voordat men erachter kwam wat er gebeurd was.
De enige die iets kon navertellen was een dame met een blauw gezicht, die de hele nacht vastgebonden had gezeten. Ze vertelde dat Drago haar mishandeld had en dat ze gered was door de man met de halsband. Toen ze hem wilde bedanken werd hij bang omdat hij vermoedde dat de overige bewakers hem zouden doden. Hij sloeg dus op de vlucht, maar zorgde ervoor dat hij een flinke voorsprong had, door de enige getuige knock-out te slaan en vast te binden. Wat er in de kamer van Jozef was gebeurd, wist ze niet. Ching kon aan haar ogen zien, dat ze hoopte dat Tom het zou halen en eigenlijk hoopte hij dat zelf ook.
De politie werd gealarmeerd, maar deze bezat niet het materieel en de mankracht om een grote zoekactie op te zetten. Er werden een paar “Eliminators” op uitgestuurd, maar dit waren zwaar verouderde modellen, waarvan je niet meer veel kon verwachten.
“Ching, haal zijn celmaat en breng hem naar mij toe. Misschien dat dit allemaal gepland was en dat hij me er meer over kan vertellen”.
Ching salueerde en maakte zich snel uit de voeten om Kitano te halen.
Kitano zat op zijn matras te lezen en keek op toen Ching met een knuppel tegen de tralies tikte. “Meekomen”, zei Ching.
Kitano stond op en glimlachte, “dus hij is er vandoor”.
“Je kunt die grijns beter van je smoel halen, anders doet Tuvok dat zo meteen wel voor je”, zei Ching terwijl ze naar Tuvoks bureau toe liepen. “Ik kan er niets aan doen kameraad, zo kijk ik nu eenmaal”.“Je vriend heeft twee van mijn mannen van kant gemaakt en is nu spoorloos. Ik vermoed dat dit allemaal van tevoren gepland is en vermoed ook dat jij er meer vanaf weet”. Tuvok stond op van achteren zijn bureau en liep naar Kitano toe. “Wat heeft hij je allemaal verteld, tijdens jullie gezellige tatoeagesessies?. SPREEK!!”.
Kitano keek hem aan met nog steeds die voldane grijns op zijn gezicht.
Ching, die alles vanuit een hoek van de kamer gadesloeg, vreesde het ergste. “Ik heb u niet zoveel te vertellen, eigenlijk was ik net in een spannend boek aan het lezen”.
Tuvok begon rood aan te lopen, liep terug naar zijn bureau, opende een la en pakte er een pistool uit. Hij liep terug naar Kitano en zette het wapen tegen zijn voorhoofd. “Luister pummel, ik heb geen zin om me hier door een of andere mafketel te laten kleineren. Ik tel tot vijf en je doet je bek open. Doe je het niet dan is Ching hier straks wel een tijdje bezig met het schoonmaken van mijn muur en vloer. Glas en hersens zijn niet de prettigste zaken om met je bloten handen op te moeten ruimen”. Kitano zei niets en keek Tuvok alleen maar aan.
“Vijf....vier”, Kitano keek Tuvok aan en er was niets aan zijn houding dat ook maar enig spoortje van angst of spanning liet zien. “Drie....twee”, de vinger van Tuvok spande zich om de trekker. “Okay...en één..........”. Ching sloot zijn ogen, maar toen de verwachtte knal uitbleef opende hij ze weer. Hij zag Tuvok die zijn best deed om het wapen af te vuren, maar op een of andere manier er niet in slaagde om de trekker over te halen. Kitano stond nog steeds in dezelfde houding met dezelfde doordringende blik, gericht op Tuvok. Na een paar seconden kon Tuvok er niet meer tegen en keek de andere kant op. Hij liet het wapen op de grond vallen en zei, “deze dwaas weet niets, breng hem terug naar zijn cel”.
Ching, blij dat hij inderdaad niet met zijn knieën op de vloer naar stukjes hersens hoefde te zoeken, pakte Kitano snel bij een arm en trok hem het bureau uit. Op de terugweg naar de cel zei Ching, “zoiets heb ik nog nooit gezien. Tuvok is normaal een gewetenloze vent, die zelfs wel eens gevangenen heeft neergeschoten, omdat hun gezicht hem niet aanstond”. Kitano zei, “hij kon niet op zichzelf schieten en dat is wat ik hem liet zien...zichzelf”.


HOOFDSTUK 45.
Het leek erop dat mijn ontsnapping was gelukt. Het was nu al twee dagen geleden dat ik het bordeel had verlaten en ik was nog niet ontdekt. Tot nu toe had ik me ver weg gehouden van grote wegen en huizen, maar nu werd het tijd om wat te eten.
Ik zag de boerderij pas toen het licht werd aangedaan op de binnenplaats. Een grote dikke man gooide de resten van een of ander beest op de binnenplaats en de drie honden die er losliepen deden zich er aan tegoed.
Het pistool van Drago zat nog steeds in mijn binnenzak en ik liep richting de boerderij. De grootste hond keek op en begon te blaffen toen hij mij zag naderen. Normaal gesproken zou hij waarschijnlijk op mij afgestormd zijn, maar nu deed hij zich tegoed aan de resten van een geslacht dier. De boer opende de keukendeur en keek in mijn richting. Ik zwaaide naar hem en liep rustig door, alsof ik een wandeling maakte voor mijn plezier.
De boer stapte uit de deuropening en liep me tegemoet, ik was blij dat hij niet naar binnen was gegaan om een geweer te pakken, want hier in dit verlaten gebied zou hij er ongetwijfeld eentje hebben. Ik begroette de man en schudde zijn hand, tot mijn verbazing bleek dat hij vloeiend Engels sprak Hij vroeg waar ik vandaan kwam en bij gebrek aan een zinnige smoes besloot ik hem de waarheid te vertellen. Zijn reactie zou bepalen of ik mijn pistool op hem zou richtten of niet. “Ik ben een ontsnapte gevangene, die op weg is naar huis”. Hij keek me een tijdje aan en zei, “er zijn hier geen gevangenissen in de buurt”. Ik knikte en vertelde hem dat ik reeds enkele dagen onder weg was. “Je zult wel honger hebben”, zei de boer, “mijn naam is Greg”.
“Klinkt niet echt als een naam uit deze omgeving en ja, ik barst inderdaad van de honger”.
Hij lachte en zei, “klopt, ik kom uit de Europese Unie, net als jij volgens mij. Je hebt geluk, ik heb zojuist een kip geslacht en zou het fijn vinden als je me vanavond gezelschap zou houden”. “Dat zou ik zeer waarderen”, antwoordde ik. “Ik stel slechts één voorwaarde”, zei Greg, “we praten niet over politiek of religie, want dat zijn twee onderwerpen waarmee ik niets meer te maken wil hebben”. Ik vermoedde dat deze man zelf in ernstige problemen had gezeten en die had opgelost door zich hier, in niemandsland, te vestigen. “Geen probleem, het zijn trouwens ook niet mijn favoriete onderwerpen, dus dat komt goed uit”.
We liepen naast de honden richting keuken en de grootste hond gromde toen ik hem passeerde. “Tsasja, stil!”, zei Greg en de hond luisterde onmiddelijk. “Je zult vannacht wel in de stal moeten slapen, hoop niet dat je daar problemen mee hebt”. “Zeker niet”, antwoordde ik. In de keuken rook ik de meest verrukkelijke luchtjes en kon eigenlijk niet meer wachten totdat het eten klaar zou zijn. Greg zag kennelijk mijn reactie, want hij bood me alvast een stuk brood aan. “Zelf gebakken, dus geen commentaar alsjeblieft”, zei hij en moest lachen om zijn eigen opmerking.
“Wijn?”, ik was zeker geen wijndrinker, maar het leek me op dit moment heerlijk.
Hij pakte een fles uit zijn, rijkelijk gevulde, voorraadkast en had vervolgens vijf minuten werk om een kurkentrekker te vinden. Ik wist pas wat hij zocht toen ik het ding zag. Ik herinnerde me het ding van vroeger en terwijl ik hem bezig zag met het openen van de fles, leek het wel alsof ik mijn eigen vader bezig zag, toen ik nog klein was.
Het leek erop dat het geluk me begon toe te lachen, eerst de succesvolle ontsnapping en nu ook nog eens de ontmoeting met deze vriendelijke beer van een vent.

Het eten was het beste dat ik in maanden had gegeten en na het eten bood hij me een dikke sigaar aan. De sigaar smaakte afschuwelijk, maar ik genoot van het gezelschap en het glas vodka dat ik erbij kreeg. Greg vertelde me over hoe hij hier zijn geld verdiende en ik moest toegeven dat ik niet graag in zijn schoenen zou staan. Iedere morgen stond hij om vijf uur op, verzorgde de dieren en ging vervolgens werken op het land. Hij keerde om een uur of vier dan terug en spendeerde de rest van de avond aan werkzaamheden rondom de boerderij.
Hij had geen vrouw en zou er hier ook niet snel eentje ontmoeten. Het dichtstbijzijnde café lag op drie uur rijden met zijn tractor, want dat was naast een oud paard het enige transportmiddel dat hij bezat.
Het leek me allemaal vrij beroerd, maar toch gaf Greg aan dat hij nog nooit gelukkiger was geweest dan hier in zijn eentje. Hier had hij rust gevonden en was van plan om de rest van zijn leven hier ook te blijven.

Ik ging laat slapen en was duizelig van de wijn en vodka, een combinatie die ik niemand kan aanraden.
Het stro in de stal was niet echt droog, maar het maakte me niets uit.
Na een paar minuten viel ik in een diepe slaap en werd wakker, toen het oude paard beneden onrustig werd.
Ik kroop richting de rand van de zolder en keek omlaag in de stal. Er liep iemand of iets beneden en ik voelde snel in de binnenkant van mijn jas om te controleren of ik het wapen nog steeds had.
Het begon net licht te worden en ik kon nog niet zo heel veel zien. Op de manier waarop de persoon beneden zich voortbewoog maakte ik op dat het geen mens was, maar een machine.
Langzaam krop ik terug naar een hoek van de stal en bedekte mezelf met stro.
Ik zag de zoldertrap bewegen en al snel zag ik een nepkop, die met twee rode ogen op zoek was naar een teken van leven. Ik richtte het pistool, maar wachtte nog met afvuren. Na enkele seconden ging het ding weer na beneden en verliet de stal. Ik bleef nog een uur stil onder het stro liggen en besloot toen om op te staan. Het was nu licht en ik hoorde een deur openslaan. Ik keek over de rand en zag Greg. “Hey vriend, toch geen kater he?”, riep hij.
Snel stond ik op en keek goed om me heen. Niets te zien, “beetje maar”, antwoordde ik.
Hij lachte en zei, “wil je een lift op mijn tractor richting beschaving?”
“Graag”, antwoordde ik en sprong vanaf de zolder op een berg stro beneden.


HOOFDSTUK 46.
Tess had die dag al meerdere malen geprobeerd Henry te bereiken, maar kreeg geen antwoord. Nadat ook Nancy niet de bereiken bleek, besloot ze om eens langs te rijden en te controleren of alles in orde was.
Ze had een gevoel, dat ze niet kon plaatsen, maar het was geen prettig gevoel. Ze had een leenauto van de garage met zoveel technologie erin, dat je eigenlijk verplicht was eerst een certificaat te behalen.
Toen ze de kaart in het slot van de wagen stak, werd ze op haar schouder getikt. Ze schrok en draaide zich snel om. “Wat bent u aan het doen mevrouw?”, vroeg een jonge agent. “Hoezo, wat doe ik verkeerd?”. De agent fronste zijn wenkbrauwen en keek naar haar mond. “Shit”, ze was vergeten haar sigaret uit te maken en stond nu gewoon te paffen op de openbare weg. “Ik moet zeggen dat ik dit al lang niet meer heb meegemaakt”, zei de agent. “Het is algemeen bekend dat er nog steeds veel thuisrokers zijn, al is het verboden. Echter, iemand die gewoon in het openbaar met een sigaret in de mond loopt, da’s bijna grappig. U weet dat dit een zéér hoge boete wordt?”. Tess pakte de sigaret uit haar mond, doofde hem op de grond en stopte hem vervolgens in haar handtas. Het duurde een kwartier voordat ze verder kon.
Gelukkig had de agent haar niet om een autocertificaat gevraagd, al zou die boete in het niets vallen, vergeleken met die voor roken in het openbaar.

Nog een paar blokken verwijderd van Henry en Nancy, stopte de auto er plotseling mee. Ze had mazzel, dat het geen drukke straat was en twee voetgangers hielpen haar de wagen aan de kant te duwen. Een telefoontje naar de garage leerde dat de auto automatisch controleert op de hartslag van de bestuurder en dat de software die een en ander aanstuurt nog niet helemaal “bugfree” is. Het miniatuur LCD-schermpje en toetsenbord gaven haar inderdaad de mogelijkheid om dit uit te zetten. Iets wat in de garage al gedaan had moeten zijn. De rest van de rit verliep probleemloos.

Tess schrok toen ze de gele politielinten om het huis van Henry en Nancy zag en trok zich niets aan van de mobiele praatpaal die zei dat het verboden was het huis te benaderen. Ze belde aan, maar niemand deed open. De praatpaal vertelde haar dat ze een overtreding begaan had en moest wachten tot er iemand beschikbaar was om haar te bekeuren.
Vier minuten later verscheen er het gezicht van een oude agent op het scherm van de praatpaal. “Mevrouw, u bent in overtreding. Ik neem aan dat de praatpaal u dat ook verteld heeft?”. “Ja, maar ik ben een vriendin van de familie die hier woont en ik wil graag weten wat er gebeurd is”. De agent begon moeilijk te kijken en zei, “er zal binnen enkele ogenblikken een politiewagen bij u zijn, we zullen u dan volledig op de hoogte brengen”.  Het beeld verdween weer.

De politiewagen arriveerde inderdaad vrij snel en nam haar mee naar het bureau. De twee agenten in de auto konden haar niets vertellen en hadden alleen de opdracht haar naar het bureau te brengen.
Eenmaal op het bureau werd Tess verteld dat Henry en Nancy waren vermoord en dat de kinderen net op tijd door Nancy in veiligheid waren gebracht. De kinderen zaten nu tijdelijk op een onderduikadres totdat duidelijk was, wat de reden van de aanslag was. Er was namelijk niets gestolen uit de woning en het leek erop alsof het doden van het hele gezin de enige reden was. Tess barstte in huilen uit en was niet in staat om de vragen van de agenten te beantwoorden. Ze gaven haar een kop koffie en enkele minuten om bij te komen.
Sinds de verdwijning van Tom, was Tess pas echt bevriend geraakt met Henry en Nancy en ze mocht zelfs hun kinderen, hoe druk ze ook waren.
Ze dronk iets van de warme koffie en veegde haar tranen af met haar mouwen. Gelukkig droeg ze bijna nooit make-up, anders zou ze er nu waarschijnlijk uitzien als een heks. Plots kwam er een akelige gedachte bij haar op. De verdwijning van Tom, de moord op Masato, ze had geen verband gezien. Slechts enkele dagen geleden was ze erachter gekomen dat een familielid van Tom vermoord was en nog steeds had ze geen verband gezien. Echter nu Henry en zijn vrouw vermoord waren kon ze er niet meer omheen. Dit kon geen toeval zijn.
Ze voelde hoe ze warm werd van binnen en een soort van paniek zich over haar meester maakte. Wat deed Tom eigenlijk, hoe goed kende ze hem? Ze hield van hem, maar wist ze wel echt wie hij was.? Deed hij naast het ontwerpen van internetsites ook nog iets anders en was daarbij deze keer iets fout gegaan, waarvan een direct gevolg was dat bekenden van Tom werden vermoord?.
Als dit het geval was, lag het dan niet voor de hand dat zij een volgend slachtoffer zou zijn? Sterker nog, was het niet gek dat zij niet de eerste was die vermoord werd?, of bewaarden ze haar voor het laatst? Tom was niet iemand met veel vrienden, sterker nog hij zocht nooit contact met iemand op. Naast haarzelf waren Masato en Henry eigenlijk de enige twee personen waarvan ze wist, dat Tom iets om hen gaf.
Het kwam er dus eigenlijk op neer dat Tom’s complete kennissenbestand was uitgeroeid en zij de laatste was die nog over was.

Nadat ze enigszins opgeknapt was, werd ze aan een verhoor door twee agenten onderworpen.
“Tom Brown, dat is de persoon die u als vermist hebt opgegeven, toch?”, zei de oudste van de twee agenten. Tess bevestigde de vraag en vertelde de agenten ook over de moord op Masato en de oom van Tom. Alles werd opgenomen en gelijktijdig uitgeprint. De agenten luisterden aandachtig, maar toch kon Tess zich niet aan het idee onttrekken, dat het hun eigenlijk niets interesseerde. “U vraagt om bescherming, als ik het goed begrijp?”. Tess dacht eventjes na over de vraag en knikte, “ja, ik ben bang dat ik de volgende ben”.
De agenten keken elkaar aan en de oudste van de twee, die aan het aantal strepen op zijn mouw te zien ook hoger in rang was, zei, “ik moet het een en ander navragen, ben zo terug”.
Tess kreeg van de andere agent nog een kop koffie aangeboden en vertelde hem dat ze vanmorgen een boete had gekregen voor roken in het openbaar. “Dat gaat u een behoorlijke duit kosten”, zei de agent en vervolgens, “helaas is de wet niet anders, maar ik begrijp dat u het niet kan laten. Hunker zelf nog steeds regelmatig naar een sigaret”.
De andere agent kwam terug de kamer in, “mevrouw Lang, we kunnen het volgende voor u doen. We kunnen u vanavond een verblijfplaats aanbieden in één van onze mooie cellen. Niet echt prettig, maar wel veilig. Morgen kunnen we dan aan de rechter vragen of hij er akkoord mee gaat, om u tijdelijk op een onderduikadres onder te brengen. U gaf aan dat u de kinderen van de slachtoffers kent, zou het misschien voor de kinderen en u fijn zijn, als u op hetzelfde adres verblijft?” Tess was blij met dit voorstel, “ja, dat lijkt me heel fijn. Ik denk dat de kinderen het ook fijn zullen vinden om met iemand samen te zijn die ze kennen”.
“Okay dan, komt u maar met me mee, dan laat ik u zien waar u vanavond kunt slapen”.


HOOFDSTUK 47.
“Hallo, met wie?”
“Hallo, hier spreekt Kobun”
Een tijdje lang hoorde ik niets.....en toen; “we hadden niet gedacht dat u ooit nog zou bellen”. “Ik bel nu en heb hulp nodig”, zei ik. “Je hebt de opdracht succesvol volbracht, jammer dat het voor jezelf minder is afgelopen”. “Ja”, antwoordde ik, “maar ik ben nu weer vrij en op weg naar huis. Het gaat alleen nog een paar dagen duren om thuis te komen. Ik heb een sterk vermoeden dat mensen die ik ken als burger groot gevaar lopen en jullie moeten me helpen ze te beschermen. Ik weet dat een familielid van me is vermoord en vermoed dat er misschien nog wel één of twee andere mensen vermoord zijn”. De stem aan de andere kant van de lijn zei, “geef me de namen van de mensen waarvan je denkt dat ze gevaar lopen en bel me over een half uur terug, gaat dat?”. Ik bevestigde dat en gaf hem de namen en adressen van de mensen waar ik echt iets om gaf.

Een half uur later....
“Je oom is inderdaad vermoord. Je aikidoleraar, je vriend Henry en zijn vrouw zijn ook dood. Je vriendin zit op dit moment op een onderduikadres, waarvan we nog niet weten waar”.
Het gevoel dat me bekroop kan ik nog steeds niet beschrijven, maar het was een mengsel van woede en opluchting. Woede over de dood van Heny, Nancy en Masato. Goede mensen die nog nooit iemand kwaad hadden gedaan. Opluchting, want Tess leefde nog.
“Henry heeft...had twee kleine kinderen, wat is er met hen gebeurd?”. “Momentje”, klonk het aan de andere kant van de lijn. “Ze zijn niet dood”, vermoedelijk zitten ze ook op een onderduikadres”. Ik dacht aan Peter en kleine Mickie, de jongens zouden het zwaar hebben. Betere ouders dan Henry en Nancy bestonden volgens mij niet.
“Ik neem aan dat dit het werk was van iemand uit Brenner’s organisatie?”. “Ja”, antwoordde ik, “mijn vriendin is waarschijnlijk hun volgende doelwit”.
“Nou, ze zit op dit moment op een onderduikadres, maar je weet hoe makkelijk informatie los te peuteren is, dus echt veilig is het ook weer niet. Wil je dat wij het overnemen?”. Ik wist wat deze opmerking betekende, namelijk dat er een busje vol zwaarbewapende mannen naar het onderduikadres zou rijden en iedere aanwezige politieagent van kant zou maken. Vervolgens zou Tess in het busje worden gezet en naar een onderduikadres van de organisatie worden gebracht. Voordeel; ze zou echt veilig zijn. Nadeel; waarschijnlijk zou ze een trauma oplopen door al het geweld dat bij dit soort acties gebruikt werd.
“Ik ga er vanuit dat het maar één persoon is, bovendien kent hij de weg niet bij ons. Ze zit wel veilig denk ik”. “Zoals je wilt, kunnen we nog iets anders voor je betekenen op dit moment?”, zei de persoon aan de andere kant. Ik dacht eventjes na en zei, “op het moment niet, over een dag of twee ben ik in de Europese Unie en dan neem ik gelijk weer contact op”.
“Okay, we wachten op een bericht van je”. De verbinding werd vanaf de andere kant verbroken.

Ik had een slaapplaats voor de nacht boven een louche café voor de avond. Het was me gelukt om die avond contacten te leggen met de plaatselijke onderwereld. Morgenvroeg zou er een toeristenkaart voor me gemaakt gaan worden. Enkele uren werk en de apparatuur die erbij komt kijken is zo duur dat het onmogelijk is voor een enkele persoon om aan te schaffen.
Het was me gelukt om de nep ID te regelen tegen contante betaling bij aflevering. Normaal gesproken zou je vooruit moeten betalen, maar aangezien ik geen rode cent op zak had was dit niet mogelijk geweest.
Wat ik nu dus moest doen was aan geld komen en wel binnen een paar uur. Het pistool had ik voordat ik de stad in ging weg gegooid. Het risico om gedetecteerd te worden met een wapen op zak was te groot.
Na een half uur nagedacht te hebben over de makkelijkste manier om snel aan veel geld te komen gaf ik het op. Het beste wat ik kon bedenken was naar een rijke wijk gaan, ergens aanbellen en door middel van bedreiging en fysiek geweld contanten te bemachtigen. Dit zou kunnen betekenen dat ik misschien drie of vier huizen moest afgaan. Verder zouden er onschuldige mensen kunnen sterven, maar ik moest naar huis, naar Tess.

Na een rit van vijftien minuten, in één van de onbemande lijnbussen, kwam ik in een wijk die er duidelijk beter uitzag dan de rest van de stad tot nu toe. Ik stapte uit en liep langs de grote huizen. Het was al snel duidelijk dat er niet veel onderscheid tussen de huizen was. Kennelijk had men hier niet de drang om zich te onderscheiden en nog eens extra de nadruk te leggen op de aanwezigheid van geld.
Ik belde aan bij een willekeurig huis en een dienstmeisje deed open. Bingo!, een dienstmeisje, dat was al een goed voorteken. “Goedenavond, is de heer des huizes thuis?”, vroeg ik in het Engels. Ze kon me blijkbaar in één keer goed verstaan, want ze keek niet verbaasd. In gebrekkig Engels antwoordde ze, “Nee, hij komt over een uur of twee terug van een late vergadering. Kan ik u ergens mee helpen, of een boodschap doorgeven?”. Mooi dacht ik bij mezelf en zei,”zeker kun je me helpen”. Terwijl ik dit zei liep ik naar binnen en duwde haar achteruit. Ze begon te protesteren, maar zweeg toen ik een beweging maakte alsof ik haar in het gezicht zou slaan. “Luister”, zei ik, “ik ben hier voor geld of anders waardevolle spullen. Je hoeft niet bang te zijn, als je meewerkt”. Ze zei niets en liep voorzichtig achter uit de hal in.
In de hal zag ik, dat ik niet de foute keuze had gemaakt met dit huis. Er hingen grote schilderijen aan de wand en ik zag een kast vol met duur glas. Alleen glas of schilderijen zouden waarschijnlijk waardeloos voor mij zijn, aangezien ik morgenvroeg contanten nodig had. “Ik wil geld, goud, waardepapieren waarvan de waarde meteen duidelijk is. Ander duur spul zal ik ongemoeid laten en ik zal ook niets vernielen. Weet dus dat het in het belang van je baas is dat je me helpt”. Ze was duidelijk bang en zei, “ik zal het geld pakken waar ik zo bij kan”. Ze wees de weg en ik gebaarde dat ze voorop moest lopen. “Je weet toch wel zeker dat er niemand anders in huis is, he? Het zou jammer zijn als ik hier een paar lijken moest achterlaten”. Ze draaide zich half om en zei, “er is niemand anders hier”. Terwijl ze voor me liep vroeg ik me af of ze haar baan te danken had aan haar kwaliteiten als dienstmeid, of aan haar uiterlijk. Het viel me nu pas op dat ze een prachtfiguur had en haar gezicht kon ook het gezicht van een model zijn. We kwamen in de keuken en ze liep richting een keukenkastje. Ze knielde en pakte iets uit het kastje en kwam, met een zwarte handtas in haar hand, weer ophoog. Ze opende de tas op de keukentafel en er kwam een dik pak geld tevoorschijn. Ik pakte het aan en begon het tellen. Ze begon langzaam van me af te lopen en ik keek haar verbaasd aan. “Ik wil graag een glas water pakken, is dat goed? Heb een droge keel”. Ik knikte en ging verder met het tellen van het geld. Het was me een raadsel, waar ik zoveel geluk aan had verdiend. Het was zoveel, dat ik in één keer genoeg had voor de nep ID, die ik morgenvroeg zou krijgen. Welke idioot had zoveel geld in huis, dacht ik bij mezelf. Ik wilde me omdraaien om te vragen wat haar baas eigenlijk voor werk deed, toen ik iets zag glimmen.

Masato behandelde in zijn Aikidolessen alle aspecten van Budo.
Begrippen als “Metsuke” en “Zanshin” werden uitvoerig besproken. 
Metsuke hield in dat je alles en niets ziet. Het is de blik die de oude Japanse grootmeesters hadden en de manier van kijken was tijdens het beoefenen van de vechtkunsten. Niet focussen op een bepaald punt, maar alles zien.
Zanshin betekent, een totale staat van geestelijke en fysieke paraatheid.
Het was pijnlijk duidelijk, dat tijdens het tellen van het geld beide begrippen totaal door mij vergeten waren, een onvergefelijke fout.
De glimp die ik zag, was de kop van een bijl, die reeds met neerdalende snelheid richting mijn linkerarm aan het zwaaien was. Ik was te laat en de wegdraaiende beweging die ik maakte veranderde alleen de hoek waarin de bijl zich in mijn arm boorde.
Eigenlijk voelde ik op dat moment geen pijn, alleen verbazing. Hoe kon dit? , waar kwam die bijl vandaan?. Waarom deed ze dit, het was toch wel duidelijk dat ik haar in leven zou hebben gelaten?
Ik keek in het wit uitgeslagen gezicht van de dienstmeid en ze liet bijl los. De tegel waarop de bijl viel, brak in tweeën. Al snel zag ik hoe de bijl en de gebroken tegel gezelschap kregen van mijn bloed. Ik keek naar mijn linkerarm en schrok. Ik kon mijn elleboog niet meer zien en kwam tot de ontdekking dat deze niet meer zichtbaar was, omdat hij zich niet meer op zijn vertrouwde positie bevond. Het kwam er in feite op neer, dat mijn onderarm nog maar net aan mijn bovenarm bevestigd zat en dat een harde ruk eraan, waarschijnlijk genoeg zou zijn om hem er helemaal af te halen.
“SHIT!”, riep ik, “WAAROM TRUT?”
Ze raakte volkomen in paniek en viel me krijsend aan. Nog een reactie die ik niet verwacht had. Met een irimi nage, zoals je hem leert voor je eerste examen stopte ik haar aanval en ze viel achterover met haar hoofd op de keukenvloer. Ze was niet knock-out, maar de trap die ik haar daarna verkocht zorgde daar wel voor.
Ik voelde dat ik een beetje begon te wankelen en ging snel op mijn knieën zitten, zodat ik niet zou omvallen. Ik haalde diep en rustig adem en telde in het japans tot tien. “Ichi, ni, san, shi, go, roku, shichi, hachi, ku, ju”.  Op de tafel lag een handdoek en die pakte ik snel. Ik draaide de handdoek om mijn elleboog en zocht vervolgens in de keukenlades naar iets om het allemaal wat steviger te bevestigen. Een rol zwarte tape was wat ik vond. De hele rol werd door me opgebruikt en ik scheurde het laatste stuk af met mijn tanden. De wond was nu helemaal ingepakt tot tien centimeter boven en onder mijn elleboog. Het zweet liep van mijn voorhoofd en ik voelde mijn arm kloppen. Misschien had ik de tape wel te strak bevestigd, maar ik ging er nu niets aan veranderen. Ik had hulp nodig en snel.
Ik duwde het geld terug in de zwarte tas, waar het oorspronkelijk vandaan kwam en stapte over de dienstmeid heen, de keuken uit. Een paar maanden geleden zou ik haar zeker gedood hebben. Nu, besloot ik echter om haar in leven te laten. Voordat ze weer bijkwam zou ik toch al ver weg zijn en verder zou haar dood me geen voordeel opleveren. Sinds een paar weken zag ik tijdens mijn dromen vaak de gezichten van mensen die ik gedood had en het waren niet bepaald prettige dromen.
Met de zwarte tas onder mijn rechterarm liep ik de hal in en zag aan de kapstok een mooie bruine jas hangen. Ik pakte de jas en nam hem mee, de mijne lag immers nog in de keuken en was, met een groot gat en vol bloed, nu niet meer bruikbaar.
Buiten trok ik de jas aan en kwam erachter dat hij veel te groot was. Het moest maar eventjes zo. Ik moest zo snel mogelijk terug naar het café, waar ik een kamer voor de nacht had geregeld. De eigenaar zou me wel, waarschijnlijk met tegenzin, weer in contact kunnen brengen met de gasten van de nep ID. Oorspronkelijk was het plan dat ze me morgenvroeg zouden ophalen, maar nu had ik hun hulp direct nodig. Ik had genoeg geld en moest de gok maar nemen, dat ze me niet belazerden.


HOOFDSTUK 48.
Tess pakte een doekje en veegde de mond van kleine Mickie schoon. Dit was nu de derde dag op rij dat er spaghetti bolognese op het menu stond. Een kleine blik in de voorraadkast leerde dat dit gerecht nog wel vaker gegeten zou moeten worden.
Mickie had er geen problemen mee, hij vond het heerlijk. Tess en Peter waren minder enthousiast hierover. Luxe scheen niet een prioriteit te zijn op een onderduikadres. Tess verwachtte ook niet veel, maar met twee kleine kinderen erbij zou het toch wel prettig zijn als er tenminste moeite gedaan werd. De zwarte politieagent heette Patrick. Hij had de leiding en tevens de akelige gewoonte, om voortdurend op zijn nagels te bijten.
Zijn collega Maurice was begin twintig en baalde ervan dat hij niet een of andere undercover baan had, maar oppas speelde voor een vrouw en twee kleine kinderen.
Mickie begreep gelukkig nog niet zo heel veel van de situatie en vond de beide mannen wel amusant. Peter was helemaal van slag en lag de meeste tijd tegen Tess aan op de bank te huilen. “Hoe lang gaat dit allemaal duren”, vroeg Maurice aan Patrick.
Patrick beet nog een keer op zijn duimnagel en spuugde een stukje nagel op de grond. “Weet niet, ik denk tot ze de moordenaar te pakken hebben, of haar vriend de pijp uit is”.
Tess kon niet geloven dat ze met twee zulke eikels hier in dit huis zat.
“Misschien kunnen jullie je een beetje inhouden als wij erbij zitten”, zei ze.
Maurice keek haar dom aan en Patrick haalde zijn schouders op.
Het huis waarin ze zaten bevond zich op ongeveer drie uur rijden van city no. 8 en Tess had geen flauw idee waar ze nu waren. Waarschijnlijk aan de bouw van het huis te zien in een oude stad. Een stad met een naam in plaats van een nummer.

Tess dacht aan Tom en vroeg zich af of hij nog in leven was.
Opnieuw zette ze voor zichzelf alles op een rijtje, maar kon niet geloven dat Tom haar al die tijd voor de gek had gehouden. Hoe langer ze erover nadacht hoe teleurgestelder en bozer ze op hem werd. Toch zou ze er alles voor over hebben als ze nu bij hem kon zijn.


HOOFDSTUK 49.
Het café was gesloten en ik bonkte met mijn goede arm op de houten deur. Boven ging een raam open en ik zag de eigenaar met zijn ongeschoren kop omlaag kijken. “Jij bent het, wacht ik kom eraan”. Ik zei nog niets en wachtte tot hij beneden was en de deur voor me openmaakte. Snel stapte ik naar binnen en zei, “ik heb hulp nodig en snel”. Voorzichtig trok ik de grote jas uit en gooide hem op de bar. “Wat heb je verdomme met je arm gedaan, alles zit onder het bloed, en wat is dat zwarte spul?”, riep de café eigenaar, wiens bijnaam Jojo was.
Jojo was vroeger een harde crimineel geweest, maar had zich na tien jaar teruggetrokken uit de onderwereld en van zijn gemaakte winst een klein café gekocht. Echter, helemaal los gekomen van de onderwereld was hij toch niet, aangezien meer dan de helft van zijn klanten zijn geld verdiende met louche zaakjes. “Godverdomme, je bloedt als een rund”, zei Jojo, “wat is er gebeurd?”. “Maakt niet uit, zorg ervoor dat je snel contact krijgt met die gasten waar ik vanavond zaken mee heb gedaan. Die weten vast wel een doktor of iemand die hier mee overweg kan”, zei ik met een blik in mijn ogen die duidelijk makend dat ik geen zin had in discussies. Jojo liep naar achteren en zei, “dat gaat je geld kosten, dat weet je he?”. “Ik heb geld, schiet nou maar op voordat ik hier crepeer”. Een paar minuten later kwam Jojo terug, “ze zijn over tien minuten hier, wil je wat drinken?”. Ik schudde van nee en liep toch enigszins nerveus op en neer. Er stopte een grijze auto voor het café en ik herkende de man die Milo genoemd werd van onze ontmoeting eerder op de avond. Snel liep ik naar buiten en zei, “je hebt wat kunnen regelen?”. “Ik heb een goed adres hier vlakbij, maak je maar geen zorgen. We gaan ervan uit dat je genoeg geld hebt”. Op de achterbank van de auto zat iemand die ik nog niet eerder gezien had. In zijn nek zag ik een tatoeage van een slag die zich om een kruis wikkelde. Hij zei niets, maar gaf me een open fles vodka. Ik voelde het zweet langs mijn hoofd naar beneden lopen. Zonder na te denken pakte ik de fles en nam een paar grote slokken. De auto zette zich in beweging en toen werd het donker.....
Ik werd wakker op een kleine zolder, die volstond met oude meubelen. Het bed waar ik in lag was voor een kind, zodat mijn voeten over de rand van het bed staken. Ik had enorme pijn in mijn linker onderarm. Toen ik mijn arm wilde vastpakken sloeg mijn hart over. IK HAD GEEN LINKER ONDERARM MEER!!!! Ik moest me beheersen om het niet uit te gillen en keek naar het verband dat ophield, waar normaal gesproken mijn elleboog zou beginnen. Hoe kon iets wat je niet hebt, zo’n pijn doen? Het bed was zeiknat, een combinatie van bloed en zweet, vooral dat laatste. Voorzichtig kwam ik omhoog en zette vervolgens mijn voeten langzaam naast het bed. Ik had nog geen zin om op te staan, dus om aandacht te trekken riep ik naar beneden, “HEY..Hey”. Al snel hoorde ik voetstappen op de trap naar boven. De man die naar boven kwam was in de vijftig of misschien zelfs zestig en droeg een klein brilletje. “U heeft geluk gehad”. “Geluk?, ik ben mijn arm kwijt!!”, antwoordde ik boos. “Waar is mijn zwarte tas?”. De tas met al het geld was weg, niet dat ik daarvan zo schrok. Ze hadden natuurlijk gecontroleerd wat erin zat en al het geld gevonden. Ik hoopte alleen dat het genoeg zou zijn voor de ID en de slager die hier voor me stond. “Het had ook minder goed voor u kunnen aflopen”, zei de man met het brilletje en gaf me een klein potje met pilletjes. “Dit is tegen de pijn, om de twee uur een tablet slikken. Mocht het heel veel pijn doen, dan neemt u er twee. Ik zal zeggen dat u wakker bent, dan komt Milo zo naar boven”. Hij draaide zich om en liep de trap weer af. Ik draaide het deksel van het potje af, door mijn tanden te gebruiken en nam drie pillen. Een paar minuten later kwam Milo de trap op met in zijn handen de nep ID. “Je had precies genoeg geld in je tas zitten, dus dat hebben we gehouden”. Ik zei dat ik niet anders had verwacht en die opmerking maakte hem aan het lachen. “Je leven zal wel veranderen nu je gehandicapt bent, maar je leeft tenminste nog. Bekijk het van de positieve kant zou ik zeggen. Kom, dan help ik je naar beneden en krijg je een warme kop koffie en iets te eten, het is alweer bijna avond. Je bent behoorlijk lang onder zeil geweest”. Hij hielp me van bed en met mijn hand op zijn schouder liep ik van de trap af.
Na een kop koffie en wat eten, voelde ik me iets beter. Schok nummer twee kwam in de badkamer, terwijl ik in de spiegel keek. Ik zag eruit als iemand die al een paar dagen dood was, spierwit en donker onder mijn ogen. Iemand klopte op de badkamerdeur en ik deed open. Het was een mooie blondine met in haar handen een scheerapparaat en wat kleren. In gebrekkig Engels zei ze, “ik denk dat dit je maat wel is” en legde de kleren neer. Ik nam het scheerapparaat aan en bedankte haar. Een half uur later zag ik er weer enigszins toonbaar uit.


HOOFDSTUK 50.
“Kobun hier”. “Hallo, waar zit je?”.
“Bij grensovergang 420, zone DD77R, ik heb hulp nodig. Ik heb geen geld en voel me niet goed”. Ik vertelde wat me overkomen was en dat ik medicatie nodig had. De andere kant van de lijn zweeg tot ik mijn hele verhaal verteld had. “We weten waar je zit, blijf daar en we laten je daar zo snel mogelijk oppikken”. Mooi dacht ik bij mezelf, blijven zitten waar ik zit dat was ook het enige wat ik op dit moment nog op kon brengen. “Weten jullie nog waar mijn vriendin op dit moment is?”, vroeg ik.
“Ja, ze is gisteren verhuisd van schuiladres, we weten precies waar en wie bij haar is. Trouwens ze zit samen ondergedoken met de kinderen van die studiegenoot van jou”. “Je bedoelt Henry?”, zei ik. “Ja, die bedoel ik”. “Okay, er is hier een park daar kan ik overdekt zitten, dus laat ze me daar maar zoeken”. De stem aan de andere kant zei, “ik geef het door” en hing op.

Het was betrekkelijk makkelijk geweest om die nacht de Oostelijke Unie te verlaten. Ik werd door de blondine, die me eerder de kleren en het scheerapparaat had gegeven, weggebracht.
Ze wenste me geluk, gaf me nog iets te eten en maakte zich snel uit de voeten. Bij de grensovergang leek de tijd wel honderd jaar te hebben stilgestaan. Er was geen lichaamsscanner of geavanceerde controle apparatuur. Zelfs mijn vingerafdruk werd niet genomen. Het enige waar ik doorheen diende te lopen, was een poort die controleerde op vuurwapenbezit. Een jonge vrouw, die zat te lezen in een of ander tijdschrift wierp een vluchtige blik op mijn nep ID en ik kon doorlopen. Het was precies zoals Milo voorspeld had.

Ik verliet de communicatiecel en liep richting het park. Bij de ingang van het park stond een of andere gedenksteen, waarvan ik de tekst niet kon lezen. Ik liep onder een grote ijzeren poort door en vervolgens een meter of vijftig naar een overdekte, naar ik aanneem rustplek, voor wandelaars. Op een bankje pakte ik het potje pillen weer en nam nog twee tabletten. Ik slikte veel meer dan de dokter, die mijn arm had afgezaagd, had gezegd, maar ik verrekte dan ook van de pijn. Ik concentreerde me op mijn ademhaling en na tien minuten begon de pijn af te nemen. Tess, Kitano, Henry en Masato spookten door mijn hoofd en ik vroeg me af hoe de zaken zo fout hadden kunnen lopen.
Na een tijdje kreeg ik gezelschap van een jong gezin. Vader, Moeder, twee kinderen en een hond. De hond snuffelde wat aan mijn voeten en luisterde meteen toen hij werd teruggefloten door de man. De kinderen renden tussen de banken en schreeuwden het uit van plezier. Ze lieten me denken aan Peter en Mickie, die op dezelfde manier tekeer konden gaan. Ze zouden het erg moeilijk hebben op het moment, maar gelukkig was Tess nu bij ze. Tess hield van kinderen en zou ze zeker, al was het maar een beetje, kunnen troosten.
Het zou moeilijk voor me zijn om de kinderen nog onder ogen te komen. Henry die goede klootzak en zijn lieve vrouw waren dood door mijn schuld. Hoe het ook zou aflopen verder, als ik dit avontuur overleefde zou ik er in ieder geval voor zorgen dat Peter en Mickie voor de rest van hun leven geen geldzorgen zouden hebben. Al realiseerde ik me dat dit natuurlijk in geen verhouding stond tot het verliezen van hun ouders. Ik had het immers zelf ook meegemaakt. Misschien zou ik nog wel meer voor ze kunnen doen, maar ik wilde er nu niet over nadenken.

Ik kreeg het warm en trok de jas die ik aan had uit. Plots bleef de kleinste van de twee, waarschijnlijk een jaar of zes, staan en wees op me. “Pappa kijk, die meneer heeft maar één arm”. De vader stond snel op, liep mijn richting op en verontschuldigde zich. Ik kon het nog maar net opbrengen op te glimlachen en zei dat het niets uitmaakte. Hij liep richting het ventje en pakte hem stevig aan een arm vast, “het is niet beleefd om zo te wijzen”.
Het mannetje bleef me echter aankijken en hield pas op toen hij een draai om zijn oren kreeg.
Ik legde de jas op de bank en ging languit liggen. Waarschijnlijk was mijn aanwezigheid er de reden van dat het gezin al na enkele minuten verder liep. Ik kon het me wel voorstellen, een eenzame man met een bezweet gezicht. In een verlaten park alleen op een bank. Waarschijnlijk zou ik ook niet blijven rondhangen als ik twee kleine kinderen had. Ik sloot mijn ogen en viel in slaap. “Hey”.
Snel deed ik mijn ogen open en ging rechtop zitten. Op een meter of drie voor me stonden twee jongemannen. “Wat is je naam?”. Ik antwoordde, “Kobun” en zag hoe de uitdrukking op hun gezicht veranderde. De kleinste van de twee, die het kennelijk voor het zeggen had, zei iets tegen de ander en deze rende weg richting uitgang van het park. “Hallo, mijn naam is Matt. We hebben de opdracht je hier op te pikken en naar een veilig adres te brengen. Van daaruit wordt geregeld dat je zo snel mogelijk weer thuis bent”. Ik knikte en was blij dat de organisatie zo snel iets had kunnen regelen. “Mijn collega rijdt de auto naar de ingang van het park, dan hoef je niet zo ver te lopen. Je kunt dat stuk toch wel lopen, ik zie dat je er niet zo goed uitziet”. Ik zei dat het wel zou lukken en stond langzaam op. Matt wilde me helpen, maar ik gaf aan dat het niet nodig was. We liepen naar de uitgang van het park en ik zag dat de auto, met draaiende motor, klaarstond. Het was een Voyager, hetzelfde model als die van Mike Johnson. Ik moest lachen, Mike Johnson met zijn internetpagina, hoe onbelangrijk leek dat wel niet op dit moment.
Op de achterbank wilde ik net mijn ogen sluiten, toen Matt’s collega tegen me begon te praten. “Mijn naam is Bill, je ziet eruit alsof je een zware tijd achter de rug hebt”. Matt keek om en zag dat ik niet echt in de stemming was voor een praatje. “Bill, hou je kop. Ik geloof niet dat meneer zit te wachten op een gesprek. Laat hem met rust”.
Het gezicht van Bill gaf duidelijk uitdrukking aan zijn teleurstelling en ik zei, “heb inderdaad een zware tijd achter de rug. Ik kan er alleen niets over vertellen, dat begrijp je wel, toch?”. Bill knikte en zei, “tuurlijk, ik praat ook nooit over mijn opdrachten”. Ik hoorde Matt lachen achter het stuur van de Voyager, “welke opdrachten?”.

Twee uur later had ik eindelijk het idee te kunnen relaxen, althans voor een korte tijd. Ik zat in een dure privé kliniek en een compleet medisch team stond klaar om naar mijn arm te kijken.
Ik zat achter een kop koffie en had zojuist twee broodjes met jam gegeten. Matt hield me gezelschap en voelde precies aan waar ik wel en waar ik geen zin in had. Er werd op de deur geklopt en Matt deed open. Er kwam een oudere man binnen, die rustig om zich heen keek. Aan zijn gedrag kon je zien dat het hier ging om een baas. Matt boog lichtjes en vroeg of hij iets kon halen. “Niet nodig, Matt. Alles goed verder?”, zei de man. “Zeker, dank u”, antwoordde Matt. De man keek me aan en zei, “ik zal me eventjes voorstellen, je kent me niet. Ze noemen me Kambei”.Kambei, Kambei……, de naam klonk me zo bekend in de oren, waar kende ik die naam ook al weer van?

“Ik weet alles van jou en je opdracht en ik wilde graag persoonlijk je hand schudden”. Hij stak zijn hand uit en schudde mijn hand alsof ik hem een persoonlijke dienst had bewezen.
“Brenner’s dood heeft ervoor gezorgd dat de pleuris is uitgebroken en we zijn nu in oorlog, maar dat geeft niet. We zijn qua slagkracht superieur. Het spijt me dat de zaken voor jou minder goed gelopen zijn”. Hij keek naar mijn arm, of beter mijn ontbrekende onderarm. Nog steeds had ik een kloppend gevoel en pijn in het deel van mijn arm dat er niet meer was. “Ik bedoel eigenlijk meer de gebeurtenissen aan je thuisfront dan je arm”. “Ja”, antwoordde ik, “er zijn onschuldige mensen gedood, waar ik veel om gaf”. Hij knikte en zei, “ik zal er alles aan doen om je te helpen, maar helaas kan ook ik gedane zaken niet ongedaan maken”. “Dat begrijp ik”, antwoordde ik en ging weer zitten. Kambei nam ook plaats en pakte uit de binnenzak van zijn colbert een sigaret. “Geen bezwaar?”, Ik schudde van nee.
Ik wist het, Kambei is een naam uit een film. De oudste film die Tess thuis had heet “The seven Samurai” en stamt uit het midden van de twintigste eeuw. Het is een Japanse zwart/
wit film, die ze via internet had gekocht, bij een bedrijfje dat gespecialiseerd is in de verkoop van oude films. Samen hebben we de film zeker drie keer gekeken. Het verhaal speelt ten tijde van de samoerai en lijkt simpel. Een dorp van arme boeren wordt elk jaar door bandieten overvallen en heeft hierdoor zelf niets meer te eten. Na een emotioneel beraad besluit men dat er samoerai zouden kunnen worden ingehuurd om het dorp te beschermen.
Enkele mannen gaan op zoek naar samoerai, die geschikt zouden kunnen zijn voor het karwei. Interessant is dat ze hen niet kunnen betalen in geld. Het moeten dus samoerai zijn die willen vechten voor onderdak en drie maaltijden per dag. Ik herinner me de uitspraak, “zelfs beren verlaten het bos als ze honger hebben”. De groep van samoerai die zich uiteindelijk bereid verklaart, wordt aangevoerd door een oude samoerai genaamd Kambei. De film is zo goed, omdat naast het verhaal, er ook nog een uitdieping van allerlei personages plaatsvindt. Ik herinner me nog de naam Kyuzo, als één van de samoerai. Kambei ziet hem duelleren met een andere samoerai. De uitkomst van het duel zal voor de gemiddelde kijker moeilijk te bepalen zijn. Het lijkt er immers op, alsof beide zwaardvechters op het zelfde moment toeslaan. Kyuzo claimt echter gewonnen te hebben en omdat ze bamboestokken (shinai) hebben gebruikt, in plaats van hun katana, is er verder niet veel aan de hand. De andere samoerai heeft hier echter geen vrede mee en zegt dat het duel in een onbeslist is geëindigd. Kyuzo gaat hier verder niet op in, maar zijn opponent eist een nieuw gevecht, ditmaal op leven en dood. Kyuzo probeert nog het gevecht te voorkomen, omdat het voor hem duidelijk is dat hij zal winnen. Zijn poging is echter tevergeefs en al snel zien we beide samoerai tegenover elkaar staan met getrokken katana’s. De regisseur neemt de tijd voor het duel, de hele film neemt overigens de tijd, en als kijker voel je hoe zich de spanning opbouwt. Kambei zegt tegen een jonge samoerai, die hem als sensei beschouwt, “zonde, het is duidelijk wat er zal gebeuren”. Wanneer Kyuzo aangevallen wordt, pareert hij op precies dezelfde wijze als in het eerste duel. Een seconde of drie gebeurt er niets en dan valt zijn tegenstander dood om. Het mooie is ook in de film dat de gevechten uiterst realistisch zijn weergegeven.

“Tom, luister...er staat een medisch team klaar om zo meteen naar je arm te kijken. Ik heb de vrijheid genomen om snel het een en ander te regelen en nu is het volgende mogelijk. Zoals je weet gaan de ontwikkelingen op het gebied van robots en cyborgs enorm snel en zijn er zaken mogelijk die vijftig jaar geleden nog ondenkbaar waren. Zo ken ik iemand, die zijn hele leven blind is geweest aan zijn linkeroog en nu kan zien door middel van een cyborg oog.
Je zult de documentaires ook wel gezien hebben, er is in ieder geval van alles mogelijk.
Jouw linkeronderarm zou op zich niet eens zo moeilijk zijn. Je zou een cyborg arm krijgen, die op een speciale manier is aangepast. De precieze details weet ik natuurlijk niet, maar het is blijkbaar niet zo moeilijk om de spieren uit je bovenarm te verlengen en door te laten lopen in zo’n cyborg arm. Je zou bijna alles kunnen doen wat je voorheen ook kon. Het is zelfs zo dat er gevoel in je hand en onderarm zou zitten. Natuurlijk niet op dezelfde manier zoals vroeger, maar zoals een cyborg voelt. Dus je voelt bijvoorbeeld wel pijn, maar dan een afgezwakte vorm ervan”. “Zodat ik mijn arm niet, per ongeluk, in een kampvuur hang?”, zei ik.
Hij lachte en zei, “Ja, bijvoorbeeld”. Hij leek zelfs op de acteur in de film.  
“Je zou zelfs kunnen zeggen dat het voor iemand zoals jij meer voordelen dan nadelen heeft. Je begrijpt wat ik bedoel.” Hij doelde op mijn werk voor de organisatie als ruimer en het was natuurlijk zo, dat een mechanische arm, of hoe je het ook wilt noemen, nogal wat voordelen zou opleveren in een gevecht. Je zou bijvoorbeeld een zwaai met een mes kunnen blokken. Het zou geen pretje zijn, maar het was mogelijk.
“Wat denk je ervan?, ik heb de mensen en het materiaal hier en je zou morgen terug naar huis kunnen gaan met een functionerende arm. Het is niet meer zoals vroeger, toen je een periode van weken nodig had om aan een neparm te wennen. Het schijnt vrij makkelijk te zijn, om met zo’n nieuwe arm om te gaan, omdat bij het ontwerp van cyborgs de mens als voorbeeld is genomen. Ik moet er wel bij zeggen dat het pijn doet. De eerste twee weken zul je zeker veel pijn hebben, dit heeft te maken met het aan elkaar groeien van spieren, maar je krijgt er medicatie bij”. Ik wist niet wat ik moest antwoorden en vroeg om een paar minuten bedenktijd. “Natuurlijk zolang je wilt, denk er maar rustig over na”. Kambei stopte de sigaret in zijn mond en liet zich achterover vallen in zijn stoel. “Matt, ouwe vriend, wat dacht je van een Whisky?”. Matt lachte, “heb een mooie twaalf jaar oude voor u, zal hem eventjes halen”.

Ik hield niet van cyborgs en om nu zelf gedeeltelijk een cyborg te worden sprak me totaal niet aan. De rest van mijn leven met een halve arm rondlopen, sprak me echter nog minder aan.
Een kunststof neparm, die je ’s avonds weer af kunt doet leek me ook niets. De voordelen van een cyborgarm waren natuurlijk niet gering en om zelf zo’n operatie te bekostigen zou me een vermogen kosten. In het allerslechtste geval zou ik de arm eventueel weer operatief kunnen laten verwijderen, al zou ik natuurlijk wel problemen krijgen met de organisatie in dat geval.
“Ik doe het”, zei ik en Kambei blies een cirkel rook mijn richting uit. “Ik had ook niet anders verwacht”, zei hij. Matt kwam terug met twee glazen whisky en zette één glas bij Kambei neer en hield het andere glas zelf. “Lijkt me geen goed idee om te gaan drinken nu”, zei hij en had daarmee natuurlijk gelijk.
Van de operatie zelf kreeg ik niet veel mee. Het zwarte kapje dat ik omkreeg verdoofde me binnen een minuut en een toevoeging in het gas zorgde voor aangename gedachten.
Ik voelde me dronken toen ik wakker werd en had behoorlijk wat moeite om helder van geest te worden. Mijn arm was niet langer verbonden en eigenlijk was niet meer te zien dat mijn linker onderarm niet echt was. Zelfs de lichte beharing zoals die op mijn rechter onderarm zat hadden ze nagemaakt. Boven de elleboog zat een litteken, maar door het aanpassen van de huidskleur was het nauwelijks zichtbaar. Ik voelde echter niets. De arts die de operatie had uitgevoerd kwam naast mijn bed staan, “het is prima gegaan hoor”.
“Ik voel niets in mijn onderarm”, antwoordde ik. “Da’s normaal, ik denk dat je over een uurtje of twee de eerste bewegingen kunt maken. Dan begint het misschien ook een beetje te jeuken op de plek waar het litteken zit. Over vier uur zou je eigenlijk tachtig procent van de mogelijkheden die de arm je biedt, moeten kunnen gebruiken. De overige twintig procent leer je wel kennen in de komende weken of maanden. Dat kan ook niemand je uitleggen, maar reken er maar op dat je aangenaam verrast zult zijn. Trouwens over een uur zal ook de pijn beginnen, roep me maar zodra je iets voelt. Je krijgt dan een injectie en ik zal je wat tabletten geven die je de komende weken moet slikken.
Inderdaad een uur later kon ik mijn vingers bewegen en een kwartier later kreeg ik jeuk en pijn. De injectie maakte daar gelijk een eind aan en ik stopte de pillen veilig in de binnenzak van mijn jas. Tevens kreeg ik een nummer dat ik in geval van problemen met mijn arm kon bellen. Ik zou natuurlijk niet met deze arm naar een gewoon ziekenhuis kunnen gaan. Dat zou teveel vragen oproepen. Kambei kwam ook nog eventjes kijken en kneep hard in de arm. “Voel je dat?”, vroeg hij. “Een heel klein beetje maar”, zei ik. “Goed, ik denk dat je de juiste beslissing hebt genomen. Je was toch niet van plan om je leven te gaan veranderen. Toch?”. Ik gaf geen antwoord en hij trok zijn wenkbrauwen omhoog. “Ik zal je eens een verhaaltje vertellen, dat ik ooit ergens gelezen heb.
Er was eens een man, die zich soms een beetje eenzaam voelde. Hij ging naar de markt om een hondje te kopen, hij dacht dat de zorg voor het beestje hem misschien een beetje zou opvrolijken. De hondenverkoper had echter naast verschillende soorten hondjes ook een klein duiveltje te koop. Het duiveltje zat in een kleine kooi en keek hem met grote ogen aan. “Hoeveel kost dat duiveltje?”, vroeg hij aan de koopman. De man antwoordde dat hij niet te koop was, maar door een zeer genereus bod te doen, wist hij de koopman toch over te halen. “Denk er wel aan”, sprak de koopman, “u moet hem altijd bezig houden. Van nature is hij slecht en zodra hij zich verveelt komt zijn instinct naar boven en is hij tot alles in staat. Het is een grote verantwoordelijkheid die u draagt, als u hem van me overneemt”. De man overtuigde de koopman ervan, dat hij het duiveltje altijd zou bezighouden en nam hem mee.
Inderdaad lukte het de man om de duivel constant bezig te houden. Hij liet hem de tuin onderhouden, de was doen, de zolder opruimen etc….
De man begon het duiveltje zelfs te zien als zijn eigen kind, leerde hem lezen en maakte kleine dagtochtjes met hem, om hem zoveel mogelijk te laten leren.
Drie jaren verstreken en de man was dolblij dat hij het duiveltje gekocht had.
Op een dag ontmoette de man een oude vriend in de stad en samen zakten ze door in een huis van plezier. Hij had veel gedronken en amuseerde zich zeer goed. Drank in grote hoeveelheden was hij echter niet meer gewend en tegen het eind van de avond viel hij in slaap. De volgende morgen werd hij wakker en realiseerde zich dat het duiveltje nu toch wel al enkele uren klaar moest zijn met de opdracht die hij die avond van tevoren ontvangen had.
Snel verliet hij het huis van plezier en rende naar huis. Daar zag hij uit zijn tuin rook opstijgen en ging via het tuinhek naar binnen. Daar zat het duiveltje bij een eigen gemaakt vuur. Hij was het kleine kind van de buren aan het roosteren”.
Ik keek hem aan en zei, “wat zou dat verhaal moeten betekenen dan?”
“Dat mensen niet veranderen, misschien tijdelijk, maar op lange termijn niet. Je bent zoals je bent”. “Ben ik niet met je eens, bovendien schat ik mezelf iets hoger in dan een duiveltje”.
Kambei moest lachen,”anyway, ik moet er vandoor. Ik zal regelen dat je vanavond kunt vertrekken naar huis”. Hij drukte me een nieuw paspoort in mijn handen. “Dit is echt, heb ik vandaag voor je geregeld, ik wens je succes en wil je nogmaals bedanken voor je werk”. Ik schudde zijn hand en hij verliet de kamer.


HOOFDSTUK 51.
Karin stond op het toilet van het hoofdbureau in zone 5 in CityNo. 8. Ze kamde met een borstel haar lange blonde haren en voelde aan de puist, die zich begon te vormen op de punt van haar neus. Dat kan er ook nog wel bij, dacht ze bij zichzelf. De laatste twee dagen waren rampzalig verlopen. Eergisteren had ze een knallende ruzie met haar vriend gekregen over zoiets onnozels als het plannen van het weekend en gisteren reed ze met haar dienstwagen tegen de achterkant van het politiebureau. Het achteruit parkeren met die dingen kreeg ze maar niet onder de knie en ze wilde, zoals het bij een echte politieagente hoort, niet rijden op handsfree.
Haar werk was ook niet wat ze zich er precies van voorgesteld had. Ze was nu een half jaar bij de politie en wilde eigenlijk gaan werken voor de antiterreurpolitie, maar dat zat er voorlopig nog niet in. De werkzaamheden die ze tot nu toe had uitgevoerd stelden niet veel voor. Administratief werk en controle van lopende zaken. De afgelopen week was ze bezig geweest met het opzetten van een onderduikadres voor twee kleine kinderen en een vrouw. De agent Patrick Washington, die ook op het schuiladres verbleef was wel okay, maar zijn collega Maurice de Vries was een mega klootzak. Elke keer als ze contact met hen op moest nemen hoopte ze maar dat het Patrick was aan de andere kant van de verbinding. Maurice kon het niet nalaten om enkele seksueel getinte opmerkingen te maken, waarvan je niets zou kunnen zeggen omdat je anders werd uitgelachen door de andere agenten.
Vanmiddag zou ze naar het huis rijden van Tess Lang, om daar te controleren of alles goed was. Dit was standaardprocedure bij mensen die langer dan een week ondergedoken zaten. Het was verdomme net alsof je een dienstmeid was, je moest de boodschappen controleren en eventueel aanwezig planten water geven. Het sloeg allemaal nergens op.
Afdeling automatisering had haar vanmorgen een e-mail gestuurd, de voordeur zou haar herkennen en ze zou dus probleemloos naar binnen kunnen gaan. Ze legde de borstel terug naast de spiegel en bekeek zichzelf nog een paar seconden in de spiegel. Misschien dat Mika tijd had om eventjes met haar te gaan eten, dan zou ze daarna naar het appartement van Tess Lang vertrekken.

Josh zat al twee dagen het appartementencomplex van Tess in de gaten te houden, maar had geen spoor van haar aanwezigheid kunnen ontdekken. De chips in zijn hoofd maakten overuren met het doornemen van mogelijke scenario’s en het juiste, namelijk onderduiken, kwam met 70,78996666901 % ook als meest waarschijnlijke uit de bus. Hij zou dus actie moeten ondernemen en besloot om vanmiddag in te breken in haar woning en te kijken of hij iets kon vinden dat haar schuilplaats zou verraden. Hij was al eens langs haar voordeur gewandeld en zag dat het een moeilijk te openen deur was. Internet zou wellicht een uitkomst kunnen bieden, zijn geheugen zat vol met internetadressen die hem informatie konden verschaffen over dit soort zaken. In de openbare bibliotheek, die nog wel zo heette maar geen boeken in papiervorm meer bevatte, zouden genoeg computers aanwezig zijn om onopvallend te kunnen werken. Karin reed met de muziek hard aan door zone 5 op weg naar het huis van Tess. Mika had haar tijdens de lunch verteld over een grote reorganisatie die gepland stond en haar slechte zin van vanochtend was alleen nog maar slechter geworden.
De muziek werd onderbroken door een speciaal nieuwsbericht. In de States was een overheidsgebouw opgeblazen, waarop dat moment meer dan tweehonderd mensen aanwezig waren. Een of andere Arabische splintergroepering, waar tot nu toe niemand van gehoord had, had op haar internetsite bekend gemaakt, dat er nog meer zouden volgen. Ondanks dit soort aanslagen, die nog zeer regelmatig voorkwamen in de States en de Europese Unie, ging de oorlog tegen het terrorisme, die nu al zo lang bezig was dat je in de geschiedenis moest duiken om uit te vinden wanneer ie nou precies begonnen was, de goede kant op. Steeds meer terroristische organisaties werden opgerold en de wetten waren nu zodanig aangepast, dat hard optreden al was toegestaan bij een vermoeden. Na de terroristische organisaties zouden de criminele organisaties aan de beurt zijn, want deze waren op dit moment zo wijd vertakt dat ze overal hun invloed konden laten gelden. Sterker nog, een paar maanden geleden was er zelfs een nieuwsbericht uitgebracht, dat een criminele organisatie een terroristische aanslag voorkomen had. Het doelwit van de aanslag was namelijk ook van strategisch belang voor deze “organisatie”, zoals de organisatie kennelijk genoemd werd. Het was een ernstige blamage geweest voor de antiterreurpolitie dat een criminele organisatie haar werk heeft opgeknapt en op het nieuws was.
Ze stopte bij het appartementencomplex en parkeerde haar auto, waar hij niet mocht staan. Het was een ongeschreven regel, dat agenten elkaar geen bekeuringen gaven. Het enige risico dat je liep waren de enkele cyborgs die in dienst waren. Die kon het niets schelen dat je een agent was, maar dat was natuurlijk ook niet verrassend.

Josh stond bij de lift. Hij had alle informatie kunnen verzamelen die hij nodig had en daaruit bleek dat hij zeker een half uur nodig zou hebben om de deur open te krijgen. Hij hoorde voetstappen en draaide zich om. Naast hem stond een blonde politieagente, die hem vriendelijk toelachte. “Goedemiddag mevrouw”, zei hij en zocht zijn geheugen af naar mogelijke vervolgopmerkingen. “Lekker weer vandaag he, weinig smog”. Karin was teleurgesteld over de originaliteit van deze opmerking en zei, “inderdaad”. De liftdeuren gingen open en de cyborg liet haar wederom voorgaan.
Op de verdieping van Tess stapte Karin uit, maar merkte niet dat Josh ook de lift verliet. Terwijl Karin bezig was uit te zoeken welke kant ze moest oplopen liep de cyborg op enkele meters afstand achter haar aan.. Plotseling hoorde ze, “goedemiddag, mevrouw van Veen, de deur is open”. Karin keek omhoog en zag dat ze inderdaad bij het huisnummer van Tess Lang stond. De deur klikte automatisch uit het slot. Ze duwde de deur open en voelde plots een hand in haar rug. Ze draaide zich om en zag de grote blonde man, met wie ze in de lift had gestaan. “Wat doet u?, ik ben politieagente”. De cyborg zei niets en duwde haar nog harder waardoor ze naar binnen viel. Hij stapte naar binnen en sloot de deur achter zich. Karin realiseerde zich plotseling dat ze in echte problemen zat. Tegen deze grote vent zou ze niets in te brengen hebben en kennelijk boeide het hem niet, dat ze een agente was.
Terwijl hij op haar af liep kroop ze op handen en voeten achteruit. “Waar is Tess Lang?”, sprak de cyborg. Karin kende het adres uit haar hoofd, maar wist ook dat het geven van deze informatie het einde van haar carrière zou betekenen. “Die informatie kan ik u niet geven, bovendien weet ik het niet”, zei ze snel. De cyborg stopte een moment en keek rustig de woonkamer rond. Vervolgens richtte hij zijn aandacht weer op Karin, “wanneer u me niet kunt vertellen waar ze is, breek ik uw nek. Ik vraag het nog één keer, waar is ze?”. Karin zag iets vreemds in de ogen van de grote man en realiseerde zicht plotseling dat hij niet menselijk was. Dit betekende ook dat hij waarschijnlijk zijn dreigement waar zou maken. Cyborgs doden geen mensen, althans geen politieagenten, maar bedreigen ze ook niet. Deze deed dit wel en zou dus waarschijnlijk ook net zo makkelijk een mens doden. “Okay, ik heb het adres hier bij me. Dood me alsjeblieft niet”. Ze pakte snel haar palmtop uit haar binnen zak en merkte pas hoe erg haar handen trilden toen ze op het touchscreen wilde drukken. De cyborg pakte het apparaat uit haar handen en had de informatie binnen enkele seconden gevonden. Eerder die week had hij de omringende zones van zone vijf bestudeerd en in zijn geheugen opgeslagen en wist meteen waar het schuiladres zich bevond.
Karin zag dat hij de gevraagde informatie had gevonden en vroeg zich af of ze het er levend vanaf zou brengen. De risico analyse, die in het brein razendsnel werd uitgevoerd, gaf echter aan dat er maar één mogelijkheid was. De vrouw zou moeten sterven.
De cyborg pakte haar stevig vast aan haar lange blonde haren en trok haar richting de badkamer. Hij duwde haar in de douchecabine en stootte vervolgens haar hoofd tegen de betegelde muur. Karin zwaaide met een arm richting haar aanvaller en sloeg de palmtop uit zijn handen. Het ding viel in de badkamervloer op de grond en spatte in losse onderdeeltjes uit elkaar. Haar verzet was echter nutteloos en na de tweede klap van haar hoofd tegen de muur verloor ze het bewustzijn.. De derde klap zorgde ervoor dat haar schedel openknapte. Hij liet haar los en haar levenloze lichaam zakte als een pudding in elkaar.
De cyborg sloot de deur van de douchecabine en keek naar de kapotte palmtop op de grond. Het maakte niet uit, hij wist nu het adres en Tess Lang zou nog maar eventjes te leven hebben. Na haar dood zou hij nog een paar dagen rond blijven hang om te kijken of Tom Brown nog boven water zou komen. Zou dit niet gebeuren, dan was zijn missie voorbij en zou hij terugkeren naar de computer die hem nieuwe instructies zou geven.


HOOFDSTUK 52.
Martin, de chauffeur die me naar huis zou brengen, zat zachtjes een liedje mee te zingen dat uit de boxen van de auto kwam. We waren pas een uur onderweg, het zou een lange rit worden. “Je hebt een nieuwe arm gekregen, heb ik gehoord”.
“Klopt, mijn linker onderarm”. Hij keek naar mijn arm, terwijl ik liever had dat hij op de weg zou letten. “Nogal pijnlijk, maar ik heb er pillen voor”. “Is heel duur, zo’n operatie”, zei hij, “als je een of andere sukkel was geweest, dan had je de rest van je leven met een stompje kunnen rondlopen”. “I know”, antwoordde ik.
Mijn wens, een rustige praatvrije reis, zou niet in vervulling gaan. Martin was het type dat wel van een praatje hield.
Hij vertelde me een verhaal over een knokpartij in een kroeg en een ander verhaal over een uit de hand gelopen drugsdeal. Aan zijn enthousiasme kon je merken dat het net was alsof hij alles opnieuw mee maakte. “Ik doe aan freefight en heb al enkele toernooien gewonnen”. Aan zijn gezicht te zien sprak hij de waarheid, het zat vol met kleine littekens en zijn linkeroor had de vorm van een bloemkool. Hij behoorde tot het soort gasten dat hier trots op was en er van uit ging dat een ruig gezicht de nodige angst zou inboezemen bij zijn tegenstander.
“Doe jij ook aan een vechtsport?”, vroeg hij. “Aikido, maar ik zou het geen vechtsport noemen”. Ik had geen behoefte om alle vechtsporten die ik in het verleden uit beoefend had met hem te gaan doornemen. “Aikido?, ja dat ken ik wel. Is volgens mij niet echt effectief”. Daar had je het alweer, de al oude discussie over de effectiviteit van een martial art en welke wel of niet de beste was. Aangezien een gesprek toch niet uit de weg te gaan was, besloot ik er maar op te zeggen:    “Is het niet zo dat elke martial art zijn positieve en negatieve kanten heeft ?” Ik was ergens wel benieuwd naar zijn reactie.
Hij keek me aan en balde een vuist, “Freefight is tenminste realistisch, daar kun je wat mee op straat”. Hij haalde zijn schouders op, “ik denk niet dat een aikidoka een kans heeft tegen een freefighter in de ring”.
“Ik denk ook niet dat de bedoeling van Aikido is, om gebruikt te worden in een boksring. Sterker nog zo’n gevecht zou complete onzin zijn, omdat Aikido puur verdedigend is”.
“Hoe val je dan aan?”, vroeg hij.
“Niet, als ik puur aikido zou gebruiken”, antwoordde ik, “maar dat wil niet zeggen dat ik je niet een klap voor je kop kan verkopen als jij mij aanvalt”. Martin haalde zijn neus op en zei, “ik zie het gewoon niet zo voor me. Noem me nog eens een voordeel van Aikido op, vergeleken bij vechtsporten?”. “Stel iemand valt je aan, bijvoorbeeld een goede vriend omdat hij stomdronken is, je wilt hem dan toch niet een gebroken kaak slaan. Tenminste dat neem ik aan. Middels Aikido zou je hem in een klem kunnen nemen en hem zo uitschakelen, zonder dat hij er de dag erna nog last van heeft”. Martin dacht na, “zit wat in, maar als jij dan moet aanvallen?”. “Dan val ik aan en gebruik ik waarschijnlijk geen Aikido, echter als de aanval niet helemaal lukt en er is sprake van een tegenaanval, dan schakel ik misschien weer over op Aikido”. “Dus je maak gebruik van meerdere vechtsporten?”.
“Ja, waarom niet. Zoals ik al zei, iedere martial art heeft zijn bruikbare zaken. Het is gewoon de kunst om deze te kunnen combineren en dat is pas mogelijk als je een leven lang niets anders gedaan hebt. Ben je pas enkele jaren bezig, dan kun je het beste vertrouwen op datgene waarin je het beste bent”. Ik voelde dat hij hier de logica van in zag en hij draaide snel de muziek iets harder om aan te geven dat de discussie voorbij was.

De parkeerplaats van het wegrestaurant was vol en het duurde eventjes voordat we een vrij plekje hadden gevonden. Bij de ingang van het restaurant kwam er een clown op ons aflopen. Het ding wenste ons een prettige maaltijd toe en zijn neus lichtte rood op. Ik kon me goed voorstellen dat kleine kinderen niet zo gecharmeerd waren van deze antieke cyborg, want naast een freaky gezicht had hij een stem die niet echt kindvriendelijk klonk.
Martin duwde hem achteruit en liep naar binnen. Met een wilde zwaai maakte hij de deuren open en ik moest denken aan een verhaal dat ik een keer gelezen had. Het ging erover dat je mensen kon beoordelen aan de manier waarop ze een deur openden. Mijn omschrijving van Martin zou zijn: “problemen”.

Ik bestelde een hamburger met bacon en Martin nam een pizza met tonijn erop.
Het vlees was namaak en smaakte nergens naar. De bacon had nog een beetje smaak, maar niet goed genoeg om voor echt door te gaan. Martin was ook niet echt tevreden over zijn pizza, maar in plaats van het voor zich zelf te houden riep hij iets richting het personeel. Terwijl hij aan het schreeuwen was vielen er kleine stukjes tonijn uit zijn mond terug op zijn bord. Mijn eetlust was verdwenen. “Martin, hou je kop”, zei ik en merkte dat hij zich moest beheersen om niets tegen me terug te zeggen. Het was hem waarschijnlijk verteld dat hij moest doen wat ik zei en het zat hem duidelijk niet lekker.
Na een kop koffie, die overigens wel lekker was, liep ik alvast richting de uitgang.
Plots hoorde ik een dienblad op de tegelvloer kletteren en keek snel om. Ik kon nog juist zien hoe Martin met een kwade kop zijn trui bekeek, die nu vol koffie zat. De man, die tegen hem aangelopen was, wilde zich gaan verontschuldigen maar voordat hij een woord kan uitbrengen boorde Martin zijn vuist in zijn gezicht. Verdomme, dacht ik bij mezelf, dit kunnen we nu niet gebruiken. De man vloog achteruit en viel tegen iemand anders aan, waardoor er nog een dienblad op de grond belandde.
Martin keek me trots aan en ik rolde met mijn ogen. In plaats van naar mij te kijken, kon hij beter zijn omgeving in de gaten houden. Het bleek dat de man niet alleen was, maar met twee vrienden. Tenminste, ik ging er vanuit dat degene die als een wilde stier op Martin afrende een vriend van hem was. De aanval zou makkelijk af te weren zijn geweest door simpelweg opzij te stappen en de aanvaller een beetje door te sturen in de richting waarin hij toch al op weg was. Helaas voor Martin had hij hier heel andere ideeën over. Martin ging recht op hem in. Ze botsten als twee sumoworstelaars tegen elkaar aan en ondanks dat Martin zwaarder was dan zijn aanvaller werd hij door de man tegen de grond gewerkt. De tweede vriend, bemoeide zich er nu ook mee, pakte een stoel op en smeet deze richting Martin. Deze kon nog net op tijd opzij rollen en zodoende de vliegende stoel ontwijken.
Normaal gesproken zou ik het niet erg gevonden hebben om een tijdje toe te kijken hoe Martin in elkaar geramd werd. Hij had het immers aan zichzelf te danken en een flink pak slaag zou niet verkeerd voor hem zijn. Ik had echter haast en wilde niet met een knock-out geslagen chauffeur komen te zitten, of erger nog in een of ander politiebureau belanden.
Ik rende snel richting de drie mannen, die nu om Martin heen stonden. Ze zagen me niet aankomen, dus waarschijnlijk zou ik er al twee kunnen uitschakelen zonder al teveel problemen. Ik trapte met een sidekick de stoelengooier in zijn rug en wist zeker dat hij de komende minuten nog wel op de vloer zou blijven liggen. De sumoworstelaar draaide zich verrassend snel om, maar niet snel genoeg. Mijn lage stoot raakte hem precies in zijn kruis en krimpend van de pijn dook hij in elkaar. Nummer drie had een pas achteruit gedaan en was dus nu buiten mijn bereik. Hij trapte mijn richting op ik maakte een ontwijkende beweging. Mijn voet kwam op een dienblad terecht en ik gleed uit. De seconde tijdwinst werd door mijn tegenstander goed benut en ik zag hoe hij een fles wijn van een tafeltje pakte en deze richting mijn hoofd slingerde. Ik was nog net op tijd om mijn linkeronderarm voor mijn gezicht te houden. De fles spatte uit elkaar in duizend stukjes, ik voelde niets van de impact. Wat ik wel voelde was hoe er iets in mijn oog terechtkwam.
Snel deed ik een paar stappen achteruit en hield een hand voor mijn oog.
Op de grond was zag ik Martin worstelen met de gast die ik in het kruis geslagen had. Mijn aanvaller had ondertussen een nieuw wapen te pakken. Met een steakmes in zijn rechterhand kwam hij op me af. “Ik snij je open klootzak!!”.
Ik probeerde de situatie te sussen door te zeggen dat ik geen verdere problemen wilde, maar aan zijn ogen zag ik dat dit nutteloos was. Hij kwam met het mes in en ik draaide langs hem heen. Helaas voor mij, slaagde hij er echter in om op het laatste moment nog iets van richting te veranderen en ik voelde hoe het mes mijn arm binnendrong. Het was echter mijn linkeronderarm, dus de pijn die ik voelde stond in geen verhouding tot de pijn die ik gevoeld zou moeten hebben. Ik maakte mijn techniek af, bracht zijn stootarm omlaag en legde een andere hand in zijn nek. Vervolgens gooide ik hem van me af. De techniek heet soto kaiten nage. Ik wierp hem echter ongelukkig, waardoor hij niet de kans kreeg om makkelijk weg te rollen. Hij belandde op zijn heup en toen hij vervolgens wilde opstaan kermde hij het uit van de pijn.
Ik hield mijn omgeving goed in de gaten en zag hoe Martin, die nog steeds op de grond lag, me aankeek. Kennelijk had hij zijn tegenstander knock-out geslagen en vond het nu amusant om me een wazige blik toe te werpen “Was dat laatste nou Aikido?”.
“Ja, dat was Aikido en nu gaan we !!”.
We verlieten snel het restaurant en de clown wenste ons een prettige voortzetting van de reis toe.
Eenmaal onderweg keek in de spiegel naar mijn oog. Ik voelde niets meer, wat er ook in had gezeten het was nu weg.
Ik verbond mijn arm en realiseerde me dat ik een geweldig nieuw wapen erbij had. De fles en het mes, ik had ze wel gevoeld, maar daar had je het verder ook mee gehad. Ik verloor bijna geen bloed en waarschijnlijk zou de huid vrij snel weer dichtgroeien. Martin begon weer te praten, maar nog voordat hij zijn eerste zin kon afmaken gaf ik hem een tik op zijn mond.
Diep beledigd besloot hij zijn mond dicht te houden, wat ook een verstandige beslissing van hem was. Het liefst zou ik hem daar achtergelaten hebben, maar je wist maar nooit of hij toch nog niet van pas zou komen. Hij wist de weg en ik zou er voor opletten, dat hij me niet nog een tweede keer in de problemen zou brengen.


HOOFDSTUK 53.
Op het bureau in mijn appartement vond ik een briefje van Tess.

Tom, waar zit je??
Ik maak me zorgen.
Hou van je... Tess

Ik controleerde op boodschappen en zag dat er aan mijn computer gerommeld was.
Een koude douche deed me goed en ik deed een nieuw verband om mijn arm. De pijn van de operatie was er nog steeds, maar van de messteek merkte ik niets meer.
Ik verliet mijn woning en kocht een nieuwe mobiele communicatie unit. Het ding was zo klein, dat ik hem waarschijnlijk binnen een week weer kwijt zou zijn.
“Hallo Kobun hier”.
“Hallo, ben je weer thuis?”
“Ja”, antwoordde ik, “ik wil het adres hebben”.
“Weet je dat zeker?”. Ik begon mijn geduld te verliezen. “Natuurlijk weet ik het zeker, anders zou ik het niet vragen. Ga nu niet moeilijk doen, anders kom ik het persoonlijk ophalen!”
Het was natuurlijk een risico om zo tegen iemand van de organistie uit te vliegen, maar ik had er genoeg van. Het was enkele seconden stil aan de andere kant en vervolgens sprak de stem. “Okay okay rustig, we staan aan dezelfde kant hier......Zone 7 blok 3 –F1-V.
Ga je er nu naar toe?”.
Ik antwoordde, “alleen maar eventjes polshoogte nemen, ik wil eerst uitzoeken wie er achter de aanslagen zit. Daarna neem ik pas contact met haar op”, maar eigenlijk had ik geen flauw idee van wat ik ging doen. Het leek me echter wel een goede zet om het over te laten komen alsof ik alles verder perfect gepland had.
“Okay, mocht je hulp nodig hebben dan horen we het. Is die chauffeur nog steeds bij je?”
“Nee, die heb ik meteen teruggestuurd naar waar ie vandaan komt, het is een hufter”.
“Iets wat we moeten weten?”. Ik dacht eventjes na en besloot er verder geen woorden aan vuil te maken. “Nee niets, ik mag hem gewoon niet. Zal hem waarschijnlijk ook nooit meer zien dus het is geen probleem”.
“Goed...succes”, de verbinding werd verbroken.

Ik besloot, waarom precies weet ik niet, om eerst nog eventjes bij het appartement van Tess langs te gaan. De voordeur zou me vast binnenlaten. Aangezien ik geen zin had om zelf te rijden zette ik CSC aan en de auto verliet de garage met de voorgeschreven snelheid.
“Goedemiddag Tom, Tess is niet thuis”, sprak de voordeur. “Weet ik, mag ik erin?”, de deur sprong uit het slot. Ik ging naar binnen en keek rond in de woonkamer en keuken. Niets vreemds te zien. Vervolgens controleerde ik de kamers en vond niets bijzonders. Als laatste opende ik de badkamer deur en zag op de grond iets liggen. Een verzameling van losse onderdeeltjes die ooit een palmtop hadden gevormd. Ik knielde en pakte ze in mijn handen, iemand was hier geweest en had het ding laten vallen? Waarom heeft hij het laten liggen?. Ik keek de badkamer rond voor nieuwe aanwijzingen. Toen zag ik dat de douchecabine niet leeg was. Adrenaline stroomde door mijn lichaam. Ik wist dat het niet Tess kon zijn, maar het had gekund. Ik stond op en opende de deur van de cabine. Wat ik vond was het lichaam van een jonge blonde vrouw. Ze droeg een politieuniform en haar hoofd was naar beneden gericht. Ik pakte haar bij de haren en draaide haar hoofd rond. Ze had een barst in haar schedel en er zat bloed op de tegels van de badkamermuur. Ze was dus waarschijnlijk door iemand met haar hoofd tegen de muur gebonkt. Ik voelde met mijn vingers aan haar hals en wangen en bemerkte dat haar lichaam nog steeds warm was. Als ik een paar uur eerder hier was geweest, had ik dit wellicht kunnen voorkomen. Ik realiseerde me wat dit betekende.
De moordenaar van Masato, Ray, Henry en zijn vrouw was hier geweest voor Tess. Gelukkig zat Tess ondergedoken, maar in plaats van Tess trof hij de agente aan. De vraag. “waar is Tess Lang?”, zou ongetwijfeld gesteld zijn en ik moest er vanuit gaan dat de moordenaar het adres nu kende.
Haast was nu geboden, de rit naar het onderduikadres zou me ongeveer drie uur gaan kosten.
Snel stond ik op en verliet de badkamer, op weg naar de voordeur dacht ik aan de katana, het Japanse samoeraizwaard, dat Tess ooit van haar vader cadeau had gekregen. Ze had het een jaar geleden laten taxeren en het bleek inderdaad een heel kostbaar zwaard te zijn.
Zeg maar, een collectorsitem. Het zwaard was niet alleen oud, maar ook nog eens op de traditionele manier gemaakt. De binnenkant van het staal was zacht, zodat het zwaard niet makkelijk zou breken en de buitenkant was keihard.

De vervaardiging van een zwaard begint met het gieten van het erts in een blokvorm met een lang handvat eraan, dat later wordt verwijderd. Dit blok wordt platgeslagen. Het afgeplatte stuk wordt gedompeld in een vloeistof om de onzuiverheden uit het metaal te verwijderen. Als het nog roodheet is wordt het met een beitel in tweeën gespleten, waarna het wordt dichtgevouwen tot het weer de juiste vorm heeft. Dit proces wordt verschillende keren herhaald. Op die manier wordt het zwaard opgebouwd uit verschillende laagjes. Het is niet alleen veel werk, de moeilijkheid zit hem onder andere in het vinden van de juiste temperatuur wanneer het toekomstige zwaard wordt verhit. Alleen een meester zwaardsmit weet aan de hand van de kleur van het verhitte zwaard wat de juiste temperatuur is.
Natuurlijk is het tegenwoordig mogelijk om zwaarden te maken van dezelfde kwaliteit, een karwei waar geen smid meer aan te pas hoeft te komen, maar het bleef toch anders en verzamelaars van zwaarden zijn bereid duizenden meer te betalen voor een zwaard dat nog met de hand is gemaakt.

Ik had het zwaard een paar keer in mijn handen gehad en bemerkt dat het nog steeds vlijmscherp was. Tevens had ik het aan Masato laten zien, en ook hij was er zeer van onder de indruk geweest. De zwarte kist, waar het zwaard in lag, was afgesloten. Het slot was een oud hangslot, dat met een klein sleuteltje moest worden opgemaakt. Tijd om de sleutel te gaan zoeken had ik echter niet en na drie gerichtte trappen liet het hangslot al los.
Het zwaard was in een deken gewikkeld en met de deken onder mijn arm verliet ik het appartement. “Tot ziens Tom”, riep de deur me na.
Buiten stapte ik snel in mijn auto en legde het zwaard naast me neer. Ik zou CSC kunnen gebruiken, maar dan zou ik me aan de maximale snelheid moeten houden. Plankgas scheurde ik weg en zag hoe een oudere man een gebaar richting zijn hoofd naar me maakte.
Zone 7 blok 3 –F1-V, de “V” op het einde gaf aan dat het hier een afgelegen huis betrof, dat wil zeggen dat er minstens honderd meter rondom het huis onbebouwd was.


HOOFDSTUK 54.
Patrick Washington, zat te kijken naar een herhaling van een voetbalwedstrijd. “Dit seizoen worden ze niet kampioen, dat is wel duidelijk”, zei Maurice. “Ziet er inderdaad niet naar uit nee. Ze zouden een nieuwe spits moeten aantrekken, deze gast trapt nog geen deuk in een pakje boter”, Maurice moest lachen om die opmerking, “precies”.
Tess zat met kleine Mickie op schoot naar Peter te kijken. Peter had van een kartonnen doos een politiebureau gemaakt en amuseerde zich nu al een half uur door er met een speelgoedauto omheen te rijden. Tess dacht aan Tom en dacht aan de uitspraak, “je weet pas wat je hebt, als het er niet meer is”. Ze voelde hoe er zich tranen vormden en vervolgens langzaam omlaag gleden via haar wang. Snel veegde ze de tranen weg, Peter zou het niet moeten zien. De kinderen hadden het al zwaar genoeg zonder hun ouders.

De cyborg had het huis, dat meer van een boerderij weg had, al meer dan twee uur in de gaten gehouden en besloot dat het tijd was om dichterbij te gaan.
Hij liep geruisloos richting de achterkant van het huis en keek door een raam naar binnen. Hij zag bewegende beelden en de hoofden van twee mannen, die doodstil naar de bewegende beelden keken.
Er was geen spoor van zijn slachtoffer te zien, maar de kans was natuurlijk groot dat zij zich op de bovenste verdieping zou bevinden.
Langzaam liep hij rond het huis en voelde of een van de ramen misschien open was. Alles bleek gesloten, op een klein raam laag bij de grond na. De cyborg keek door het raam en zag dat binnen alles donker was. Hij paste zijn zicht aan en zag oude dozen en een hoop rotzooi.
Het raam behoorde tot de kelder en kon makkelijk geopend worden. Met enige moeite lukte het Josh om zich naar binnen te wringen. Er was een houten trap die weer naar boven leidde. Met voorzichtige passen  liep hij de houten trap op, maar ondanks de hoge leeftijd van de trap kraakte deze niet. De cyborg voelde aan de deurknop en bemerkte dat deze gewoon open was. Langzaam deed hij de deur open en zag dat de mannen nog steeds naar de bewegende beelden zaten te kijken. Het was een voetbalwedstrijd, een spel waarvan de Josh de regels niet kende, omdat ze nooit in zijn geheugen waren ge-upload. Hij deed de deur verder open en rende met volle vaart op de beide mannen af. De eerste die iets bemerkte was Maurice, “Wat godverdomme......Patrick let..”, meer kon hij niet meer zeggen, want de vuist van de cyborg belandde op zijn adamsappel. Hij viel achterover en greep met beide handen naar zijn hals.
Patrick kwam omhoog vanuit zijn stoel en greep naar het pistool dat hij in zijn schouderholster had. Er was nog net genoeg tijd om een schot te lossen, alvorens ook hij door een stoot in zijn gezicht naar de grond ging.
Toen Patrick zijn ogen weer open deed voelde hij hoe er druppels bloed, van de man die over hem gebogen stond, op zijn gezicht belandden. Zijn schot had doel getroffen en de man bloedde uit zijn gezicht. Hij kon het gat dat de kogel gemaakt had zien in de wang van de man en verbaasde zich dat hij niet dood was. Patrick wilde omhoog komen, maar de voetzool van de cyborg belandde recht in zijn gezicht. Zijn neus brak en zijn achterhoofd belandde hard op de grond. Na nog vier van deze trappen was het gezicht van Patrick onherkenbaar. Op zijn begrafenis vier dagen later stond er dan ook een gesloten kist met zijn foto erop. In plaats van de open kist, die zo gebruikelijk was bij agenten die stierven tijdens hun dienst.
De cyborg bukte zich en raapte het pistool van de grond op. Hij was beschadigd, de kogel door zijn gezicht had een aantal functies uitgeschakeld. Zijn brein gebruikte al het beschikbaar geheugen om de cyborg lichamelijk toch zo goed mogelijk te laten functioneren.
Hij draaide zich om en keek naar Maurice, die nog steeds met twee handen om zijn hals naar lucht lag te happen. Patrick’s pistool werd op hem gericht en Josh vuurde twee kogels af. De eerste kogel raakte alleen maar de muur achter hem, de tweede ging recht door zijn voorhoofd.
De cyborg vuurde nog een derde maal en bemerkte dat het wapen blokkeerde. Hij keek er een seconde naar en smeet het wapen weg, hij zou het niet meer nodig hebben.

Tess had de schoten gehoord en na een paar seconden verlamd van angst in haar stoel, ging ze over tot actie. Ze pakte Mickie en  Peter bij een arm en duwde ze onder het bed. “Daar blijven, wat er ook gebeurt”, zei ze tegen Peter. “Ja, wat gebeurt er?, is dat die man weer?”.
“Shhhttt, stil”, zei Tess en begon met het barricaderen van de deur.

Ik kon het adres makkelijk vinden en had de hele weg gereden als een gek. Eigenlijk was het een wonder dat ik niet aangehouden was. Waarschijnlijk zouden er volgende week zo’n vijftig bekeuringen via e-mail binnenkomen, maar dat interesseerde me op dit moment geen fuck.
Vanaf de hoofdweg ging er een smalle landweg naar het huis waar Tess zou moeten zitten. Zo’n vijftig meter van het huis vandaan, zag ik dat er een zwarte auto, half in de struiken, stond geparkeerd. Het was geen type auto dat gekozen zou worden door politieagenten en dus werd mijn vermoeden dat de moordenaar hier aanwezig zou zijn alleen nog maar groter.
Ik nam niet de moeite om mijn auto te parkeren en stopte pas toen ik al bijna bij het huis was. Snel pakte ik de katana en verliet de wagen. In looppas ging ik richting het huis en benutte een klein beetje de beschutting van de struiken die aan beide kanten van de weg stonden. Voorzichtig was natuurlijk anders, maar ik wilde niet te laat komen en moest het extra risico dus maar op de koop toenemen. Zou er niets aan de hand zijn, dan had ik natuurlijk veel uit te leggen. Iemand die in looppas komt aanrennen met een katana in zijn hand, is natuurlijk niet van plan om je een cake te verkopen. Er gebeurde echter niets en al snel zag ik door het raam de reden. Binnen zag ik een zwarte en blanke man liggen, die duidelijk niet meer in leven waren. Waar was Tess? Was ik te laat?

Josh wist meteen welke deur hij moest hebben op de bovenverdieping, doordat Mickie nog steeds keihard huilde onder het bed. Zijn broer hield hem stevig, met gesloten ogen, vast. Tess had een aantal spullen voor de deur geschoven, maar wist dat het eigenlijk onbegonnen werk was. Ze concentreerde zich nu op het vinden van iets wat ze zou kunnen gebruiken als wapen. Een schaar was het beste dat ze vond. De cyborg probeerde de deur open te duwen en merkte dat deze gebarricadeerd was.
Een paar schoppen en een flinke schouderduw, zorgden er echter voor dat hij al snel open ging. Af en toe viel zijn rechteroog uit, door de beschadigen in zijn hoofd.
Hij zag een vrouw voor een bed staan en hoorde een huilend kind. Een kind had hij hier niet verwacht, volgens zijn gegevens had Tess Lang geen kind. Peter begon nu ook in paniek te raken en begon met Mickie mee te huilen. Twee kinderen dus, al snel wist de cyborg genoeg. Hij kreeg dus de kans om zijn eerdere karwei alsnog helemaal af te maken.

Met de kashira  (achterkant van het zwaard), sloeg ik het raam in. De scherven vlogen me om de oren en bij het naar binnen klimmen, sneed een stuk glas door de zijkant van mijn bovenbeen. Ik bloedde als een rund, maar had niet de tijd om me er druk over te maken. Ik trok het zwaard uit de bamboe saya (schede) en rende naar boven. Tess zwaaide met de schaar richting de borst van de cyborg. Een blok van zijn linkerhand zorgde er echter voor dat hij niet geraakt werd. Met de buitenkant van zijn rechterhand gaf hij Tess een klap in het gezicht. Hij greep haar bij de schouders en smeet haar in de hoek van de kamer. Tess merkte dat deze man over een uitzonderlijke kracht beschikte en zag al snel in dat ze volkomen weerloos tegen dit monster was. De cyborg tilde de rand van het bed op en zette het bed rechtop tegen de muur. Onder hem zag hij nu twee kleine kinderen die stijf van angst met rode ogen van de tranen zijn kant opkeken. Hij wilde zich bukken om de kinderen vast te pakken en hun leven te beëindigen.
Echter toen hij ze bijna vast had voelde hij hoe zijn nek van achteren weer vastgegrepen werd. Tess was in een uitzinnige poging de levens van de kinderen te redden, op hem gesprongen en had hem vast als een terrier. “Je zult mij eerst moeten doden, klootzak!!!”, riep ze met harde stem. De cyborg antwoordde, “dat was ik ook van plan”. Ik was nog maar enkele treden van de bovenverdieping verwijderd, toen ik Tess hoorde schreeuwen. Ze leefde nog!, ik bewoog zo snel als ik kon richting het geluid. Toen zag ik een beeld dat ik nooit meer zou vergeten. In het midden van de kamer stond de blonde cyborg die ik samen met Brenner in het restaurant had gezien. Hij bloedde uit zijn gezicht en greep met zijn hand naar Tess. Tess, mijn vriendin, die als een wilde kat om zijn nek hing. Verder zag ik de kinderen van Henry, die met een lijkbleek gezicht keken naar wat zich afspeelde in het midden van de kamer. De cyborg had Tess nu stevig vast bij haar haren. Ongetwijfeld was zijn bedoeling geweest om haar over zich heen te trekken, maar in plaats daarvan trok hij een flinke pluk haar los. Tess schreeuwde het uit en ik bedacht me geen moment. Ik ging direct over tot actie en vloog als een speer naar voren, mijn katana boorde zich in de buik van de cyborg. Ik hoorde hoe Tess mijn naam riep en trok de katana terug. Een normaal persoon zou uitgeschakeld zijn, maar deze cyborg nog niet. Hij maakte een wilde draai en Tess kon niet langer vasthouden. Ze viel op de grond en ik schrok van het geluid waarmee haar hoofd tegen de grond bonkte. Ik viel een tweede keer aan, maar nog voordat ik de kissaki (punt van het zwaard) in zijn nek kon boren greep hij het zwaard vast met zijn hand. De scherpe katana ging natuurlijk zonder enige moeite door het vlees van zijn hand, maar ik voelde plots hoe het klem zat in de greep van zijn ijzeren hand. Een harde ruk van zijn kant, zorgde ervoor dat ik zijn richting op gedwongen werd. Met zijn andere hand sloeg hij richting mijn hoofd en ik moest de katana loslaten om de klap te ontwijken. Een onvergeeflijke fout natuurlijk. Mijn tegenaanval werd namelijk door een kniestoot teniet gedaan en ik voelde hoe de lucht uit mijn longen verdween, toen de knie zich in mijn ribben boorde. De cyborg had nu de katana en het was duidelijk dat hij van plan was iedereen in de kamer te doden. Wat hij vervolgens deed, was echter niet wat ik had verwacht. Hij draaide zich om naar de kinderen en hief het zwaard boven zijn hoofd om toe te slaan.
Tess schreeuwde, “NEE!!” en ik handelde zonder na te denken, terwijl het zwaard naar beneden ging richting kleine Mickie, sprong ik tussen het zwaard en de peuter. Het zwaard boorde zich in mijn arm, mijn linkeronderarm die ik nog net op tijd omhoog kon houden. Er zat geen techniek in de slag van de cyborg. Elke martial arts student, die zich verdiept heeft in de kunst van het zwaard, weet dat er namelijk een groot verschil is tussen snijden en slaan.
Ik voelde pijn, maar net zoals eerder in het restaurant, was het maar een fractie van de pijn die ik gevoeld zou hebben als het mijn echte arm was geweest. Plots zag ik de ogen van de cyborg groter worden en hij keek me verbaasd aan. Hij liet de katana los en het zwaard viel voor mijn voeten neer. Hij draaide zich van me weg en toen zag ik de achterkant van een schaar uit zijn nek steken. Ik hoopte dat hij elk moment zou omvallen, maar het gebeurde niet. Langzaam liep hij naar Tess, die de schaar van de grond had opgeraapt en in de nek van de cyborg had geplant. Hij sloot zijn handen rond haar hals en wurgde haar. Hij zakte door zijn knieën, maar zijn greep verzwakte niet. Snel pakte ik de katana op van de grond en ging achter de cyborg staan. Een perfecte zwaai van de katana zorgde ervoor dat zijn hoofd van zijn nek werd gescheiden. Op het moment dat zijn hoofd over de grond rolde, zat er geen enkele kracht meer in zijn handen en Tess kreeg de zuurstof, waar ze zo naar snakte. Een straal groene smurrie spoot recht uit zijn hals omhoog en bloed werd op de maat van een hartslag naar buiten gepompt. Tess stond op en rende naar me toe. “Waar bleef je nou”, en een stormvloed van emoties kwam bij haar los. Na een seconde of tien in mijn armen rukte ze zich los en rende naar de kinderen. Peter en Mickie waren ongedeerd, dat wil zeggen fysiek ongedeerd, want geestelijk zouden ze nog lang nodig hebben om de beelden die ze de afgelopen minuut hadden gezien, te verwerken.


HOOFDSTUK 55.
Vier maanden later.......
De dagen erna waren niet makkelijk.
Tess had een flinke hersenschudding en ik moest mijn arm voor de zoveelste maal opknappen.
Er was de politie, die natuurlijk geen genoegen nam met het lulverhaal dat ik verzonnen had.
De overheid was voornamelijk geïnteresseerd in de kapotte cyborg, echter alle belangrijke programma’s en parameters waren gewist op het moment dat de cyborg “stierf”. Verder was het in niemands voordeel om een verhaal over een gemanipuleerde of doorgedraaide cyborg bekend te maken, dus het verdween in de doofpot.
Door de tussenkomst van de organisatie, die ook de nodige invloed had bij de politie, werd er uiteindelijk besloten om het onderzoek stop te zetten. Wel moest ik een handtekening zetten, dat ik nooit mijn mond over dit voorval zou opendoen. Zou ik dat wel doen, dan zou ik verbannen worden naar een strafkolonie.
Daarnaast was er Tess, die na me eerst na een dag lang vastgehouden en gezoend te hebben, vragen begon te stellen. Ze was niet dom en ik had ook geen zin om haar te gaan voorliegen. Ik vertelde haar dus de waarheid met als gevolg dat ik haar bijna kwijt raakte.
Uiteindelijk besloot ze toch bij me te blijven en ik was nog nooit zo gelukkig geweest om een besluit van iemand anders. Gisteren was de eerste nacht dat Mickie en Peter bij ons hadden gelogeerd. Tess had aangeven voor de kinderen te willen zorgen en ik kon me daar ook in vinden. Misschien was het wel omdat ik vond dat ik het aan Henry en Nancy verschuldigd was. De organisatie zou wel kunnen regelen dat we ze konden adopteren, voorwaarde voor adoptie was wel dat je getrouwd was en dat deden we dus snel. Het huwelijk werd voltrokken via een online verbinding met het zonehuis en duurde acht minuten.
Het deed me pijn om de politiefoto’s te zien die waren genomen van de moordpartijen van de cyborg. Mijn oom Ray, die niet verdiend had om zo te sterven en Masato. Ik zag op de foto de woorden die Masato in bloed op de muur had geschreven en begreep wat ze betekenden.
Kennelijk was hij voor zijn dood nog op de hoogte gebracht van mijn daden en kon zich hier natuurlijk niet in vinden. Hij was teleurgesteld in me en wilde me op die manier, nog voor zijn dood, laten weten dat hij niets meer met me te maken wilden hebben. Ik zou zelf nog de nodige tijd nodig hebben om mijn gevoelens op een rij te zetten. De foto’s van Henry en Nancy wilde ik niet zien, ik had al genoeg gezien. In het testament van Masato werd ik als begunstigde aangewezen van zijn complete bezit, met als gevolg dat zijn school nu de mijne was. Aanvankelijk wilde ik de school verkopen en het geld schenken aan een goed doel, het geld had ik immers niet nodig. Ik besloot echter, dat Masato het mooier zou vinden als iemand zijn school en manier van trainen zou voortzetten. Misschien was ik dan wel een teleurstelling voor hem geworden, mijn leerlingen zouden dat niet zijn. Ik woonde nu samen met Tess boven de Aikidoschool en eindelijk begon het leven weer een beetje normaal te worden. “Kom je ook naar bed?”, riep Tess en ik stopte met het het Go-spel dat ik aan het spelen was op de computer. Ik kleedde me uit en ging op bed zitten. Tess wreef met haar hand over mijn rug en zei, “vind je het zelf mooi?”. Dit was de eerste keer dat ze een opmerking maakte over mijn tatoeage. Ik was verbaasd dat ze er de eerste keer niets over zei en het begon een soort van spel te worden, om te raden wanneer ze het wel zou gaan doen. “Het is gemaakt door een vriend”, antwoordde ik. “Dan wel een vriend met een vooruitziende blik”, zei Tess. “Ik stel me voor dat de twee kleine draken Peter en Mickie zijn en zoals jij je voor de kinderen gooide toen de cyborg toesloeg met het zwaard, geeft aan dat je ze beschermt ten kostte van alles. Net zoals de grote draak de twee kleine draken beschermt op je tatoeage”.
Ik dacht aan Kitano en vroeg me af hoe het met hem zou zijn. Waarschijnlijk goed, want hij was niet afhankelijk van omstandigheden om gelukkig te zijn. Die nacht vreeën we diverse malen en ik had voor het eerst helemaal geen pijn meer aan mijn arm.


HOOFDSTUK 56.
14 November 2182
“Niet huppelen Francisca, het is geen dansschool hier”, het viel niet mee om je te verplaatsen in iemand die Aikido als een leuk tijdverdrijf zag. Mijn trainingen waren zodanig opgesteld, dat iedereen die er niet echt serieus mee bezig was er toch binnen enkele weken de brui aan gaf. Vandaag liet ik ze niet meer doen dan het ontwijken van een stoot, tsuki, door middel van weg te draaien, tai sabaki. Doordat de meesten er nog niet in slaagden hun ademhaling diep te houden werd er teveel gehuppeld, waarbij Francisca het wel erg bont maakte. Verder hadden enkele leerlingen een probleem met de timing en was het voor Marco moeilijk om te wennen aan het idee dat je wegdraaide van je tegentander. Dit was waarschijnlijk te wijten aan zijn boksachtergrond en ik herkende in hem dezelfde problemen, die ik ook had ondervonden toen ik met aikido begon. “Marco, je moet vertrouwen hebben in je beweging. Wanneer je hetzelf niet gelooft, dan zal het zeker niet gaan lukken”. Hij keek me aan en knikte, hij deed tenminste zijn best en dat was goed genoeg.
Ik had nu zestien leerlingen, waarvan er acht in aanmerking kwamen om goed te kunnen worden. Dit zat hem niet in hun techniek, maar puur in hun instelling. Voor het begin van de les liet ik ze zelf de matten leggen, dus na de training moesten ze ook weer netjes worden opgeruimd. Aangezien dit best veel werk was, moest iedereen eerder aanwezig zijn en kon men zich na de training ook niet gelijk uit de voeten maken.
Regelmatig kreeg ik de vraag waarom de matten niet konden blijven liggen, maar in plaats van de echte reden op te geven, antwoordde ik altijd dat ik gewoon van een opgeruimde dojo hield. De echte reden was natuurlijk dat het leggen en opruimen van de matten (tatami’s) extra werk was waar geen beloning tegenover stond. Het was een vorm van geestelijke training, die een onderdeel vormde van het afbreken van het ego. Pas als er geen persoonlijkheden meer op de mat stonden, kon er echt iets geleerd worden.

Na een half uur pakte ik de jo (houten stok) erbij en liet Jerry me aanvallen met een stoot naar het lichaam. Ik gebruikte dezelfe beweging van zojuist om de jo te ontwijken, nam hem mee in de beweging en ontwapende door middel van ikkyo.
“Nu jij”, en ik viel Jerry aan met de jo. Hij bewoog op het juiste moment en voerde de techniek perfect uit. Na een keer of vier begon hij een beetje te makkelijk te worden en besteedde meer tijd aan het goed overkomen, dan aan de techniek. Ik viel dus iets sneller aan, met als gevolg dat hij te laat wegdraaide en ik hem met de punt van de jo in zijn zij stak.
Aan zijn gezicht kon ik zien dat hij pijn had, maar hij liet niets merken en was bij de volgende aanval weer honderd procent geconcentreerd. Na de les tikte ik hem achter op zijn hoofd en hij begreep het gebaar.

Ik nam een koude douche en trok wat gemakkelijke kleren aan. In de keuken was Tess bezig met het eten toen de telefoon overging.
Tess nam op, “met Tess Brown”.
Ze hoorde de andere kant van de lijn iets zeggen, maar door het geschreeuw van Mickie en Peter, die om de keukentafel renden, kon ze er geen woord van verstaan.
Ze wees naar de kinderen en gebaarde dat ik iets moest doen.
Ik legde het boek dat ik net wilde gaan lezen neer en greep de passerende Mickie en nam hem op schoot. Hij had een dikke buil op zijn voorhoofd, want hij was vanmorgen uit bed gevallen. Het scheen hem echter niets uit te maken, want hij had al de hele dag plezier.

“Sorry, kunt u het nog een keer herhalen, ik kon u niet verstaan”.
“Goedeavond mevrouw, zou ik Tom Brown kunnen spreken?”, zei de andere kant van de lijn voor de tweede maal.
“Momentje, het is voor jou”, zei Tess en ging verder met het intoetsen van het gewenste gerecht. Mickie was weer bezig met in mijn arm te knijpen. Mijn arm was op dit moment het interessantste object dat er bestond voor hem. Peter had die fase al achter de rug.
Ik zette Mickie weer op de grond en nam op, “Ja hallo Tom hier, met wie spreek ik?”.
“Hallo Kobun, kom naar het afgesproken adres. Ik heb een enveloppe voor je...........”

 

 

- einde -

 

Geschreven door: Rob Snijsthe en bewerkt door Paul Jansen
robsnijsthe@hotmail.com